Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: SXM202000019 - SXM2021H00029
Uitspraak: 17 januari 2024
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
3. De erfgenamen van [erflater], te weten:
3.1. [appellant 3]
3.2. [appellant 4],
4. [appellant 5], geboren [achternaam],
5. [appellant 6],
6. [appellant 7],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eisers, thans appellanten,
gemachtigde: mr. K.A. Hart,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde (thans): mr. S. Bommel.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 10 maart 2023.
De in dat tussenvonnis toegelaten enquête heeft plaatsgevonden op 16 mei 2023. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
De enquête is voortgezet op 26 mei 2023. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 16 juni 2023 heeft de contra-enquête plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 16 juni 2023 hebben [appellanten] een schriftelijke verklaring van [appellant 6] overgelegd.
Op 21 juni 2023 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij e-mail een meetbrief ingezonden. In reactie heeft de gemachtigde van [appellanten] per e-mail van 28 juli 2023 verklaard het petitum niet te wijzigen.
Op 15 november 2023 hebben partijen gelijktijdig een akte na enquête genomen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Het Hof acht [appellanten] geslaagd in het bewijs dat [geïntimeerde] toegezegd heeft aan hen de in de vorderingen bedoelde grond over te dragen. Alle vijf getuigen – van wie overigens vier partijgetuigen zijn en de vijfde hun oudste broer – hebben dit verklaard en het komt overeen met de schriftelijke verklaring van [consul], juridisch consulent (hierna: [betrokkene 1]), in het tussenvonnis weergegeven in rov. 2.4.4. De verklaringen stemmen ook overeen met de schriftelijke partijverklaring van [appellant 6]. Het Hof hecht geloof aan deze getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen.
Het is ook aannemelijk dat [geïntimeerde] uit redelijkheidsoverweging deze toezeggingen heeft gedaan. Immers, de familie [familienaam] woonde eerder dan hij ter plaatse en hij heeft zijn positie ontleend aan de familie [familienaam]. De moeder van [appellanten] heeft hem, nadat hij getrouwd was met haar dochter [appellant 6], in huis genomen.
Kennelijk heeft [betrokkene 1] een manier bedacht om de grond die op naam stond van een zekere [betrokkene 2] op naam van [geïntimeerde] te krijgen. Zie voor een vergelijkbaar geval waarin dezelfde constructie is toegepast het Hoftussenvonnis in ECLI:NL:OGHACMB:2023:80 (eindvonnis ECLI:NL:OGHACMB:2023:190), in welke zaak [betrokkene 1] ook een rol speelde. [betrokkene 1] heeft alleen [geïntimeerde] als eiser laten optreden in de procedure tegen de erfopvolgers van [betrokkene 2] in plaats van [appellanten] en [geïntimeerde] gezamenlijk. Kennelijk heeft alleen [geïntimeerde] [betrokkene 1] betaald; zie de schriftelijke verklaring van [appellant 6], eerste blad onderaan: [appellanten] weigerden mee te betalen. De moeder van [appellanten] was ook tegen een dergelijke actie gekant, ‘stating that Mrs [betrokkene 1] was all ways very nice to her and family for all the years that they were occupying above mentioned property’ (schriftelijke verklaring van [appellant 6] t.a.p.).
Het is in hoge mate redelijk dat de familie [appellanten] meeprofiteren van de door [betrokkene 1] bedachte constructie. [betrokkene 1] vond dit en heeft daarom de familie met [geïntimeerde] bij elkaar geroepen. Het Hof acht ook aannemelijk dat [geïntimeerde] het op dat moment redelijk vond en daarom zijn beloftes deed. Nadien echter is hij kennelijk van gedachten veranderd, heeft hij het bestaan van de beloftes ontkend en huur gevraagd aan de familie.
Overigens, anders dan dat partijen veronderstellen, maakt de inschrijving van het door [geïntimeerde] verkregen verstekvonnis van 22 augustus 2017 hem niet tot eigenaar. [appellanten] zijn geen rechtsopvolgers van [betrokkene 2] en het genoemde vonnis kan daarom niet aan [appellanten] worden tegengeworpen Wel is sprake van een bezitsdaad van [geïntimeerde] die na twintig jaar kan leiden tot eigendom. Het verstekvonnis van 22 augustus 2017 is evenmin ‘eigendomsuitwijzing’ als bedoeld in artikel 3:27 BW. En, indien dat al anders zou zijn, dan zou ingevolge lid 3 van dit artikel [geïntimeerde] slechts vermoed worden rechthebbende te zijn. [appellanten] zouden dat vermoeden mogen trachten te ontzenuwen door te betogen een sterker recht dan [geïntimeerde] te hebben.
Doordat [appellanten] geslaagd zijn in hun bewijslevering moet het bestreden vonnis worden vernietigd en de vorderingen worden toegewezen. Daarbij wordt aangetekend dat, gelet op hetgeen hiervoor in 2.5 over de eigendom is overwogen, de leveringen waartoe [geïntimeerde] wordt veroordeeld, niet tot meer leiden dan de overdracht van de rechten die [geïntimeerde] heeft.
[Geïntimeerde] dienen wel de kosten van de leveringen (notariskosten, kosten van eventuele meetbrief, inschrijvingskosten e.d.) te dragen.
[Geïntimeerde] is getrouwd geweest met [appellant 6] . Hierin ziet het Hof reden de proceskosten van deze procedure te compenseren.
3. B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot levering aan appellanten sub 1-5 van zijn rechten op het perceel grond, groot 426 vierkante meters, hetwelk op de kadastrale kaart die als productie 13 bij de memorie van grieven (nogmaals) is overgelegd aangeduid of gearceerd is met de gele kleur, zijnde een deel van het perceel grond groot 695 vierkante meter, beschreven in meetbrief [meetbrief] van 2002 en van een perceel grond beschreven in meetbrief [meetbrief] van 1996, gelegen op Sint Maarten, die zowel ten name van [geïntimeerde] in register [register] als die van [betrokkene 2] in register [register] in de openbare registers staat ingeschreven;
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte betreffende het perceel omschreven onder 3.2 van dit dictum;
veroordeelt [geïntimeerde] tot levering aan appellante sub 6 van zijn rechten op de helft van het perceel grond, groot 695 vierkante meter, beschreven in meetbrief [meetbrief] van 2002, en van het perceel grond groot 572 vierkante meter, beschreven in meetbrief [meetbrief] van 2002, gelegen op Sint Maarten, die ten name van [geïntimeerde] in register [register] in de openbare registers staat ingeschreven;
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte betreffende de helft van het perceel omschreven onder 3.4 van dit dictum;
bepaalt dat appellanten sub 1-5 de kosten van de levering bedoeld onder 3.2 dienen te dragen en appellante sub 6 de kosten van de levering bedoeld onder 3.4;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 17 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.