ECLI:NL:OGHACMB:2024:360

ECLI:NL:OGHACMB:2024:360

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 23-10-2024
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer SXM2022H00078
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Sint Maarten. Onderaanneming. Bewijsopdracht.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2024

Registratienummer: SXM202100539 – SXM2022H00078

Uitspraak: 23 oktober 2024

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

In de zaak van:

[appellant],

wonende in [woonplaats],

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. S.R. Bommel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [woonplaats],

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon.

De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 28 juni 2022 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 17 mei 2022 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, hierna: het Gerecht.

Bij memorie van grieven, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2022, heeft [appellant] drie grieven gericht tegen het bestreden vonnis en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

geïntimeerde] heeft op 27 september 2022 een memorie van antwoord ingediend waarbij hij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties.

Op 13 maart 2024 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

Begin 2019 heeft [appellant] met Collaborative Architects and Engineers N.V. (hierna: de hoofdaannemer) een overeenkomst gesloten in verband met de bouw van een klein appartementsgebouw bestaande uit vier woningen te [plaats] (hierna: het project). [appellant] heeft voor het project financiering gekregen van een bank.

In opdracht van de hoofdaannemer heeft [geïntimeerde] als onderaannemer werk verricht ten behoeve van het project. [geïntimeerde] heeft later ook rechtstreeks in opdracht van [appellant] werk verricht.

geïntimeerde] heeft bij inleidend verzoek als productie 2 overgelegd:

a. Een “Proposal” d.d. 26 september 2019 waarop staat vermeld:

“Leveling and pouring concrete for yard space 2 units on the

ground floor. $ 4,000,00

Install one stair case south side

50% scaffold $2,100.00

Note:

To Biginning 50% of the total Job price (U$ 3,050.00)

The other payments 50% at the end of the job ( U$ 3,050.00)

TOTAL $ 6,100.00

Een document waarop staat vermeld: “Extra work” met de volgende inhoud:

Lay the block work under stairs case (1 stairs)

Extra Plaster work under stair case (1 stairs)

Pouring slab for cistern tanks

Slab over generator room location

TOTAL U$ 3,660.00

Uit twee betaalbewijzen d.d. 7 december 2019 volgt dat [appellant] de in de offertes genoemde bedragen volledig heeft betaald. Zowel de offertes als de betaalbewijzen zijn door [geïntimeerde] en [appellant] ondertekend.

In het dossier bevindt zich een brief d.d. 8 december 2019 van [geïntimeerde] gericht aan [appellant] waarin onder meer staat:

“By means of this we are requesting the final payment corresponding to the sum of U $ 9,100 for the conclusion of the work no later than Thursday 12 of this month, since we have to pay the workers and so they can fulfill their personal responsibilities”

Onderaan de brief staat de handtekening van [geïntimeerde] en daarnaast een tweede handtekening en handgeschreven de datum 8/12/19.

Een schriftelijke verklaring van [persoon] (hierna: [persoon]), de zakenpartner van [geïntimeerde], luidt onder meer als volgt:

“(…)I testify that I was present Sunday December 8, 2019 between 8:30 am and 9:00 am o clock on Wattys Estate. Together with Mr. [geïntimeerde] and Mr. [appellant] that day when their discuses de plan to finished the job completion. And Mr. [geïntimeerde] brought out a document ,in which express the condition to end the job; and Mr. [appellant] accepted and signed in front the two of us, becouse other wise the bank will not realize the final payment for the completion of the project (…) “.

geïntimeerde] heeft als productie 6 bij akte na tussenvonnis het volgende document overgelegd met als titel DESCRIPTION OF THE JOB:

Retaing Walls: Block/Columns (..)

Retaing Walls: concrete

Steel Work

Plastering (310m2)

Stairs 3 pcs

Pouring concrete in the left side abd right side of the building

Pouring the concrete of the builden front

300 hundred mts concrete

side wall, electrical boot for the generator

geïntimeerde] heeft screenshots overgelegd van WhatsApp berichten tussen [persoon] en een persoon die door [persoon] “[appellant]” wordt genoemd met het telefoonnummer [telefoonnummer]. De berichten zijn verstuurd tussen 19 december 2019 en 10 februari 2020. De gesprekken komen erop neer dat [persoon] vraagt aan “[appellant]” waar het geld voor de werknemers blijft, waarop op 19 december 2019 wordt geantwoord: “I do not see it on my account yet….I will go to the bank tomorrow to check cause it should have arrived already”. Op 21 december 2019 vraagt [persoon] om contact op te nemen “because those workers are waiting for their money Before Christmas”, waarop onder meer wordt gereageerd: ”I know the guys are waiting for payment, but I cannot be the one to take all the losses. I already paid [appellant] for the work and also bamboo got paid over 35k for the project management, I am now already at over 50k losses because of [appellant]. (…) Now I have to go find an extra 20k to finish as well. [appellant] had fucked is all in this” en “I know everybody needs their money….so do I….[appellant] took all the money that is for you.”

De gemachtigde van [persoon] heeft [appellant] bij brief van 8 maart 2021 gesommeerd tot betaling van een bedrag van US$ 9.100,-. Hierop is niet gereageerd.

3. De beoordeling

Vorderingen

In deze rechtszaak heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg, verkort aangegeven, gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling van US$ 9.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2021.

Beslissingen van het Gerecht

Het Gerecht heeft bij tussenvonnis van 23 november 2021 [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van schriftelijk bewijs van feiten en omstandigheden dat de handtekening op de brief van 8 december 2019 afkomstig is van [appellant]. Bij het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.

Hiertoe heeft het Gerecht overwogen, verkort weergegeven, dat alle omstandigheden samengenomen [geïntimeerde] er in is geslaagd genoegzaam aan te tonen dat de handtekening op de brief van 8 december 2019 van [appellant] afkomstig is. Dat [persoon] zakenpartner is van [geïntimeerde] maakt niet zonder meer zijn verklaring onbetrouwbaar. [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij met [geïntimeerde] via WhatsApp heeft gecommuniceerd over de werkzaamheden. [appellant] heeft zich dus verbonden om aan [geïntimeerde] het bedrag van US$ 9.100,- te betalen.

Beoordeling in hoger beroep

Het gaat er in deze zaak om of [appellant] met [geïntimeerde] is overeengekomen dat [geïntimeerde] het project zou afmaken en dat [appellant] hem daarvoor US$ 9.100,- zou betalen, zoals vermeld in de brief van 8 december 2019. De brief betreft een onderhandse akte. Op grond van art. 136 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij waartegen zij dwingend bewijs zou opleveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is (art. 138 lid 2 Rv).

appellant] ontkent dat de handtekening onderaan de brief van 8 december 2019 van hem afkomstig is. Gelet op deze ontkenning ligt het op de weg van [geïntimeerde] om bewijs te leveren van zijn stelling dat de brief door [appellant] is ondertekend. Pas indien dat komt vast te staan levert de brief dwingend bewijs op van het bestaan van de door [geïntimeerde] gestelde overeenkomst en is [appellant], behoudens tegenbewijs, gehouden het overeengekomen bedrag van US$ 9.100,- aan [geïntimeerde] te betalen.

De door [geïntimeerde] overgelegde ongedateerde verklaring van zijn zakenpartner, de overgelegde WhatsAppberichten en de hiervoor in r.o.v. 2.9 genoemde lijst leveren, gelet op hetgeen [appellant] in hoger beroep daarover heeft aangevoerd vooralsnog onvoldoende bewijs op dat de brief van 8 december 2019 de handtekening van [appellant] bevat.

geïntimeerde] zal conform zijn bewijsaanbod in hoger beroep worden toegelaten tot bewijs als na te melden. Indien [geïntimeerde] bewijs wenst te leveren door middel van het horen van getuigen kan dat op een nader te bepalen datum.

Mocht [geïntimeerde] willen volstaan met het overleggen van schriftelijke stukken, dient hij dat per email aan de griffie van het Hof te berichten, zodat een datum voor akte overlegging schriftelijke bewijsstukken kan worden bepaald. Indien [geïntimeerde] een handschriftonderzoek wenst kan dit alleen als de brief van 8 december 2019 voorhanden is.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BE S L I S S I N G

Het Hof:

laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de handtekening op de brief van 8 december 2019 afkomstig is van [appellant];

bepaalt dat [geïntimeerde], indien hij daartoe getuigen wil doen horen, deze kan voorbrengen voor mr. Saleh op een nader te bepalen dag en uur;

verzoekt de gemachtigden om binnen twee weken na heden verhinderdata op te geven op griffiehofciviel@caribjustitia.org voor de maanden november 2024 tot en met februari 2025 en zich daarbij uit te laten als hiervoor onder 3.7 bedoeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 23 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand