Juridisch kader
5. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN bepaalt dat de vreemdeling die de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt en gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in (...) Curaçao, na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap verkrijgt. Artikel 6, derde lid, van de RWN bepaalt dat de autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, aan de hand van de overgelegde stukken de gronden beoordeelt waarop de verklaring rust. In artikel 22, eerste lid, van het Besluit verlies en verkrijging Nederlanderschap (hierna: BvvN) is opgenomen dat de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant onderzoekt. Artikel 6, vijfde lid, van het BvvN bepaalt dat de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval. Uit artikel 21, eerste lid, van het BvvN volgt verder dat de verstrekte gegevens getoetst worden aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen en uit het vijfde lid volgt dat de Gouverneur voor zover mogelijk de juistheid onderzoekt van de gegevens die niet op die manier kunnen worden getoetst.
De bevoegdheid van de Gouverneur
6. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat de Gouverneur bevoegd is om zelfstandig onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke status bij het beoordelen van een optieverklaring. Dit volgt uit de hierboven weergegeven bepalingen, in het bijzonder uit artikel 22, eerste lid, van het BvvN. Daaronder valt de bevoegdheid om te onderzoeken of de optant ten minste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN. Om te kunnen vaststellen of een optant aan die voorwaarde voldoet, is de Gouverneur bevoegd om onderzoek te doen naar het al dan niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan een verblijfsvergunning. In het geval van appellante staat in de verblijfsvergunningen van 19 april 2011 en van 7 mei 2014 dat zij wordt geacht niet te zijn toegelaten als zij niet aan de vergunningsvoorwaarden voldoet. Een van die voorwaarden is dat zij arbeid in loondienst als dienstbode verricht bij de heer X e.a.. Gelet op wat hiervoor is overwogen was de Gouverneur bevoegd om te onderzoeken of appellante aan deze voorwaarde voldeed.
Het Gerecht heeft ten onrechte overwogen dat de Gouverneur beoordelingsruimte heeft bij de toepassing van artikel 6 van de RWN. Uit het eerste en het derde lid van die bepaling volgt dat een vreemdeling het Nederlanderschap verkrijgt door een bevestiging van een afgelegde verklaring als hij of zij voldoet aan de criteria. In het geval van appellante bevestigt de Gouverneur de verklaring van het Nederlanderschap als zij minimaal 65 jaar oud is en ten minste vijftien jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Curaçao heeft gehad. De Gouverneur kan dat dan alleen nog weigeren als appellante niet bereid is om een verklaring van verbondenheid af te leggen als bedoeld in het tweede lid of als ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in het vierde lid. De bevoegdheid om een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN is aldus een gebonden bevoegdheid met duidelijke toepassingsvoorwaarden zonder beoordelingsruimte.
De bevoegdheid van de Gouverneur moet worden onderscheiden van de bevoegdheden van de minister krachtens de Ltu. De minister is in dat kader bevoegd om te beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning, om voorwaarden te verbinden aan een verblijfsvergunning en om een verblijfsvergunning in te trekken. De Gouverneur mag niet oordelen over de rechtmatigheid van de uitoefening van deze bevoegdheden door de minister. De Gouverneur moet daarom uitgaan van de juistheid van door de minister genomen beschikkingen krachtens de Ltu. Voor appellante betekent dit dat de Gouverneur moet uitgaan van de juistheid van de verblijfsvergunningen die de minister aan haar heeft verleend en van de daaraan verbonden voorwaarden, zoals het Gerecht terecht heeft overwogen.
Feitelijke grondslag van de besluitvorming
7. Het Hof volgt appellante in haar betoog dat de Gouverneur ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunningen voldeed, met als gevolg dat er een verblijfsgat is in de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2015. Het Hof legt dit oordeel hieronder verder uit.
De Gouverneur heeft op de zitting van het Hof toegelicht dat hij in het kader van een onderzoek naar de verblijfsrechtelijke status van appellante de gegevens van X heeft gecontroleerd en dat na het raadplegen van het bevolkingsregister bleek dat X per 1 juli 2013 is verhuisd naar Nederland en niet meer ingeschreven is op Curaçao. Daaraan heeft de Gouverneur de conclusie verbonden dat appellante niet meer werkzaam was voor de in de vergunningsvoorwaarden met naam genoemde werkgever en dus geacht moet worden niet te zijn toegelaten in de periode van 1 juli 2013 tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op 1 september 2015.
Tijdens de procedure is duidelijk geworden dat appellante tijdens de looptijd van de haar op 19 april 2011 verleende vergunning in ieder geval twee werkgevers had, van wie één met naam is genoemd in de vergunningsvoorwaarden en één is aangeduid met ”e.a.”. Ook is gebleken dat appellante ten tijde van de aanvraag van de vergunning die op 7 mei 2014 is verleend, werkte bij Y. Dit volgt uit de overgelegde werkgeversverklaring van 12 oktober 2013, waarin Y verklaart dat appellante voor hem als hulp in de huishouding werkt en dat zij dat op dat moment al ongeveer achttien jaar deed. Deze werkgeversverklaring maakt deel uit van de aanvraag om een verblijfsvergunning die appellante indiende op 11 december 2013. Verder heeft appellante verklaard dat zij tot het overlijden van Y in 2022 voor hem is blijven werken. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Hieruit volgt dat appellante vanaf het vertrek van X op 1 juli 2013 dan wel vanaf de overdracht van zijn woning in augustus 2013 nog werkte voor de ‘ander’, te weten Y. Voorts is gebleken dat in de verblijfsvergunning van 7 mei 2014 in afwijking van de vergunning van 19 april 2011 in de voorwaarden alleen is vermeld dat appellante arbeid in loondienst verricht bij de heer X en dat daarachter de vermelding “e.a.” abusievelijk niet is opgenomen. Daarom gaat het Hof voor de beantwoording van de vraag of appellante zich heeft gehouden aan de vergunningsvoorwaarden en daarmee of er een verblijfsgat is ontstaan, uit van een vergunning met de vermelding “e.a.”.
Het Hof oordeelt dat de vergunningsvoorwaarden zo moeten worden uitgelegd, dat appellante daaraan voldeed als kan worden vastgesteld dat zij arbeid in loondienst verrichtte als huishoudster voor een werkgever betrokken bij de aanvraag die heeft geleid tot de vergunning van 7 mei 2014. Omdat de vergunningen van 19 april 2011 en van 7 mei 2014 betrekking hadden op twee werkgevers, X en Y, is het enkele feit dat appellante vanaf medio 2013 niet meer voor X werkzaam was onvoldoende om te oordelen dat zij sindsdien niet meer voldeed aan de vergunningsvoorwaarden. Om die reden mag haar ook niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft doorgegeven dat zij niet langer voor X werkte. De Gouverneur heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante in de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2015 niet aan de vergunningsvoorwaarden voldeed. Het betoog van appellante dat zij wel gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf heeft in Curaçao, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de RWN, slaagt.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. De beschikking van de Gouverneur van 22 mei 2024 wordt vernietigd. De Gouverneur moet binnen drie maanden de verklaring van appellante ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie bevestigen, als uit nader onderzoek geen andere weigeringsgronden blijken als beschreven in artikel 6, tweede en vierde lid, van de RWN. De Gouverneur hoeft geen proceskosten te vergoeden omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15 januari 2025 in zaak nr. CUR202402407;
II. verklaart het beroep gegrond;
III. vernietigt de beschikking van de Gouverneur van Curaçao van 22 mei 2024, kenmerk OP-23/286/SCS;
IV. bepaalt dat de Gouverneur binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak in een te nemen beschikking de optieverklaring van appellante bevestigt, tenzij uit nader onderzoek blijkt van andere weigeringsgronden;
V. gelast dat het Land Curaçao aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Cg. 450,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.