ECLI:NL:OGHACMB:2025:302

ECLI:NL:OGHACMB:2025:302, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10-12-2025, BON2025H00034

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer Sint Maarten en van Bonaire
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0028599

Samenvatting

Hoger beroep minister, bevestiging uitspraak Gerecht. Rechtspraak EHRM over artikel 8 EVRM bij jongvolwassenen. Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid niet vereist. Motiveringsgebrek belangenafweging.

Uitspraak

Familie- of gezinsleven

4. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat verweerster, nu zij naar Nederlands recht meerderjarig is, niet voldoet aan de in de artikelen 5.9 en 5.10 van het Btu BES neergelegde voorwaarden en dus op grond daarvan niet voor gezinshereniging in aanmerking komt. Vervolgens moet, gelet op wat de minister in hoger beroep heeft aangevoerd, de vraag worden beantwoord of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat weigering haar verblijf toe te staan niet in strijd is met het recht op respect voor het familie- of gezinsleven als beschermd door artikel 8 van het EVRM. Het Hof kan die vraag beantwoorden aan de hand van de rechtspraak van het EHRM, zodat niet nader acht hoeft te worden geslagen op het Europees-Nederlandse jongvolwassenenbeleid.

Bij die beoordeling is in de eerste plaats van belang of er tussen verweerster en haar op Bonaire toegelaten vader, bij wie zij verblijf beoogt en bij wie ook haar moeder en zussen zijn toegelaten, een als familie- of gezinsleven aan te merken band bestaat. Volgens het in de Ctu BES in hoofdstuk 11, paragraaf 7.1 neergelegde beleid is er sprake van familie- of gezinsleven tussen de ouders en hun uit een reëel huwelijk geboren meerderjarige kinderen. Verweerster voldoet aan dat vereiste. De minister betoogt echter dat bij een meerderjarig kind als verweerster en de ouder alleen familie- of gezinsleven aanwezig is als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en emotionele banden. Nog daargelaten dat de minister heeft nagelaten die beperking op te nemen in de circulaire, is deze in strijd met de rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder de uitspraak van 2 juni 2020, nummer 3138/16, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816, Azerkane tegen Nederland. Het EHRM heeft in punt 64 van deze uitspraak geoordeeld dat er geen further elements of depency zijn vereist in het geval van young adults who were still living with their parents and had not yet started a family of their own. Het Hof is daarom van oordeel dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat verweerster op grond van de rechtspraak van het EHRM als een dergelijke jongvolwassene moet worden aangemerkt en dat de minister alleen daarom al moest uitgaan van het bestaan van familie- of gezinsleven. Zij was ten tijde van de aanvraag pas enkele maanden achttien jaar, woonde op dat moment bij haar moeder en zussen en is bij hen blijven wonen tot hun vertrek naar Bonaire. Van belang is verder dat de vader van verweerster weliswaar al langere tijd op Bonaire woont, maar dat de vader tot zijn vertrek in Suriname een gezin vormde met verweerster en haar moeder en zussen. Verder voorzag en voorziet verweerster niet in haar eigen levensonderhoud maar is zij afhankelijk van financiële bijdragen van haar ouders. Ook heeft zij niet door het aangaan van een huwelijk of duurzame samenwoning een eigen gezin gevormd.

Belangenafweging

Dat sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, betekent nog niet dat ook sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Om dat vast te stellen, mag en moet de minister de belangen van de verzoeker bij hereniging afwegen tegen het algemeen belang bij weigering van verblijf. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 10. De minister moet alle relevante feiten en omstandigheden bij die belangenafweging betrekken, maar hij mag op dat punt niet meer tegenwerpen dat geen sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1489, onder 3.3. Bij de belangenafweging mag de minister verder laten meewegen dat verweerster nooit eerder verblijf is toegestaan geweest op Bonaire zodat de weigering haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen geen inmenging in het familie- of gezinsleven oplevert. De belangenafweging van de minister moet erop gericht zijn vast stellen of uit het recht op bescherming van het familie- of gezinsleven een positieve verplichting voortvloeit haar verblijf toe te staan (zie de uitspraak van het EHRM van 3 oktober 2014, nummer 12738/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, Jeunesse tegen Nederland).

De minister heeft ook in hoger beroep niet deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van verweerster uitvalt. De minister heeft op de zitting bij het Hof gewezen op het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid en het voorkomen van precedentwerking, maar hij heeft niet duidelijk gemaakt hoe een en ander zich verhoudt tot de belangen van verweerster. Desgevraagd heeft hij op de zitting te kennen gegeven daartoe nog niet in staat te zijn omdat op het onderwerp van de jongvolwassenen nog geen beleid is vastgesteld.

De minister moet opnieuw op het bezwaar beslissen. Daarbij moet de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrekken, waaronder de hierna te noemen feiten en omstandigheden. Vervolgens moet de minister alle relevante belangen, zowel die aan de zijde van het bestuur als die aan de zijde van verweerster, op kenbare en inzichtelijke wijze afwegen. Deze belangenafweging moet resulteren in een fair balance. De minister moet gelet op de eerdergenoemde uitspraak van het EHRM in de zaak Jeunesse bij de nieuw te nemen beschikking in ieder geval de volgende feiten en omstandigheden betrekken: de mate waarin de weigering van verblijf, waardoor verweerster zich anders dan haar moeder en zussen met wie zij tot hun vertrek samenwoonde niet voor langere tijd bij haar vader op Bonaire kan voegen, het beleven van familie- of gezinsleven effectief belemmert; het bestaan van banden van verweerster met Bonaire; de vraag of sprake is van insurmountable obstacles die eraan in de weg staan het familie- of gezinsleven in Suriname te beleven; de vraag of er vanuit het oogpunt van openbare orde of immigratiecontrole bezwaren tegen het verblijf van verweerster bestaan en de omstandigheid dat verweerster ten tijde van het verzoek nog maar enkele maanden achttien jaar oud was.

In de op basis van deze belangen te maken afweging zal de minister gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen verweerster en haar familieleden mondeling hebben verklaard bij de gehoren die zijn afgenomen, veel gewicht moeten toekennen aan het feit dat verweerster ten tijde van indiening van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf achttien jaar en ruim [aantal] maanden oud was en daarmee de maximumleeftijd uit de artikelen 5.9 en 5.10, aanhef en onder c, van het Btu BES slechts in geringe mate had overschreden.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd, met dien verstande dat de minister binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van verweerster moet beslissen met inachtneming van de uitspraak van het Hof. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de minister van Asiel en Migratie binnen zes weken opnieuw beslist op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij verweerster in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van USD. 1.400,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Buntjer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.Th. Drop
  • mr. T.G.M. Simons
  • mr. E.J. Daalder

Griffier

  • mr. M. Buntjer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?