ECLI:NL:OGHACMB:2025:335

ECLI:NL:OGHACMB:2025:335

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 11-03-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer H -47/2024
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Onderzoek Noah – Hoger beroep ingesteld door de verdachte. Het Gerecht heeft de verdachte veroordeeld voor feit 1 (medeplegen van doodslag) en feit 3 (medeplegen van het wegmaken van een lijk), en vrijgesproken van feit 2 (welk feit in hoger beroep niet aan de orde is). In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van feit 1 en veroordeeld voor feit 3. Het Hof is van oordeel dat de medeverdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft doodgestoken, terwijl de verdachte daarbij niet aanwezig was. Nu niet is gebleken van een vooropgezet gezamenlijk plan van de verdachte en de medeverdachte om het slachtoffer door middel van messteken om het leven te brengen, en door de patholoog-anatoom is vastgesteld dat de doodsoorzaak geen verwurging betreft maar dat de dood het directe gevolg is van de toegebrachte messteken, is het Hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde medeplegen van doodslag.

Uitspraak

Zaaknummer: H 47/2024

Parketnummer: 500.00197/23

Uitspraak: 11 maart 2025 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, (hierna: het Gerecht) van 10 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder feit 1 impliciet primair en feit 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep slechts aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde.

Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij] zijn in eerste aanleg volledig toegewezen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.V.G. Rooijer, naar voren is gebracht.

Voorts heeft het Hof kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partijen in het kader van de vorderingen tot schadevergoeding naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] voor wat betreft de gevorderde immateriële schade in die zin dat dit onderdeel van de vorderingen wordt afgewezen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, subsidiair dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft hij een lagere strafoplegging bepleit gelet op het aandeel van de verdachte en/of zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na een toegewezen nadere omschrijving van de tenlastelegging en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

feit 1 moord/doodslaghij op of omstreeks 18 juni 2023, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, (terwijl die [slachtoffer] (enige tijd) bewusteloos op het bed lag), die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de linkerkant van zijn nek/hals en/of in de linkerkant van zijn gezicht, althans in zijn (boven)lichaam heeft gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 3 wegmaken lijk, primairhij op of omstreeks 18 juni 2023, te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen,

Immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders het stoffelijk overschot van die [slachtoffer], althans die [slachtoffer], al dan niet verbonden met o.a. kabelbinders,

subsidiair

6. Due to the appearance of the corpse (lack of rigor mortis when found, no formation of “washerwomen’s skin"), it can be assumed that the victim was killed very shortly (a few hours at most) before being found and brought into the water. The other usual tests for estimating the time of death (temperature method and electrical excitability of the mimic musculature) could not be used in this case due to the external circumstances (strong solar exposure of the body and injuries of the face).

[verdachte] op of omstreeks 18 juni 2023 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen,

immers hebben zij, verdachte en haar mededaders het stoffelijk overschot van die [slachtoffer], althans die [slachtoffer], al dan niet verbonden met o.a. kabelbinders,

bij en/of het plegen van welk misdrijf, verdachte, op of omstreeks 18 juni 2023 te Curacao opzettelijk behulpzaam is geweest door;

tevoren en/of op omstreeks 18 juni 2023, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door:

 als bestuurder van voornoemde voertuig op te treden (en het stoffelijk overschot van die [slachtoffer], althans die [slachtoffer] te vervoeren).

Vrijspraak van feit 1

Op grond van het dossier stelt het Hof de volgende feiten vast. Het lichaam van [slachtoffer] is op 18 juni 2023 drijvend in de zee bij Playa Canoa aangetroffen. Ter plaatse werd door de politie vastgesteld dat het stoffelijk overschot zwarte kabelbinders aan zijn handen, voeten en nek had. Aan de polsen zat ook een geknoopte riem en een usb-kabel. Daarnaast vertoonde het lichaam diverse steek- en snijwonden. De dood van het slachtoffer werd ter plaatse door de politiearts geconstateerd. Uit het sectierapport volgt dat het slachtoffer door steekwonden aan zijn hals om het leven is gekomen. Verder wordt geconcludeerd dat het slachtoffer zeer kort voordat zijn lichaam in het water werd gevonden, is gedood.

Vervolgens is het voertuig van het slachtoffer elders, namelijk bij de Mirador te Hato aangetroffen. In het voertuig zijn dactysporen van de verdachte aangetroffen. In de slaapkamer van de verdachte thuis is een soortgelijke kabelbinder als bij het slachtoffer aangetroffen. Uit camerabeelden volgt dat op de pleegdatum het voertuig van het slachtoffer met daarachter de [automerk/model] van de verdachte op de route van Playa Canoa naar Hato airport reed.

De verdachte en zijn moeder [medeverdachte 1] (hierna: de medeverdachte) werden als verdachten aangehouden en zijn beiden in eerste aanleg veroordeeld ter zake van medeplegen van doodslag en het wegmaken van het lijk van het slachtoffer.

De verdachte en de medeverdachte zijn zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verschillende keren verhoord. Daarbij hebben ze wisselende verklaringen afgelegd over wat er met het slachtoffer is gebeurd. Hierdoor is er onduidelijkheid omtrent hun respectieve concrete aandeel in het doden van het slachtoffer ontstaan.

Het Hof acht het opmerkelijk dat de verdachte – nadat hij tweemaal had verklaard niets van de verdwijning van het slachtoffer te weten – kort na zijn aanhouding, zonder kennis te nemen van de inhoud van het dossier, vrijwillig een “bekennende” verklaring heeft afgelegd, in die zin dat hij het slachtoffer tijdens een worsteling zou hebben gewurgd totdat hij geen teken van leven meer gaf. In deze verklaring heeft hij in verschillende verhoren hierna volhard, met uitzondering van een verhoor op 18 juli 2023 toen hij verklaarde dat zijn moeder het slachtoffer had vermoord. Ook tijdens de reconstructie heeft de verdachte relevante details naar voren gebracht. Het gaat hier om twee verklaringen afgelegd op 12 juli 2023, een verklaring op 21 juli 2023, zijn verklaring tijdens de reconstructie op 27 juli 2023 en zijn verklaringen op 1 augustus 2023 ten overstaan van de rechter-commissaris, en die op 3 augustus 2023 bij de politie. De verdachte heeft daarbij niet alleen zichzelf, maar ook de medeverdachte belast. De verklaringen zijn voor wat betreft zijn handelingen steeds redelijk consistent, coherent en gedetailleerd geweest. Deze aanvankelijke verklaringen worden (merendeels) door overige feiten uit het dossier ondersteund.

Het scenario in de aanvankelijke verklaringen

De verdachte verklaarde – kort gezegd – het volgende. Er vond een worsteling plaats tussen hem en het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer heeft geduwd en het slachtoffer met zijn hoofd achterover tegen een ijzeren rand van een bed is gevallen. Hierna heeft hij het slachtoffer in een strakke greep bij zijn hals vastgepakt, terwijl de medeverdachte een kussen op het hoofd van het slachtoffer heeft gedrukt, totdat het slachtoffer niet meer bewoog. Terwijl de verdachte uit de kamer is gelopen om kabelbinders te gaan halen, zou de medeverdachte het slachtoffer in zijn hals gestoken hebben. De verdachte heeft het steken niet waargenomen. Samen met de medeverdachte heeft hij het slachtoffer vastgebonden met kabelbinders, een plastic zak om zijn hoofd gedaan en hebben zij zijn lichaam in een laken gewikkeld. Zij hebben het lichaam hierna in het voertuig van het slachtoffer gestopt en vervolgens hebben zij het lichaam in de zee bij Playa Canoa gegooid.

Terugkomen op de “bekentenis”

Op 15 februari 2024 is de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris teruggekomen op zijn aanvankelijke verklaring zoals hij die bij de politie en eerder bij de rechter-commissaris had afgelegd. De verdachte heeft hierna verschillende andersluidende verklaringen afgelegd, waarbij hij zijn rol heeft geminimaliseerd. In dit latere scenario geeft hij aan niks te maken te hebben met de dood van het slachtoffer, dat hij alleen het voertuig van het slachtoffer (met het nog levende slachtoffer er in) heeft bestuurd en dat de medeverdachte degene is die het slachtoffer door messteken om het leven heeft gebracht en – nadat het slachtoffer was doodgebloed – het initiatief nam om het lijk weg te maken. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte zich stellig aan dit scenario gehouden.

Medeplegen

Het Hof stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Voor de invulling van dit abstracte criterium is het van belang te bekijken wat de verdachte precies heeft gedaan c.q. nagelaten en of daaruit de conclusie van strafbaar medeplegen kan worden getrokken. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Op grond van het rapport van de patholoog-anatoom staat vast dat het slachtoffer door het toebrengen van steekwonden in de linkerzijde van zijn nek is overleden. Verder concludeerde de patholoog-anatoom dat er geen tekenen van verwurging waren. De te beantwoorden vraag is dus of de verdachte kan worden gezien als medepleger van het steken dat tot de dood heeft geleid.

Het Hof acht het scenario van de verdachte, zoals door hem geschetst vanaf 15 februari 2024, niet geloofwaardig. In dat scenario zou de verdachte namelijk op verzoek van zijn moeder het nog levende slachtoffer hebben willen vervoeren naar het ziekenhuis, waarna het slachtoffer na ongeveer vijf minuten rijden is komen te overlijden. Zijn moeder zou hebben verteld dat er met het slachtoffer een ongeluk was gebeurd en zij met hem naar het ziekenhuis moesten gaan. De verdachte zou vervolgens eerst nog gedoucht hebben. Het slachtoffer zou daarna zelf nog naar het busje zijn gelopen. De patholoog-anatoom heeft ter zitting bij het Gerecht echter verklaard dat een persoon binnen een paar minuten overlijdt als zijn halsader, zoals in dit geval, wordt doorgesneden. Op grond hiervan en van het gegeven dat er in het busje waarmee het slachtoffer is vervoerd geen bankje, waarop het slachtoffer volgens de verdachte zou hebben gezeten, is aangetroffen, concludeert het Hof dat het niet mogelijk is dat de verdachte het slachtoffer nog levend heeft vervoerd.

Als het Hof vervolgens uitgaat van de eerder door hem afgelegde verklaringen luidt het scenario van de verdachte dat hij het slachtoffer heeft gewurgd totdat het slachtoffer niet meer bewoog en vervolgens zou zijn moeder het slachtoffer op enig moment hebben gestoken. Zoals hiervoor al overwogen heeft dat steken tot de dood geleid. Van verwurging, zoals door de verdachte beweerd, zijn volgens de patholoog-anatoom geen tekenen gezien.

Uit het dossier heeft het Hof niet kunnen vaststellen wanneer het slachtoffer en in bijzijn van wie de steekwonden heeft opgelopen. Uit het dossier volgt weliswaar dat op enig moment de medeverdachte het slachtoffer meermalen in de nek heeft gestoken, maar de rol van de verdachte bij het steken van het slachtoffer hierbij is op geen enkele manier komen vast te staan. Evenmin kan worden vastgesteld dat de gestelde verwurging door de verdachte zou hebben gediend om het steken door de medeverdachte mogelijk te maken. Als het Hof dus uitgaat van de meest hem zelf belastende verklaring van de verdachte kan worden vastgesteld dat hij het slachtoffer heeft proberen te doden door hem te verwurgen. Maar de poging doodslag is in hoger beroep niet meer aan de orde. Ook in de eerder afgelegde verklaringen van de verdachte verklaart hij telkens dat de medeverdachte de steken moet hebben toegebracht en dat hij dat zelf niet heeft gezien. Ook de medeverdachte – die over het toebrengen van de messteken wisselende verklaringen heeft afgelegd – heeft steeds verklaard dat de verdachte bij dat gedeelte van het incident geen rol had. Verder is er ook geen technisch bewijs waaruit blijkt wat de rol van de verdachte was bij de doodslag.

Gelet op het voorgaande, komt het Hof tot de slotsom dat de medeverdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft doodgestoken terwijl de verdachte daarbij niet aanwezig was. Nu niet blijkt van een vooropgezet gezamenlijk plan van de verdachte en de medeverdachte om het slachtoffer met messsteken om het leven te brengen en door de patholoog-anatoom is vastgesteld dat de doodsoorzaak niet een verwurging betreft, maar dat de dood het directe gevolg van de toegebrachte messteken is, is het Hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde medeplegen van doodslag.

Bewezenverklaring

Het Hof acht – op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 juni 2023, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader het stoffelijk overschot van die [slachtoffer], althans die [slachtoffer], al dan niet verbonden met o.a. kabelbinders,

Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1.De verbalisant [verbalisant 1] heeft zich naar Playa Canoa begeven. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Op 18 juni 2023, omstreeks 14.20 uur, kwam er via de centrale meldkamer een melding binnen van een drijvend lichaam dat in zee werd gezien bij Playa Canoa.

Ter plaatse aangekomen, zag ik, verbalisant, een lijk van een man die op het strand op een koffer lag. Het lijk was vastgebonden aan handen en voeten met zwartkleurige kabelbinders. Tevens had het lijk een kabelbinder aan de hals, maar niet vastgetrokken.

Het slachtoffer bleek in leven te zijn genaamd,[SLACHTOFFER], geboren op [geboortedatum] 1962 en wonende te [adres] in [woonplaats].

Omstreeks 15.15 uur werd de dood van het slachtoffer [slachtoffer] door de politiearts dr. Maduro geconstateerd.”

2Op 19 juni 2023 heeft de patholoog-anatoom, Dr. L. Althaus, sectie op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Conclusion(s) 1.Signs of sharp force trauma:

5 stab wounds on the left side of the neck with severing of the left jugular vein (this injury was causing the death). 1 cut wound on the left zygomatic bone. 1 stab wound on the left temple. 1 stab wound on the right outer corner of the eye. 1 stab wound on the right frontal shoulder.

The injury to the right (het Hof begrijpt: left) jugular vein, even in combination with all other injuries, may have resulted in a greater blood loss. The vascular system as well as the internal organs showed signs of a greater blood loss. In addition, this injury may also have led to a so-called "air embolism of the heart". In this case, the negative pressure in the vein draws in air, which collects in the heart and leads to pumping failure of the heart.

The stab wound on the front of the right shoulder shows most clearly the characteristics of the sharp tool that was used:

It is likely to have been a single-edged, narrow blade with a width of about 1.3 cm. For example, a stiletto or a pocketknife could be considered. The stab wounds were inflicted while the victim was alive. Defensive injuries to sharp force in the upper extremities were not present. (…)

Cause of Death Bleeding to death, eventually in combination with air embolism of the heart due to stab wounds on the neck.

Manner of Death Non-natural. Homicide.”

3 . Door de verbalisant [verbalisant 1] werd op basis van getuigenverklaringen en camerabeelden onderzoek verricht naar de mogelijke betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de dood van [slachtoffer]. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende gerelateerd:

“Op 18 juni 2023 om 13.35 uur werd de witgelakte bus van het slachtoffer (werd later als zodanig herkend door [betrokkene]) op camerabeelden waargenomen toen deze bij de weg leidende naar de plaats delict (het Hof begrijpt: Playa Canoa) kwam. De witgelakte bus werd gevolgd door een goudkleurige Toyota [automodel] die wat uiterlijke kenmerken betreft, precies als die van [verdachte] is. Op 18 juni 2023 om 13.55 uur ontvluchtten dezelfde twee voertuigen (de witgelakte bus gevolgd door de goudkleurige Toyota [automodel]) via dezelfde route als de heenweg de plaats delict. Op 18 juni 2023 om 02.23 uur PM werd door middel van andere camera's waargenomen dat de goudkleurige Toyota [automodel] op de Franklin D. Rooseveltweg aankwam en richting het panoramaterras van de Curaçao International Airport begon te rijden. Een vrouw met lichtbruine huidskleur trad toen op als bestuurder van de auto en naast de bestuurder zat er een vrouwelijke passagier. De witgelakte bus werd bestuurd door een man die een zwart T-shirt met opschrift (vermoedelijk Bulls City) droeg. De witgelakte bus werd bij het panoramaterras van de Curaçao International Airport achtergelaten en de bestuurder van de witgelakte bus stapte over in de goudkleurig Toyota [automodel] waarna zij richting de rotonde di Zegu reden.”

4. De getuige [getuige 1], zusje van de verdachte, heeft op 18 juli 2023 een verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven verklaarde zij het volgende:

“Op 18 juni 2023 in de ochtenduren zag ik mijn moeder en broer (het Hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte) fluisteren in de woonkamer. Ik kon niet horen wat zij aan het zeggen waren en ben naar mijn slaapkamer teruggekeerd. Even later stond ik op en zou naar de badkamer gaan. Mijn moeder stond in de deuropening van de slaapkamer van [slachtoffer] (het Hof begrijpt: het slachtoffer) en zei: "Ga naar de badkamer en kijk niet in de slaapkamer”. Ik ben naar de wc gegaan en nadien terug gekeerd naar mijn slaapkamer. Het was even voordat mijn broer naar mij toe was gekomen en zei dat ik mee moest gaan. Ik ben vervolgens in de slaapkamer van [slachtoffer] gaan kijken en zag dat hij er niet was. Dat vond ik vreemd. Ik ben naar de auto van mijn broer (het Hof begrijpt: een goudkleurige Toyota [automodel]) gegaan. Mijn moeder is achter het stuur gaan zitten en ik naast de bestuurder. Mijn broer stond bij de witgelakte vanbus van [slachtoffer].

(…) Ik was diep bezig met mijn telefoon en had niet gemerkt waar wij naartoe reden. Voor zover ik weet is het daar "Noordkant" genoemd. Mijn broer heeft de vanbus naast zijn auto geparkeerd. Mijn moeder was uit de auto gestapt. Zij is naar mijn broer gegaan die uit de vanbus was gestapt. Ik ben in de auto blijven zitten. Mijn moeder en mijn broer kon ik niet meer zien omdat zij aan de andere zijde van de vanbus stonden. Ik zag hoe mijn moeder een reistas en meerdere dingen in zee had gegooid.

Op het moment dat wij de plaats alwaar [slachtoffer] in zee werd gegooid hadden verlaten heeft mijn moeder [verdachte] gestopt en ik hoorde haar tegen hem zeggen: “Waar zullen wij de vanbus gaan zetten". [verdachte] heeft de vanbus bij de Mirador te airport geparkeerd. Vervolgens stapte hij in zijn auto achter het stuur. Ik ben achterin gaan zitten en mijn moeder ging naast mijn broer zitten. Tijdens de rit hadden mijn moeder en mijn broer het erover dat er veel camera’s ter hoogte van de airport hingen. Op het moment dat wij de airport aan het verlaten waren hoorde ik mijn moeder tegen "[verdachte]" zeggen: “Hij was wel zwaar”(…).

5.De medeverdachte, [medeverdachte] is op 3 augustus 2023 verhoord. Zij heeft het volgende verklaard:

“Tegen [verdachte] had ik gezegd dat wij het lichaam van [slachtoffer] (samen met zijn handbag en schoudertas) bij Playa Canoa in zee zouden dumpen. [verdachte] hielp mij eerst om het lichaam van [slachtoffer] in de witgelakte bus te zetten. Hierna reden wij achter elkaar ([verdachte] voorop) naar Playa Canoa. [verdachte] bestuurde de witgelakte bus van [slachtoffer] en ik reed samen met mijn dochter [getuige 1] in de goudkleurige Toyota [automodel] van [verdachte]. Bij Playa Canoa aangekomen werd het lichaam van [slachtoffer] door ons in zee gedumpt. [verdachte] hielp mij ook met het achterlaten van de bus bij het panoramaterras van de luchthaven. De verklaring van [verdachte] dat zij verklaard heeft dat zij heeft gehoord dat ik tegen [verdachte] zei dat [slachtoffer] best zwaar was, klopt.”

6. De verdachte is op 12 juli 2023 bij de politie verhoord. Hij heeft het volgende verklaard:

“Ik had de kabelbinders aan het lijk aangebracht omdat het dan makkelijker wordt om het lijk op te tillen en te vervoeren. Mijn moeder had mij geholpen om het lijk in de witgelakte van te doen. Wij reden hierna naar Playa Canoa. Ik bestuurde de witgelakte van met het lijk erin, terwijl mijn moeder en mijn zus in mijn goudgelakte Toyota [automodel] achter mij naar Playa Canoa reden. Aldaar had mijn moeder mij geholpen om het lijk en de bezittingen van [slachtoffer] in het water te gooien. Wij hebben al de bezittingen van [slachtoffer] in een tas gedaan en deze met lijk en al in zee gegooid. Wij hebben hierna de vanbus van [slachtoffer] bij de Mirador te Hato achtergelaten.“

Bewijsoverwegingen

De verdachte en de medeverdachte hebben zelf een aantal keer over het samen wegmaken van het lijk verklaard. De getuige [getuige 1], zusje van de verdachte heeft de route die de verdachten hebben genomen aangegeven en zelfs heeft zij verklaard wat zij haar moeder en de verdachte hierover heeft horen overleggen. Gelet hierop hebben de verdachte en medeverdachte (zijn moeder) samen en in vereniging gehandeld bij het wegmaken van het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Gelet op hun gezamenlijkheid van handelen en de gelijkwaardigheid van de rolverdeling, is het Hof van oordeel dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking in de voltooiing van dit feit.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Het Hof komt gezien de vrijspraak voor feit 1 aan een bespreking van dit verweer hier niet toe.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 3 primair bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:94 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Oplegging van straf

Het Hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.

Het Hot verenigt zich met hetgeen het Gerecht met betrekking tot het ernst van dit feit heeft overwogen:

“Toen het slachtoffer eenmaal dood was zijn de verdachte en de medeverdachte zeer berekenend en planmatig te werk gegaan en hebben zij het lijk samen met de bezittingen van het slachtoffer in zee gedumpt en zijn auto bij de luchthaven geparkeerd om te doen voorkomen alsof het slachtoffer naar Nederland was vertrokken en aldus familie en justitie op een dwaalspoor te zetten.

Dit mocht echter niet baten, nu het lijk van het slachtoffer al binnen zeer korte tijd in de zee werd aangetroffen. Kort nadien hebben de verdachte en medeverdachte, gehoord als getuigen, volgens vooraf beraamd plan, verklaard dat zij het slachtoffer die zondag 18 juni 2023 sinds de ochtenduren niet meer hadden gezien en ook geen contact meer met hem hadden gehad. Bovendien hebben zij zinspelingen gedaan dat het motief voor de dood van het slachtoffer in de drugswereld moest worden gezocht. De medeverdachte is op de uitvaarplechtigheid geweest en de verdachte heeft naar goed Curaçaos gebruik een emmer water achter de lijkwagen leeg gegooid. Ondertussen zijn de verdachte en de medeverdachte tot hun aanhouding krap een maand later kennelijk ongestoord en niet gehinderd door schuldgevoelens in de woning van het slachtoffer op het familieterrein blijven wonen.”

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.

Het Hof heeft in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij – al dan niet door de medeverdachte aangestuurd – in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hiermee heeft hij geprobeerd om de politie op het verkeerde spoor te zetten en de nabestaanden in het ongewis te laten.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het Hof acht geslagen op de strafkaart van de verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld. Verder heeft het Hof acht geslagen op het rapport d.d. 22 augustus 2023 opgemaakt door psychologen S. Wichard en H. Linkels en het rapport d.d. 14 december 2023 opgemaakt door psychiater F.G.M. Heijtel. Volgens het psychologisch rapport is er geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte. De conclusie van de psychologen is dan ook dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Ook de psychiater lijkt tot dezelfde conclusie te komen behalve ten aanzien van de parentificatie in de ontwikkelijking van de persoonlijkheid van de verdachte. In beiden rapporten ziet het Hof geen aanleiding het feit aan de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.

Het Gerecht heeft uitgaande van een veroordeling voor feit 1 (primair) en feit 2 (primair) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar opgelegd. Gezien het Hof de verdachte van feit 1 vrijspreekt, is het Hof, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar passend en geboden is in dit geval. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 18.008,01 aan materiële schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt – na vermindering – NAf 10.118,02, bestaande uit NAf 2.618,02 aan materiële schade en NAf 7.500,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 7.500,- aan immateriële schade.

Niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit, omdat het slachtoffer niet is overleden ten gevolge van het handelen van de verdachte. Derhalve komt het Hof tot het oordeel dat de benadeelde partijen in de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de benadeelde partij worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot tot nihil.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht van 10 april 2024 voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de twee (2) jaren;

beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten voor zover die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, voorzitter, mr. M.L.A. Angela en mr. P.P.C.M. Waarts, leden van het Hof, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, (zittings)griffier, en op 11 maart 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F.V.L.M. Wannyn
  • mr. M.L.A. Angela
  • mr. P.P.C.M. Waarts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?