Burgerlijke zaken over 2024
Registratienummer: AUA201903622 – AUA2022H0084
Uitspraak: 23 januari 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Aruba,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonend in Aruba,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en M.R.M Reinkemeyer.
Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] en [geïntimeerde].
1. Het verloop van de procedure
Bij akte van appel, ingediend op 19 april 2022 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 9 maart 2022 van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba, hierna: het Gerecht.
Op 30 mei 2022 heeft [appellant] een memorie van grieven tevens akte wijziging van eis met producties ingediend waarbij zeven grieven zijn voorgedragen en toegelicht. [appellant] heeft verzocht dat het Hof haar gratis admissie zal verlenen en geconcludeerd dat het Hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zal verklaren, het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [appellant] zoals gewijzigd (zie hierna) zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
geïntimeerde] heeft op 28 juli 2022 een memorie van antwoord tevens incidenteel appel ingediend en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel ontzegging van het hoger beroep met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
geïntimeerde] heeft in incidenteel appel geconcludeerd dat het Hof het vonnis zal herzien met inachtneming van de grieven en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
appellant] heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel geconcludeerd dat het Hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in het incidenteel appel dan wel dat het ongegrond wordt verklaard met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Op de nader voor pleidooi bepaalde dag heeft [appellant] een pleitnota ingediend.
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Op 20 februari 2015 is [appellant] in gemeenschap van goederen getrouwd met [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]).
In het dossier bevindt zich een overeenkomst in de Spaanse taal, gedateerd 12 juli 2013. Onderaan de overeenkomst staan uitgetypt de namen van [echtgenoot] en [geïntimeerde] met daarboven een handtekening. In de overeenkomst staat -samengevat- dat [naam echtgenoot] voor een periode van maximaal 12 maanden een huis gelegen te [adres huis] Aruba aan [geïntimeerde] zal overdragen waarbij [geïntimeerde] de aandelen in [aandelen woonplaats] aan [naam echtgenoot] zal overdragen zonder dat daar een betaling tegenover staat. [geïntimeerde] is directeur van genoemde vennootschap.
Bij notariële akte van 24 september 2013 heeft [naam echtgenoot] aan [aandelen woonplaats], voor wie [geïntimeerde] als vertegenwoordiger optrad, geleverd het recht van erfpacht tot 5 november 2053 op een perceel domeingrond gelegen te [woonplaats] Aruba met het daarop gebouwde, bekend als [adres huis]. Dit ter uitvoering van een tussen voormelde partijen gesloten koopovereenkomst dd. 12 maart 2013.
naam echtgenoot] is met zijn gezin na voormelde overdracht in de woning blijven wonen.
In het dossier bevindt zich een overeenkomst in de Spaanse taal, gedateerd 5 maart 2015. Onderaan de overeenkomst staan uitgetypt de namen van [echtgenoot] en [geïntimeerde] met daarboven een handtekening. In de overeenkomst staat -samengevat- dat [geïntimeerde] aan [echtgenoot] de aandelen verkoopt in [aandelen woonplaats].
echtgenoot] is op [overlijdensdatum] 2018 overleden.
Uit een op 17 juni 2019 door de Ambtenaar van de Dienst Burgerlijke Stand te Aruba verstrekt uittreksel blijkt dat [echtgenoot], voordat hij met [appellant] is getrouwd twee keer eerder getrouwd is geweest. Uit het eerste huwelijk is geboren [kind 1] overleden op [geboortedatum kind] 2005, ongehuwd en geen kinderen erkend hebbend in Aruba. Uit het tweede huwelijk, met [persoon 1] zijn drie kinderen geboren, te weten [kind 2] ([geboortedatum] 1997), [kind 3] ([geboortedatum] 1999) en [kind 4] ([geboortedatum] 2001). Alle drie ongehuwd. Uit het huwelijk met [appellant] is op [geboortedatum] 2012 geboren [kind 5].
De sectordirecteur Fiscale Zaken te Curaçao heeft op 7 november 2019 schriftelijk verklaard dat uit het Centraal testamentenregister niet is gebleken dat [naam echtgenoot] bij uiterste wil over zijn nalatenschap heeft beschikt.
kind] en [kind] voormeld hebben op 9 januari 2019 bij het Gerecht verklaard dat zij de nalatenschap van [echtgenoot] niet wensen te aanvaarden, van welke verklaring akte is opgemaakt. [persoon 2] heeft op 9 januari 2019 als wettelijk vertegenwoordigster van [kind] voormeld bij het Gerecht verklaard dat zij de nalatenschap van [naam echtgenoot] niet anders wenst te aanvaarden dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.
aandelen woonplaats] heeft het perceel met de woning bij overeenkomst van 3 mei 2018 verkocht aan een derde.
Bij vonnis in kort geding van 30 oktober 2019 heeft het Gerecht op verzoek van [persoon 3] (optredend ten behoeve van [aandelen woonplaats]) [appellant] bevolen om binnen drie maanden na het vonnis de woning te ontruimen. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij vonnis in kort geding van 26 februari 2020 heeft het Gerecht het door [appellant] gevorderde bevel dat [geïntimeerde] al zijn aandelen in [aandelen woonplaats] onmiddellijk na de uitspraak aan haar zal overdragen afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
3. Vorderingen en beslissingen van het Gerecht en wijziging eis in hoger beroep
appellant] heeft in eerste aanleg na wijziging van eis gevorderd -samengevat- dat het Gerecht primair [geïntimeerde] beveelt om zijn aandelen in [aandelen woonplaats] aan haar over te dragen en subsidiair dat deel van de aandelen dat aan [appellant] en haar zoon toekomt te leveren en [geïntimeerde] verbiedt middels de overige aandelen enige invloed uit te oefenen binnen [aandelen woonplaats] en voorts bepaalt dat elke rechtshandeling waarbij er meer aandelen zijn uitgegeven in [aandelen woonplaats] nietig is, althans vernietigbaar.
Het Gerecht heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.
Het Gerecht heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen. [appellant] heeft in de kern geen vorderingen ingesteld ten behoeve van de gemeenschap maar alleen ten behoeve van zichzelf en haar minderjarige zoon. Zij vordert immers een bevel tot levering aan haar van voormelde aandelen. Hiermee gaat [appellant] er aan voorbij dat zij als deelgenoot in een gemeenschap die vorderingen niet zelfstandig kan indienen. Voor zover [appellant] er van uit is gegaan dat de overige erfgenamen afstand hebben gedaan van de nalatenschap van [naam echtgenoot] geldt voor in ieder geval één van de erfgenamen dat zij de nalatenschap niet heeft verworpen. Als [appellant] heeft beoogd de verdeling van de gemeenschap te vorderen, dan had zij de overige deelgenoten daarin moeten betrekken.
Hiertegen richt zich het hoger beroep.
appellant] heeft haar eis in hoger beroep in die zin gewijzigd dat zij vordert:
i. Primair [geïntimeerde] te bevelen binnen 24 uur na de te wijzen uitspraak in deze al zijn aandelen in de vennootschap naar buitenlands recht [aandelen woonplaats], dit zijnde twee aandelen dan wel alle aandelen waarvan [geïntimeerde] eigenaar is in [aandelen woonplaats], over te dragen aan [appellant] zodat [appellant] deze twee aandelen dan wel alle aandelen mag houden ten behoeve van de nalatenschap van wijlen [wijlen] ware gehuwd;
(…)
Subsidiair, [geïntimeerde] te bevelen binnen 24-uur na het te wijzen vonnis in deze, één aandeel in [aandelen woonplaats] aan [appellant] te leveren dan wel 50% van de aandelen in [aandelen woonplaats] waarvan [geïntimeerde] eigenaar is, dit op grond van nakoming;
(…)
Mocht [geïntimeerde] in gebreke blijven om aan de veroordeling te voldoen, het door Uw Gerecht te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte waarbij de over te dragen aandelen in [aandelen woonplaats] Ltd. aan [appellant] worden overgedragen.
(…)
4. De beoordeling
Gelet op het door [appellant] overgelegde bewijs van onvermogen wordt haar toestemming verleend om kosteloos te procederen.
Principaal appel
De grieven I tot en met VI hebben betrekking op de vraag of [appellant] op grond van artikel 3:171 BW bevoegd is tot het instellen van voormelde vorderingen . Beoordeeld dient te worden of de door [appellant] ingestelde vordering en hetgeen zij daaraan ten grondslag heeft gelegd moet worden opgevat als een vordering ten behoeve van de gemeenschap dan wel een vordering strekkende tot levering van de aandelen aan zichzelf en haar minderjarige zoon [zoon].
appellant] heeft in het inleidend verzoekschrift gesteld dat de erfgenamen aanspraak kunnen maken op de aandelen (2.1) en dat het niet leveren van deze aandelen aan [appellant], wanprestatie oplevert jegens haar en de overige erfgenamen (2.2) en dat zij de aandelen namens de boedel zal houden (5.1.1). [appellant] heeft echter ook gesteld dat slechts zij en [echtgenoot] deelgenoten zijn van de gemeenschap omdat [kind] afstand heeft gedaan van de nalatenschap. Hiertoe heeft [appellant] verwezen naar een whatsappbericht van [kind] dd. 16 januari 2020. Uit dat whatsappbericht, dat door [geïntimeerde] gemotiveerd is bestreden, blijkt echter niet dat [kind] afstand heeft gedaan van de nalatenschap van [naam echtgenoot]. In het officiële document waar [kind] naar verwijst doet haar wettelijk vertegenwoordigster namelijk geen afstand van de nalatenschap maar verklaart zij namens [kind] de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden.
Uit het voorgaande blijkt dat de vordering van [appellant] ertoe strekt de aandelen aan haar en [echtgenoot] te leveren, terwijl de gemeenschap naast laatstgenoemde uit in ieder geval nog een deelgenoot bestaat. Het Hof is op grond van het voorgaande met het Gerecht van oordeel dat [appellant] in de kern geen vorderingen heeft ingesteld ten behoeve van de gemeenschap. Dat zij haar vorderingen in hoger beroep heeft gewijzigd in die zin dat zij de aandelen wenst te houden ten behoeve van de gemeenschap is niet mogelijk. [appellant] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld uitsluitend ten behoeve van zichzelf en [echtgenoot]. Door bij wege van wijziging van eis in hoger beroep een vordering in te stellen ten behoeve van de gemeenschap waarvan zij deelgenoot is, treedt zij als procespartij op in een andere hoedanigheid — namelijk als formele procespartij ten behoeve van de gezamenlijke als materiële procespartij optredende deelgenoten — dan die waarin zij haar vordering in eerste aanleg heeft ingesteld. Nu zij als deelgenoot in de gemeenschap geen procespartij was in eerste aanleg, kon zij in hoger beroep niet alsnog als zodanig optreden. Zie HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004/130 (Hermans/Fortisbank), rov. 3.3.2.
Incidenteel appel
geïntimeerde] voert aan dat het Gerecht ten onrechte niet zijn verweer heeft weergegeven en dat het Gerecht alleen is ingegaan op de vraag of [appellant] ingevolge artikel 3:171 BW bevoegd is tot het instellen van haar vorderingen. Het Gerecht heeft onder 2.4 van het bestreden vonnis overwogen dat de stellingen - waaronder het verweer van [geïntimeerde] - indien nodig zullen worden besproken. Het Gerecht heeft vervolgens terecht het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] als eerste beoordeeld. Nu het Gerecht dat verweer heeft gehonoreerd was er geen aanleiding meer om in te gaan op de overige stellingen van [geïntimeerde]. Het incidenteel appel faalt.
Principaal en incidenteel appel
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bevestigd. Het Hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren.
5. De beslissing
Het Hof:
Bevestigt het bestreden vonnis;
Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.W.A. Vonk en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 23 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.