Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR202103269 – CUR2023H00280
Uitspraak: 8 juli 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[appellant]
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
gemachtigden: mrs. H.W. Braam en G. de Hoogd,
tegen
de besloten vennootschap naar Nederlands recht
International Dutch Management Holding B.V.
gevestigd in Nederland,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.C. van Hoof.
Partijen worden hierna [appellant] en IDMH genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 16 oktober 2023 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 september 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
Bij op 27 november 2023 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] tien genummerde grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof – indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van IDMH alsnog zal afwijzen en IDMH in de proceskosten in beide instanties zal veroordelen.
Bij op 24 januari 2024 ingekomen memorie van antwoord heeft IDMH de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het hoger beroep ongegrond zal verklaren, het bestreden vonnis zal bevestigen en [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep zal veroordelen.
Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities ingediend, in beide gevallen met producties.
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Bij akte van 29 december 2014 heeft de Zwitserse vennootschap Manhattan Investments A.G. (hierna: Manhattan) een schuld aan IDMH met een hoofdsom van € 224.918,- overgenomen, dit met instemming van IDMH. De akte is namens Manhattan ondertekend door [appellant]. [appellant] is per 4 augustus 2015 tot bestuurder van Manhattan benoemd en was dus op 29 december 2014 nog niet een bestuurder van die vennootschap.
Op 13 september 2015, 11 december 2015 en 27 augustus 2016 heeft (de toenmalige advocaat van) [appellant] namens Manhattan verschillende betalingsregelingen aan IDMH voorgesteld, welke voorstellen telkens door IDMH zijn geaccepteerd.
Manhattan heeft aan geen van de betalingsregelingen voldaan. Zij is op 10 oktober 2017 geliquideerd, op 14 november 2017 wegens gebrek aan activa in staat van faillissement verklaard en op 5 januari 2021 is de vennootschap opgeheven.
IDMH heeft Manhattan bij brief van 20 november 2019 van haar toenmalige advocaat gesommeerd om de schuld te betalen en daarbij geschreven dat zij [appellant] voorwaardelijk aansprakelijk houdt, voor het geval Manhattan niet aan haar verplichtingen zou voldoen.
3. De procedure bij het Gerecht
Bij verzoekschrift van 26 oktober 2021 heeft IDMH, voor zover hier van belang, gevorderd dat het Gerecht bij vonnis zal vaststellen (voor recht zal verklaren) dat [appellant] onrechtmatig jegens IDMH heeft gehandeld en hem zal veroordelen om haar als schadevergoeding € 224.918 te betalen, verhoogd met rente en kosten. Kort samengevat heeft IDMH gesteld dat [appellant] op 29 december 2014 als bestuurder van Manhattan heeft besloten om de schuld van € 224.918 door Manhattan te laten overnemen terwijl hij wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Manhattan niet zou (kunnen) voldoen aan de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en dat zij daarvoor ook geen verhaal zou bieden (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel). Hetzelfde verwijt maakt IDMH aan het adres van [appellant] ter zake van de drie latere betalingsregelingen.
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen toegewezen, met bepaling van een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van Cg 3.000 en veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4. De beoordeling
de bezwaren tegen het vonnis (grieven) - grief 1, 3 en 4: toepasselijk recht en bevoegdheid
Het Gerecht in Curaçao is bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van de vordering van IDMH omdat [appellant] in Curaçao woont. Het Hof is dus ook bevoegd om in hoger beroep te oordelen over het vonnis van het Gerecht.
Het Gerecht heeft de vordering van IDMH beoordeeld naar Curaçaos recht. [appellant] stelt zich met de grieven 1 en 3 op het standpunt dat het Gerecht dit naar Zwitsers recht had moeten doen, omdat Manhattan een Zwitserse rechtspersoon was. Naar het oordeel van het Hof heeft IDMH terecht betoogd dat de vordering van IDMH, een vordering uit onrechtmatige daad, volgens Curaçaos internationaal privaatrecht (ipr) moet worden beoordeeld naar Nederlands recht omdat de gestelde schade in Nederland wordt geleden. De benadeelde, IDMH, is namelijk een in Nederland gevestigde vennootschap. Deze regel van Curaçaos ipr komt in dit geval overeen met wat daarover geldt in het Europees ipr, welk ipr ten onrechte door het Gerecht is toegepast (dat is in Curaçao niet direct toepasselijk). De grieven 1 en 3 zijn dan ook gegrond, maar leiden niet tot een andere beslissing omdat het Nederlands recht wat betreft de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid niet afwijkt van het Curaçaose recht: in de beide rechtsstelsels geldt de hierboven al ter sprake gekomen rechtsregel van het Beklamel-arrest.
[appellant] biedt in de toelichting op grief 4 aan om te bewijzen dat zijn handelen naar Zwitsers recht niet tot persoonlijke aansprakelijkheid leidt. Nu Zwitsers recht niet toepasselijk is, behoeft grief 4 geen verdere bespreking.
grief 2: voorwaardelijke aansprakelijkheidsstelling; geen verjaring
[appellant] klaagt erover dat IDMH hem slechts voorwaardelijk aansprakelijk heeft gesteld. Uit de brief van 20 november 2019 maakt het Hof op dat IDMH [appellant] persoonlijk aansprakelijk houdt indien Manhattan de schuld niet betaalt. Gelet op artikel 3:317 lid 1 BW heeft de brief daarmee een lopende verjaring gestuit. Hieronder blijkt dat die verjaring op 20 november 2019 nog niet was voltooid.
[appellant] stelt in hoger beroep dat de 5-jaarstermijn van de verjaring op 29 augustus 2014 begon te lopen. Op die dag ontstond volgens hem (het Hof begrijpt: door het aangaan van de overeenkomst van schuldoverneming, zie hiervoor 2.2.1) de vordering van IDMH op Manhattan. De akte van schuldoverneming is echter niet op 29 augustus 2014, maar op 29 december 2014 getekend, dat is minder dan vijf jaar voor de brief van 20 november 2019. Het beroep op verjaring gaat alleen al daarom niet op.
grief 5: [appellant] was op 29 december 2014 feitelijk bestuurder
Het Gerecht heeft het sluiten van de overeenkomst van schuldoverneming als een handeling van [appellant] als feitelijk bestuurder van Manhattan aangemerkt, waarbij het Gerecht de norm die geldt voor aansprakelijkheid van bestuurders analoog heeft toegepast. Volgens [appellant] had het Gerecht dat niet mogen doen omdat hij de akte in opdracht van ‘het bestuur’ heeft ondertekend. Welke andere natuurlijke personen dan hijzelf voor Manhattan hebben beslist om de schuld over te nemen, heeft [appellant] niet toegelicht. Het had op zijn weg gelegen om die toelichting te geven omdat het gaat om gegevens die zich in zijn domein bevinden en die IDMH, die ter zake van die gegevens in klaarblijkelijke bewijsnood verkeert, aanknopingspunten kunnen geven voor haar bewijslevering. Dit geldt temeer nu [appellant] niet heeft ontkend dat hij de enige vertegenwoordiger van Manhattan was met wie IDMH contact had over de schuldoverneming. Kortom: de betwisting van zijn status van feitelijk bestuurder is in meer dan één opzicht onvoldoende gemotiveerd. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij het oordeel van het Gerecht.
Voor het eerst bij pleitnota in hoger beroep beweert [appellant] dat hij begin 2017 voor het eerst contact had met IDMH, maar in zijn memorie van grieven heeft hij niet bestreden dat de akte van 29 december 2014 door hem is ondertekend en dat alle communicatie over de daarin opgenomen schuldovername met hem plaatsvond, zoals in 2.1 van het vonnis is vastgesteld. In eerste aanleg heeft [appellant] ook al niet betwist dat IDMH in 2014 uitsluitend met hem heeft gesproken over de schuldovername. Gelet op deze tegenstrijdigheid gaat het Hof voorbij aan de nieuwe betwisting. Daarbij komt dat deze betwisting te laat in de procedure is gedaan, omdat IDMH niet op de inhoud van de pleitnota van [appellant] heeft kunnen reageren.
grief 6 en 7: [appellant] wist dat Manhattan niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden
In 4.10 van het vonnis heeft het Gerecht geoordeeld dat [appellant] niet of onvoldoende heeft weersproken dat Manhattan een lege vennootschap was. Volgens grief 6 lag de bewijslast hiervan niet op [appellant] en heeft het Gerecht het hem ten onrechte aangerekend op dit punt onvoldoende bewijs te hebben geleverd.
Zoals hierboven blijkt berust deze klacht op een verkeerde uitleg van het vonnis. Het Gerecht heeft namelijk geoordeeld dat [appellant] zijn verweer onvoldoende heeft uitgewerkt, heeft [appellant] op grond daarvan aansprakelijk geacht en is daarom niet aan bewijslevering toegekomen. Het Hof komt eveneens tot het oordeel dat [appellant] bij de schuldovername eind 2014 wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat Manhattan een lege vennootschap was die haar verplichtingen niet kon nakomen en ook geen verhaal zou bieden. Het Hof ziet daarvoor echter niet zozeer een aanwijzing in het feit dat Manhattan nog geen kasgeld had ontvangen uit de samenwerkings-/investeringsovereenkomst en de brokerage overeenkomst die volgens [appellant] eind 2014/begin 2015 in de maak waren, maar wel in het ontbreken van stukken waaruit kan blijken dat Manhattan ten tijde van de schuldovername activa bezat of geld genererende activiteiten ontplooide. Het Gerecht heeft geconstateerd dat [appellant] geen jaarstukken/jaarverslagen heeft overgelegd waaruit dat kan blijken en die stukken zijn ook in hoger beroep niet overgelegd. Bovendien geldt dat op 29 december 2014, het moment van de schuldovername, één of meer voorschotten hadden moeten zijn ontvangen uit de geldlening van 27 oktober 2014 waar [appellant] zich op beroept, zoals het Gerecht in 4.10 van het vonnis heeft overwogen en [appellant] in hoger beroep niet heeft bestreden. De notariële akte waarin deze kredietovereenkomst is vastgelegd houdt in dat Manhattan het eerste voorschot uiterlijk ultimo oktober 2014 had kunnen verwachten [appellant] heeft niet uitgelegd waarom Manhattan dat geld niet heeft ontvangen, terwijl dat op zijn weg lag. Die uitleg ontbreekt, reden voor het Hof om ervan uit te gaan dat op 29 december 2014 onduidelijk was of deze kredietverlening doorging.
[appellant] heeft ook al niet uitgelegd in welk stadium op 29 december 2014 de voorbereidingen waren van de andere twee in 4.10 van het vonnis genoemde overeenkomsten. Terecht voert [appellant] aan dat dat het niet vreemd was dat die overeenkomsten Manhattan toen nog geen kasgeld hadden opgeleverd. Bovendien mocht Manhattan een zeker ondernemersrisico nemen. Waar het echter om gaat is hoe groot dat risico was, of [appellant] en Manhattan de belangen van IDMH niet te snel ondergeschikt hebben gemaakt aan hun ondernemingsplannen en of zij in redelijkheid konden verwachten dat Manhattan de overgenomen schuld kon betalen, of daarvoor verhaal zou bieden. Daarbij geldt dat [appellant] over aanzienlijk meer informatie beschikt dan IDMH, ook al draagt IDMH de bewijslast van het onrechtmatig handelen. Ook in dit verband had het op de weg van [appellant] gelegen met aanvullende informatie te komen om IDMH aanknopingspunten te bieden voor bewijslevering. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Hij heeft IDMH in het duister laten tasten over de redelijke verwachtingen die Manhattan en [appellant] destijds mochten hebben met betrekking tot de op stapel staande samenwerkings-/investeringsovereenkomst en brokerage overeenkomst. Gelet hierop is de betwisting door [appellant] van de stelling dat hij op 29 december 2014 wist of moest weten dat Manhattan haar verplichtingen jegens IDMH niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de aanspraken op nakoming en schadevergoeding van IDMH onvoldoende gemotiveerd. Hiermee staat vast dat [appellant] bij de schuldovername onrechtmatig heeft gehandeld jegens IDMH. Of hij daarna nogmaals onrechtmatig heeft gehandeld, zoals bij het afspreken van telkens nieuwe betalingsregelingen die niet nagekomen werden of inzake de plannen met Brandia, kan in het midden blijven.
[appellant] beroept zich er in de toelichting op grief 7 op dat hem in vennootschapsrechtelijk verband decharge en kwijting is verleend, maar dit betekent (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet dat IDMH, immers een derde, hem niet aansprakelijk kan stellen wegens onrechtmatig handelen jegens haar.
grief 8: de betaling van € 23.000
Net als in eerste aanleg ontbreekt in hoger beroep de nodige onderbouwing van de stelling van [appellant] dat het bedrag van € 23.000,- dat ene Henneman in 2019 aan IDMH heeft betaald, in mindering strekt op de schuld van Manhattan aan IDMH. Dit maakt ook deze grief ongegrond.
grief 9: Brandia
In eerste aanleg heeft IDMH nog een alternatieve grondslag gesteld voor haar schadevordering op [appellant]. [appellant] zou namelijk ook als bestuurder van Brandia onrechtmatig hebben gehandeld, wat eveneens tot gevolg zou hebben dat IDMH haar vordering niet heeft kunnen innen. Omdat de vordering op de hierboven besproken grond al toewijsbaar is, hoeven deze alternatieve grondslag en deze grief niet inhoudelijk besproken te worden.
grief 10: veeggrief
Deze grief heeft geen eigen grondslag. Omdat de andere grieven niet slagen, kan zij evenmin tot een andere beslissing leiden.
geen bewijslevering
[appellant] heeft geopperd om een getuige te laten horen, van wie een schriftelijke verklaring is overgelegd. Het gaat daarbij om gebeurtenissen tijdens overleg over mogelijke samenwerking met (of in verband met) Brandia. Nu die gebeurtenissen niet toe- of afdoen aan de aansprakelijkheid van [appellant] voor zijn optreden voor Manhattan in december 2014, zal het Hof geen gelegenheid geven voor deze bewijslevering.
de conclusie
Geen van de grieven slaagt. Het Hof zal het vonnis van 4 september 2023 bevestigen en [appellant], die in het ongelijk wordt gesteld, veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. Die kosten van IDMH worden begroot op Cg 197,- aan explootkosten en Cg 13.750,- voor gemachtigdensalaris (2½ punt, hoger beroep-tarief 8). De proceskostenveroordeling kan ook uitgevoerd worden als het vonnis van het Hof aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] om aan IDMH Cg 13.947,- te betalen als vergoeding van de proceskosten in hoger beroep;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, C.J.H.G. Bronzwaer en H.E. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 8 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.