ECLI:NL:OGHACMB:2024:364

ECLI:NL:OGHACMB:2024:364

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 08-10-2024
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer CUR2023H00125
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Geldlening. Toestemming echtgenoot. Waardeloosverklaring van hypothecaire inschrijving.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2024

Registratienummers: CUR202200143 en CUR2023H00125

Uitspraak: 8 oktober 2024

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

die woont in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellant,

gemachtigde: mr. A. Kleinmoedig,

tegen

Maduro & Curiel’s Bank N.V.

die is gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna aangeduid als [appellant] respectievelijk MCB.

1. De zaak in het kort

MCB vordert betaling van hoofdsom en rente, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, van een aan [appellant] verstrekte lening. De rechtshandeling waarbij die lening is verstrekt is volgens [appellant] echter vernietigbaar omdat de toestemming daarvoor van haar echtgenoot ontbrak. Daarnaast voert zij aan haar betalingen te hebben mogen opschorten wegens tekortkomingen van MCB en betwist zij de opeisbaarheid en hoogte van de vordering van MCB. Van haar kant (reconventie) heeft zij gevorderd de waardeloosverklaring van de hypothecaire inschrijving op de echtelijke woning.

Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) heeft (in conventie) de vordering van MCB toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van hoofdsommen (NAf 314.816,04 respectievelijk NAf 12.000,-) en (overeengekomen respectievelijk wettelijke) rente, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van NAf 4.500,-. In reconventie heeft het voor recht verklaard dat de hypothecaire inschrijving op de echtelijke woning waardeloos is.

Het Hof bevestigt het vonnis van het Gerecht, voor zover aan hoger beroep onderworpen, behalve op het punt van de buitengerechtelijke incassokosten. Die worden alsnog afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom zo geoordeeld wordt.

2. Het verloop van de procedure

Bij op 5 april 2023 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 3 april 2023 uitgesproken (eind)vonnis van het Gerecht.

Bij op 16 mei 2023 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] 20 grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en MCB alsnog niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen dan wel deze afwijst met veroordeling van MCB in de proceskosten van beide instanties.

Bij op 3 juli 2023 ingekomen memorie van antwoord heeft MCB het hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt ertoe het vonnis waarvan beroep, al dan niet onder verbetering van gronden, te bevestigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

Feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

MCB heeft op 19 november 2009 een hypothecaire lening verstrekt aan [appellant] voor de aanschaf van een perceel te [adres A] (hierna: "[adres A]"). Daarbij is een recht van hypotheek gevestigd op [adres A] (hiema: "Hypotheek 1"). De hypothecaire lening is afgelost, de hypotheek is niet doorgehaald.

Op 7 juli 2017 heeft MCB een hypothecaire lening verstrekt aan [appellant] ten behoeve van de aankoop van een onroerende zaak te [adres B] in [wijk], plaatselijk bekend als [adres B] (hierna: "[adres B]"). Tot zekerheid met betrekking tot deze lening is een recht van

hypotheek gevestigd op [adres A] en [adres B] (hierna: "Hypotheek 2").

appellant] heeft op 21 januari 2020 een kredietbrief ondertekend waarbij zij de overtrokken rekening courant schuld van haar vader bij MCB ten bedrage van

NAf 326.133,67 heeft overgenomen in de vorm van een lening (hiema: "Lening I"). De aflossingsverplichting bedroeg NAf 2.000,- per maand, ingaande 31 januari 2020.

In de overeenkomst ter zake van Lening I, ondertekend door [appellant], is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"(...) Interest/fee: The rate of interest applicable on this facility will be 1.3% per annum. (...)

security

The right of first mortgage in the amount of NAf 250,000.00, increased with interest and costs on the registered property locally known as [property], with appropriate insurance coverage assigned to the Bank.

Conditions:

a) The General Conditions of Maduro & Curiel's Bank N.V. (already in your possession) and the General Term and Conditions for credit facilities, also apply to this arrangement;

(...)

If the above terms and conditions are acceptable to you, we would appreciate you signing this arrangement letter and the General Terms and Conditions for credit facilities listed on the reverse of this page and return one signed copy to us within 15 days after the date of this letter. (...)"

De bij Lening I overeengekomen zekerheidsrechten zijn niet (opnieuw) bij

notariële akte gevestigd.

Artikel 33 van de algemene voorwaarden van MCB luidt als volgt:

"Onmiddellijke opeisbaarheid

Al hetgeen de client aan de Bank verschuldigd is, uit welke hoofde ook, zal - tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen dan wel enige wetsbepaling inachtneming van een termijn voorschrijft - te allen tijde terstond opeisbaar zijn.

Evenzeer zal elk krediet onmiddellijk opeisbaar worden, ook al is een aflossings- of opzeggingstermijn overeengekomen dan wel een bepaalde vervaldatum gesteld,

a. Indien de voorwaarden waaronder het krediet verleend is, door de client niet worden nageleefd; (...)"

adres B] werd op 18 juni 2020 door [appellant] aan een derde partij verkocht en het openstaande saldo op de lening waarvoor Hypotheek 2 is gevestigd is toen door [appellant] afgelost. MCB heeft dit aan [appellant] bevestigd in een brief van 27 juli 2020:

"(...) Hierbij berichten wij u, dat u uw hypothecaire lening geregistreerd onder nummer 710199377 per 24 juli 2020, geheel heeft afbetaald."

In verband met de COVID-19 pandemie heeft MCB aan haar klanten een moratorium gegeven. Voor [appellant] hield dit in dat zij zes maanden lang niet aan haar aflossingsverplichting uit hoofde van de Lening I hoefde te voldoen. Het gaat om in totaal NAf 12.000,-. Het moratorium werd op een aparte rekening geregistreerd. Voor [appellant] is dit rekeningnummer 9510014982 (hiema: "Lening IA").

Op 1 juni 2021 is door notaris Samandar een algehele royementsakte ondertekend, inhoudende de toestemming van MCB tot de algehele doorhaling van Hypotheek 2. Hypotheek 2 is doorgehaald.

Op 17 januari 2022 heeft MCB conservatoir beslag doen leggen op de aan [appellant] toebehorende woningen te [adres C] en [adres D].

Bij brief van 18 augustus 2022 bericht de echtgenoot van [appellant] MCB als volgt:

"Mij is gebleken dat door mijn echtgenote, (...), op 21 januari 2020 bovengenoemd contract [leningsrekening no. 510014982] is afgesloten.

1k heb daarvoor geen toestemming verleend en zal daarvoor ook geen toestemming verlenen. 1k vernietig hierbij dan ook deze door mijn echtgenote verrichte rechtshandeling op grond van artikel 1:88 en artikel 1:89 lid 1 BW wegens het ontbreken van mijn toestemming."

Vorderingen

MCB heeft bij het Gerecht, in conventie, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] tot betaling van:

(i) NAf 314.816,04, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,3% vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening,

(ii) NAf 12.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening en

(iii) incassokosten begroot op NAf 10.000,-,

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

appellant] heeft, in reconventie, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

een verklaring voor recht dat (A) de hypothecaire inschrijving ten gunste van MCB met betrekking tot [adres A] waardeloos is, en dat (B) het ten gunste van MCB gevestigde recht van hypotheek met betrekking tot [adres B] teniet is gegaan en waardeloos is, en dat (C) MCB tegenover [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van de leningsovereenkomsten en dat [appellant] terecht haar verplichtingen met betrekking tot Lening I heeft opgeschort, alsook (D) te bepalen dat MCB geen rente verschuldigd is over de periode november 2020 tot aan de dag dat MCB een verklaring ex artikel 3:274 BW afgeeft met betrekking tot [adres A] en [adres B];

subsidiair

een veroordeling van MCB om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis een algeheel royement te verstrekken voor [adres A] en [adres B], op straffe van een dwangsom.

primair en subsidiair

veroordeling van MCB in de proceskosten.

Beslissingen van het Gerecht

In het vonnis waarvan beroep heeft het Gerecht

in conventie

- [ appellant] veroordeeld tot betaling aan MCB van een bedrag van NAf 314.816,04, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,3% vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening, en tot betaling van een bedrag van NAf 12.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad NAf 4.500;

- [ appellant] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van MCB, begroot op

NAf 12.251,45;

- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

in reconventie

- voor recht verklaard dat de hypothecaire inschrijving (Hypotheek 1) ten gunste van MCB met betrekking tot [adres A] waardeloos is;

- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Beoordeling door het Hof

Inleiding

De grieven van [appellant] tegen het vonnis van het Gerecht hebben betrekking op de volgende thema’s:

- de toestemming van de echtgenoot (grieven 1 tot en met 5)

- de opschorting (grieven 6 tot en met 10)

- de opeisbaarheid (grieven 11 tot en met 13)

- de hoogte van de vordering (grieven 14 tot en met 18)

- de buitengerechtelijke incassokosten (grief 19)

Grief 20 is in het algemeen gericht tegen de in conventie gegeven beslissingen en mist zelfstandige betekenis.

MCB heeft afgezien van het instellen van (incidenteel) hoger beroep. De verklaring voor recht die het Gerecht in reconventie heeft gegeven valt daarom buiten de omvang van het hoger beroep.

De toestemming van de echtgenoot (grieven 1 tot en met 5)

De beslissing van het Gerecht

De echtgenoot van [appellant] heeft in zijn brief van 18 augustus 2022 (zie hiervoor onder 3.12) de rechtshandeling van [appellant] van 21 januari 2020 (waarbij zij lening I aanging) buitengerechtelijk vernietigd. Het Gerecht heeft, zich baserend op artikel 3:41 BW, twee overeenkomsten onderscheiden: die tot het aangaan van lening I en die tot vestiging van het recht van hypotheek als zekerheid voor die lening. Voor die laatste is het beroep op vernietiging gehonoreerd, voor de eerste niet.

De grieven van [appellant]

appellant] stelt in hoger beroep dat het Gerecht buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door de beslissing (mede) te baseren op artikel 3:41 BW hoewel MCB op dat artikel geen beroep had gedaan. Ook stelt zij dat de lening en de te verstrekken hypothecaire zekerheid daarvoor onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn; om die reden is gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst van 21 januari 2020 niet mogelijk. Tot slot is het, aldus [appellant], evident dat het belang van haar echtgenoot er niet mee gediend is indien de overeenkomst slechts op het punt van de hypotheekverstrekking en niet ook op dat van de lening nietig is nu die hypotheek betrekking heeft op de echtelijke woning ([adres A]).

Het Gerecht is niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden

Het hof oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub a BW behoeft de ene echtgenoot toestemming van de andere om, voor zover van belang, een overeenkomst aan te gaan die strekt tot bezwaring van een door de echtgenoten bewoonde woning. Een daarmee strijdige rechtshandeling is vernietigbaar, zo bepaalt artikel 1:89 lid 1 BW.

appellant] heeft zich, in het kader van haar verweer tegen de vordering van MCB, op dit samenstel van wetsbepalingen beroepen en dat beroep feitelijk onderbouwd met de brief van haar echtgenoot van 18 augustus 2022. MCB heeft hiertegen aangevoerd (conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie sub 18), onder andere, dat genoemde wetsbepalingen er niet aan in de weg staan dat een echtgenoot een overeenkomst van geldlening aangaat. Dat de overeenkomst van 21 januari 2020 ook inhield dat de woning [adres A] hypothecair verbonden werd voor de afgesloten lening heeft MCB niet betwist.

Aldus lag ter beslissing voor de vraag of de overeenkomst van 21 januari 2020 als geheel beoordeeld een overeenkomst was als bedoeld in de artikelen 1:88 en 1:89 BW of dat de onderdelen geldlening en hypothecaire zekerheid afzonderlijk beoordeeld kunnen en mogen worden. Dat is precies de vraag die het Gerecht heeft beantwoord. Van buiten de rechtsstrijd treden (artikel 128 Rv) is geen sprake omdat beide feiten (geldlening en hypothecaire zekerheid) door partijen in het debat betrokken zijn. Dat MCB zich daarbij niet uitdrukkelijk op artikel 3:41 BW heeft beroepen doet daaraan niet af omdat het aan de rechter is de rechtsgronden aan te vullen.

Bovendien geldt dat MCB zich in hoger beroep, alsnog, uitdrukkelijk beroepen heeft op artikel 3:41 BW en [appellant] daarop heeft kunnen reageren. [appellant] is dus niet geschaad of beperkt in haar mogelijkheden om te reageren op wat MCB heeft aangevoerd tegen [appellant]s op de artikelen 1:88 en 1:89 BW gebaseerde verweer. Het beroep van [appellant] op het buiten de rechtsstrijd treden door het Gerecht wordt daarom verworpen.

De rechtshandeling van 21 januari 2020 is gedeeltelijk nietig

Het Hof neemt veronderstellenderwijs aan dat de woning [adres A] de door [appellant] en haar echtgenoot gezamenlijk bewoonde, echtelijke, woning was en is. Uitgangspunt is verder dat voor het aangaan van een geldlening door een echtgenoot geen toestemming van de andere echtgenoot nodig is. Die toestemming is wel nodig (artikel 1:88 lid 1 aanhef en sub a BW) voor een rechtshandeling die ertoe strekt dat, in voorkomend geval, de echtgenoten niet meer kunnen beschikken over de echtelijke woning. Het bezwaren van de woning met een recht van hypotheek is zo’n rechtshandeling.

Uit de overeenkomst (rechtshandeling) van 21 januari 2020 blijkt dat het destijds de wil van partijen was om enerzijds een geldlening aan te gaan en anderzijds voor de terugbetaling daarvan hypothecaire zekerheid te verstrekken. Artikel 3:41 BW bepaalt dat als een grond voor nietigheid slechts een deel van de rechtshandeling betreft, die rechtshandeling voor het overige in stand blijft, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

De strekking, tevens essentie, van de overeenkomst was de wil van [appellant] om de schuld die haar vader bij MCB had over te nemen alsmede de wil van MCB om aan een dergelijke overname mee te werken. Aan die wil van partijen en die strekking van de overeenkomst wordt nog volledig recht gedaan door wat van die overeenkomst resteert als de hypothecaire zekerheid daaruit wegvalt, te weten de overname van de schuld en de aflossing daarvan door [appellant]. Dat partijen destijds de aspecten geldlening en hypothecaire zekerheid met elkaar verbonden blijkt uit de inhoud van de overeenkomst. De vraag nu is echter niet, zoals [appellant] stelt, of partijen die overeenkomst destijds gesloten zouden hebben als hypotheek op de echtelijke woning onmogelijk was. Nu gaat het slechts om de vraag of, bij het wegvallen van de hypothecaire zekerheid, een zinvolle overeenkomst resteert. Dat is het geval: de overeenkomst van geldlening spoort met wat partijen destijds wilden en is ook zonder hypothecaire zekerheid voor [appellant] en MCB uitvoerbaar. Van een, gelet op inhoud en strekking van de overeenkomst, onverbrekelijk verband tussen geldlening en hypotheek is daarom geen sprake.

appellant] noemt ook nog als reden om de rechtshandeling van 21 januari 2020 niet gedeeltelijk nietig te verklaren het belang van haar echtgenoot. Dat belang is er, volgens haar, niet mee gediend dat de overeenkomst slechts op het punt van de hypotheekverstrekking en niet ook op dat van de lening nietig is nu die hypotheek betrekking heeft op de echtelijke woning ([adres A]).

Het belang waarin artikel 1:88 BW de echtgenoot beschermt is het voorkomen dat de echtelijke woning met hypotheek bezwaard wordt en dus het risico ontstaat dat (ook) de echtgenoot deze moet verlaten. De wetgever heeft er niet voor gekozen om die bescherming uit te strekken tot het aangaan van een geldlening door de andere echtgenoot. Als die geldlening wordt aangegaan (zoals in dit geval) brengt dat het risico mee dat bij niet nakoming verhaal wordt genomen op de echtelijke woning. Dat risico is inherent aan de genoemde keuze van de wetgever en daarom niet een belang waarin de echtgenoot moet worden beschermd.

De grieven 1 tot en met 5 slagen niet.

De opschorting (grieven 6 tot en met 10)

De beslissing van het Gerecht

appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat zij haar verplichtingen met betrekking tot lening 1 en 1A mag opschorten wegens een tekortkoming van MCB (artikel 6:262 BW). Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] met die tekortkoming kennelijk het oog had op de verplichting van MCB om de hypothecaire inschrijving op [adres A] door te halen. Van een opschortingsrecht was echter geen sprake omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] om doorhaling heeft verzocht en MCB die doorhaling heeft geweigerd. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van voldoende samenhang tussen de prestaties van partijen over en weer, zeker nu deze niet voortvloeien uit dezelfde overeenkomst.

De grieven van [appellant]

appellant] stelt dat het Gerecht ook hier buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden door te oordelen dat niet aan het in artikel 6:262 BW gestelde vereiste van tegenover elkaar staande verplichtingen is voldaan. MCB heeft dat verweer namelijk niet gevoerd. Bovendien is sprake van verbintenissen over en weer die uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien: partijen hebben immers meerdere malen zaken met elkaar gedaan (artikel 6:52 lid 2 BW). MCB heeft gehandeld in strijd met haar bancaire zorgvuldigheidsplicht die uit die rechtsverhouding voortvloeit. Om die reden was [appellant] gerechtigd tot opschorting van haar verplichtingen.

Ook hier is het Gerecht niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden

appellant] heeft aan haar beroep op opschorting van haar verplichtingen uit lening I (in haar conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie op pagina 8) ten grondslag gelegd artikel 6:262 BW. In dat artikel staat dat, als een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van ‘haar daartegenover staande verplichtingen’ op te schorten. MCB heeft gemotiveerd betwist dat zij in gebreke is gebleven in de nakoming van haar verplichtingen uit lening I door aan te voeren dat op [adres A] nog slechts een hypothecaire inschrijving rustte met betrekking tot de in 2009 verstrekte lening. Het Gerecht had, gegeven deze wederzijdse stellingname en de door [appellant] aangevoerde grondslag voor haar opschortingsverweer, te onderzoeken of sprake was van tegenover elkaar staande verplichtingen met betrekking tot lening I. Dat heeft het Gerecht gedaan op basis van de door partijen aangereikte feiten. Aldus bleef het Gerecht binnen het kader van de rechtsstrijd tussen partijen.

Ook hier geldt overigens dat MCB in hoger beroep alsnog heeft aangevoerd dat niet van tegenover elkaar staande verplichtingen uit hoofde van lening I sprake was, [appellant] daarop heeft kunnen reageren en [appellant] dus niet geschaad of beperkt is in haar mogelijkheden om te reageren op wat MCB heeft aangevoerd tegen [appellant]s opschortingsverweer. Het beroep van [appellant] op het buiten de rechtsstrijd treden door het Gerecht wordt daarom verworpen.

Opschorting was niet gerechtvaardigd

appellant] heeft aan haar beroep op opschorting in eerste aanleg ten grondslag gelegd:

a. dat MCB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de echtelijke woning nog steeds hypothecair verbonden is voor de nakoming van lening I;

b. dat MCB bij de verkoop van [adres B] een onjuiste opgave van haar vordering op [appellant] heeft gedaan;

c. dat MCB geweigerd heeft een juiste opgave te verstrekken van wat [appellant] uit hoofde van lening I verschuldigd is en het vertrouwen van [appellant] in een correcte opgave van het verschuldigde bedrag is aangetast door alle tekortkomingen van MCB.

d. dat MCB als datum van lening I in de processtukken noemt 14 januari 2020, hoewel dat moet zijn 21 januari 2020;

e. dat MCB door deze gedragingen heeft gehandeld in strijd met haar bancaire zorgvuldigheidsplicht jegens [appellant] en zij dus is tekortgeschoten in haar verbintenissen tegenover [appellant].

Ad a

Indien veronderstellenderwijs het niet doorhalen van de hypotheek op [adres A] (in 2009 verstrekt ten behoeve van de toen door [appellant] aangegane lening) als een tekortkoming van MCB moet worden beschouwd geldt dat die tekortkoming is geëindigd met het, in zoverre, onherroepelijke vonnis van het Gerecht. Daarin is immers die hypotheek waardeloos verklaard. Dat MCB geweigerd heeft uitvoering te geven aan deze waardeloosverklaring is gesteld noch gebleken. Met het wegvallen van de gestelde tekortkoming is het eventuele opschortingsrecht van [appellant] in zoverre geëindigd. Los daarvan geldt echter dat in hoger beroep niet of onvoldoende is onderbouwd dat, anders dan het Gerecht (in overweging 4.13) aannam, [appellant] aan MCB heeft verzocht hypotheek I door te halen en dat MCB dat heeft geweigerd.

Ad b

Voor de onjuiste opgave van de vordering van MCB in verband met de verkoop van [adres B] geldt hetzelfde: als de onjuiste opgave al betrof een tekortkoming in een verbintenis uit dezelfde rechtsverhouding geldt dat die tekortkoming - en daarmee het opschortingsrecht - is geëindigd met het alsnog doen, door MCB, van de juiste opgave en het op basis van die opgave passeren van de leveringsakte [adres B] en doorhalen van hypotheek 2.

Ad c

MCB heeft betaling gevorderd van hoofdsommen van NAf 314.816,04 en

NAf 12.000,-. Dat waren de hoofdsommen zoals deze, volgens MCB, per 7 januari 2022 uit haar administratie bleken.

Het bedrag van NAf 12.000,- ziet op, in verband met de corona-pandemie, verleend uitstel van betaling (moratorium) van een zestal maandelijkse aflossingstermijnen van NAf 2.000,- elk. Dat heeft MCB gesteld en is door [appellant] niet betwist. De vordering van MCB is, daarom, in zoverre voldoende duidelijk.

Het bedrag van NAf 314.816,04 is kennelijk de resultante, berekend per 7 januari 2022, van wat verschuldigd is op basis van de gesloten overeenkomst: een oorspronkelijke hoofdsom van NAf 326.133,67 vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,3% per jaar, maar verminderd met gedane betalingen (NAf 2.000,- per maand vanaf 31 januari 2020, behoudens moratorium). Daargelaten de vraag of van de opgave van MCB reeds moet worden uitgegaan omdat haar administratie, volgens de algemene voorwaarden van MCB, uitgangspunt is voor de bepaling van wat [appellant] verschuldigd is, geldt dat MCB met de opgave van dit bedrag, gevoegd bij de inhoud van de kredietovereenkomst (waarin hoofdsom en rente genoemd zijn), een duidelijke opgave gedaan heeft van het bedrag dat [appellant], volgens haar, moet betalen. Enige concrete betwisting van deze opgave heeft [appellant], ook in hoger beroep, niet gedaan. Het gestelde wantrouwen jegens MCB kan niet als een concrete betwisting worden aangemerkt.

Ad d en e

Dat MCB de overeenkomst met betrekking tot lening I (ook) heeft aangeduid als een op ’14 januari 2020’ (in plaats van op 21 januari 2020) gesloten overeenkomst is niet meer dan een vergissing. [appellant] heeft daarvan geen enkel nadeel ondervonden. In zoverre en ook overigens is dus geen sprake van een (al dan niet: nog voortdurende) tekortkoming van MCB. Een beroep op opschorting komt [appellant] dan ook niet toe. De grieven 6 tot en met 10 falen.

De opeisbaarheid (grieven 11 tot en met 13)

appellant] stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat zij genoegzaam kennis heeft kunnen nemen van de algemene voorwaarden van MCB (die volgens het Gerecht in de overeenkomst van 21 januari 2020 zijn aangeduid als “The General Conditions of Maduro & Curiel’s Bank N.V.”) omdat [appellant] eerder al twee hypothecaire leningen heeft afgesloten bij MCB. Ook hier geldt volgens [appellant] dat MCB dat feit niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en het Gerecht dus buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Bovendien zijn die algemene voorwaarden haar niet ter hand gesteld zodat artikel 33 van die algemene voorwaarden vernietigbaar en thans nietig is. Evenmin doet zich de situatie voor dat zij heeft voldaan aan het, in de overeenkomst van 21 januari 2020 opgenomen, verzoek van MCB om de “General Terms and Conditions for credit facilities” te ondertekenen en met de, ook ondertekende, kredietbrief retour te sturen.

Het Hof oordeelt als volgt.

MCB heeft haar algemene voorwaarden in het geding gebracht als productie 3 bij het inleidend verzoekschrift. Daarmee was duidelijk dat MCB de onmiddellijke opeisbaarheid van haar vordering (ook) baseerde op artikel 33 van die algemene voorwaarden. In de overeenkomst van 21 januari 2020 staat dat deze algemene voorwaarden (daarin aangeduid als “The General Conditions of Maduro & Curiel’s Bank N.V.”) reeds in het bezit van [appellant] zijn. [appellant] heeft de kredietbrief, waarin dit staat, ondertekend.

De, door [appellant] voor akkoord getekende, kredietbrief is een onderhandse akte, bestemd om tot bewijs te dienen. Een dergelijke akte levert ten aanzien van een verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (artikel 136 lid 2 Rv).

De ondertekening van de kredietbrief strekte er (mede) toe te bewijzen dat de algemene voorwaarden van MCB reeds in het bezit van [appellant] waren. Die kredietbrief levert dus in zoverre dwingend bewijs op tussen partijen. Het leveren van tegenbewijs staat [appellant] wel vrij, maar [appellant] heeft bewijslevering niet aangeboden en haar, eventuele, aanbod in ieder geval onvoldoende onderbouwd.

Bij deze stand van zaken is het niet nodig nog te oordelen over de vraag of het Gerecht met zijn overweging over de eerder verstrekte hypotheken en de mede op basis daarvan aangenomen bekendheid van [appellant] met de algemene voorwaarden van MCB, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Dat aspect van de zaak is niet van belang omdat hiervoor al tot de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is geconcludeerd zonder een dergelijke verwijzing.

Het verweer dat artikel 33 van de algemene voorwaarden nietig is heeft [appellant] gebaseerd op de stelling dat zij die algemene voorwaarden niet heeft ontvangen. Dat is feitelijk onjuist, zoals hiervoor uiteengezet, en daarmee valt de basis onder dit verweer weg.

Van belang is ook niet meer de stelling dat [appellant] geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van MCB om de “General Terms and Conditions for credit facilities” te ondertekenen en aan MCB te retourneren. De opeisbaarheid van de vordering is door MCB niet op enige bepaling uit die (andere) set voorwaarden gebaseerd.

De grieven 11 tot en met 13 slagen niet.

De hoogte van de vordering (grieven 14 tot en met 18)

appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat MCB onvoldoende opgave heeft gedaan van haar vordering door geen informatie te geven over de samenstelling van de vordering volgens de administratie van MCB. Ook als sprake is van een zogenaamde boekenclausule (waarvan het Gerecht kennelijk is uitgegaan) had dergelijke informatie wel verstrekt moeten worden door MCB.

Ook deze grieven falen en wel op grond van wat hiervoor in 3.37 tot en met 3.39 reeds werd overwogen.

De buitengerechtelijke incassokosten (grief 19)

Het Gerecht heeft buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot een bedrag van NAf 4.500,-. [appellant] stelt in hoger beroep dat onvoldoende onderbouwd is door MCB dat deze kosten in redelijkheid noodzakelijk waren en dat de hoogte van de kosten redelijk is. In feite is volgens [appellant] voorafgaand aan de procedure slechts één sommatiebrief geschreven door een incassokantoor.

MCB heeft op dit onderdeel in hoger beroep geen gemotiveerd verweer gevoerd. Het schrijven van één sommatiebrief valt onder de kosten van voorbereiding van de zaak waarvoor een vergoeding is begrepen in de proceskostenveroordeling. Grief 19 slaagt.

Slotsom

De grieven van [appellant] tegen het vonnis van 3 april 2023, voor zover aan hoger beroep onderworpen, slagen niet behoudens grief 19 inzake de buitengerechtelijke incassokosten. Ambtshalve oordelend heeft het Hof ook geen bedenkingen tegen dat vonnis. Dat vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, kan daarom grotendeels bevestigd worden.

appellant] is te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Die kosten zijn (in NAf):

- salaris gemachtigde 13.750,- (2,5 punt tarief 8 à 5.500,- per punt)

- verschotten 354,73

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis van 3 april 2023, voor zover aan hoger beroep onderworpen, doch uitsluitend voor zover betreft de in het dictum onder 5.1 opgenomen zinssnede “vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad NAf 4.500”

en in zoverre opnieuw rechtdoende

wijst af de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten;

bevestigt het vonnis van 3 april 2023, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep van MCB en stelt die kosten vast op NAf 354,73 aan verschotten en op NAf 13.750,- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarbij uitgesproken veroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 8 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand