GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
1. [appellante 1],
2. [appellant 2],
in de zaak van:
beiden wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden, thans appellanten,
aanvankelijk procederende in persoon in hoger beroep, daarna als gemachtigden achtereenvolgens mrs. S.C. Larmonie en M. Becher, gemachtigde thans: mr. E. Kleist,
tegen
de naamloze vennootschap PSB Bank N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.A. van den Berg.
Partijen worden hierna [appellanten] en PSB Bank genoemd.
Het verloop van de procedure
Bij op 14 december 2023 ingekomen akte van appel zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 4 december 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), zoals hersteld bij herstelvonnis van 12 december 2023.
appellanten] hebben een memorie van grieven met producties ingediend die op 25 januari 2024 ter griffie is ingekomen. Zij concluderen, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van het vonnis van het Gerecht en afwijzing alsnog van de vorderingen van PSB Bank met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van PSB Bank in de proceskosten in beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij op 28 mei 2024 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft PSB Bank de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen.
Op 8 oktober 2024 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
De Feiten
appellanten] zijn gehuwd.
Zij hebben met PSB Bank op 29 april 2008, 10 oktober 2008 en 4 maart 2020 overeenkomsten tot - hypothecaire - geldlening gesloten.
Omdat zij de aan aflossing verbonden voorwaarden niet zijn nagekomen, heeft PSB Bank aanspraak gemaakt op de gehele hoofdsom en rente.
Procedure in eerste aanleg
Het Gerecht heeft [appellanten] in verband met het vorenstaande hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan PSB Bank van NAf 320.811,84, te vermeerderen met 6% rente over NAf 320.058,25 vanaf 10 augustus 2022 en buitengerechtelijke incassokosten, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en de nakosten.
In eerste aanleg zijn [appellanten] wel verschenen, maar hebben zij geen verweer gevoerd.
Beoordeling door het Hof
In de memorie van grieven heeft de toenmalige gemachtigde van [appellanten] mr. Larmonie toegelicht dat [appellanten] hem pas op de voor het nemen van de memorie bepaalde dag hebben benaderd en voor de grieven verwezen naar een door [appellanten] zelf opgesteld stuk dat als een bijlage bij de memorie is gevoegd. In dat stuk leggen [appellanten], kort gezegd, uit hoe de achterstanden in de aflossingen zijn ontstaan, stellen ze dat zij zich meermalen door PSB Bank onder druk gezet hebben gevoeld en verzoeken zij het Hof aan hen uitstel van betaling te verlenen opdat zij met PSB Bank een betalingsregeling kunnen treffen.
In de memorie van antwoord wijst PSB Bank erop dat [appellanten] geen verweer hebben gevoerd tegen de uitspraak in eerste aanleg. Zij voert aan dat die procedure wegens door [appellanten] herhaaldelijk verzocht en verkregen uitstel bijna veertien maanden in beslag heeft genomen, dat [appellanten] toen ook geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd en uiteindelijk niet meer hebben gereageerd op het laatste voorstel van PSB Bank tot een minnelijke schikking.
PSB Bank betwist dat zij [appellanten] onoorbaar onder druk zou hebben gezet om akkoord te gaan met herstructurering van de hypotheeklening, maar stelt dat daar hoe dan ook aan voorbij kan worden gegaan omdat [appellanten] geen vernietiging van de overeenkomst hebben gevorderd wegens een wilsgebrek (ingevolge art. 3:44 of 6:228 BW). PSB Bank verzet zich tegen verder uitstel van betaling, stellende dat [appellanten] een betalingsachterstand hebben van ruim anderhalf jaar.
Bij schriftelijk pleidooi van de huidige gemachtigde van [appellanten] (mr. Kleist) stellen zij zich op het standpunt dat PSB Bank jegens hen niet aan haar onderzoeksplicht, zorgplicht en informatieplicht heeft voldaan en dat daarom het bedrag waartoe het Gerecht [appellanten] heeft veroordeeld veel lager had moeten worden vastgesteld. Daartoe voeren zij het volgende aan. Partijen hebben op 4 maart 2020 een leningsovereenkomst gesloten om een bestaande
hypothecaire lening te herstructureren en zeven andere schulden van [appellanten] te consolideren. Daartoe behoorden twee leningen van in totaal NAf 120.000, die blijkens opgaaf van de notaris voor een bedrag van NAf 167.507,00 zijn geconsolideerd. Bij de eerste lening van NAf 60.000 werd voor een periode van 6 maanden NAf 22.900,00 aan rente in rekening gebracht, hetgeen neerkomt op een percentage van 76,3% op jaarbasis. Bij de tweede lening van eveneens NAf 60.000 werd voor een periode van 6 maanden een bedrag van NAf 24.607,00 aan rente in rekening gebracht. Dat is 82 % op jaarbasis. Hier is duidelijk sprake van woekerrente. Omdat sprake was van kredietverlening met zekerheidsstelling zijn de rentepercentages nietig wegens strijd met de goede zeden (art. 3:40 lid 1 BW). PSB Bank had [appellanten] daarover behoren in te lichten en de leningen niet in de consolidatielening behoren op te nemen. [appellanten] zijn de consolidatielening aangegaan onder invloed van dwaling. Bij een juiste voorstelling van zaken waren zij de consolidatielening niet aangegaan. Daarom hadden de saldi van de twee woekerleningen door het Gerecht niet mogen worden meegenomen en had het bedrag van die consolidatielening op NAf 141.620 (NAf 309.127 minus NAf 167.507) moeten zijn vastgesteld. Bovendien heeft PSB Bank nagelaten te informeren dat zij in verband met de corona-epidemie over de maanden maart 2020 tot en met oktober 2020 alleen uitstel van betaling verleende voor betaling van aflossingen en niet voor de rente. Als zij dat wel had gedaan, zou de uitstaande schuld lager zijn geweest.
PSB Bank heeft bij schriftelijk pleidooi aangevoerd dat zij niet kan ingaan op het pleidooi van [appellanten] omdat beide stukken gelijktijdig zijn ingediend. Zij verzoekt het Hof voor het eerst bij pleidooi aangevoerde grieven of stellingen buiten beschouwing te laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde. Daarbij wijst zij erop dat de toenmalige advocaat van [appellanten] op 26 oktober 2023 desisteerde na ruim een jaar voor [appellanten] te hebben opgetreden, [appellanten] geen enkele voortvarendheid aan de dag hebben gelegd om tot een oplossing te komen en tot pleidooi in hoger beroep nimmer verweer hebben gevoerd tegen de hoogte van de vordering. PSB Bank voeren verder aan dat de schuld inmiddels volledig is voldaan uit de opbrengst van executieveilingen en dat [appellanten] zich tegen uitwinning niet hebben verzet. Daarom hebben [appellanten] volgens PSB Bank geen belang bij het volharden in hoger beroep.
Het Hof verwerpt de stelling dat [appellanten] in hoger beroep geen belang hebben omdat al executiemaatregelen hebben plaatsgehad. Mocht de vordering in hoger beroep op een lager bedrag worden vastgesteld, dan kunnen [appellanten] immers aanspraak maken op terugbetaling van het bedrag dat PSB Bank te veel heeft geïnd.
Volgens het Curaçaose procesrecht mogen partijen in hoger beroep bij pleidooi hun eerder aangevoerde stellingen en verweren toelichten, verbeteren en aanvullen (laatstelijk: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009). In het van de memorie van grieven deel uitmakende stuk van [appellanten] ligt besloten dat volgens hen sprake was van een wilsgebrek bij het aangaan van de consolidatielening. Blijkens de memorie van antwoord heeft PSB Bank dat ook zo opgevat. Het Hof merkt hetgeen daaromtrent namens [appellanten] later bij pleidooi is aangevoerd aan als een uitwerking van die eerdere stellingname en als een aanvulling die in dit geval binnen de grenzen vallen die de eisen van een goede procesorde stellen. Omdat die uitwerking een aantal elementen bevat die in de procedure nog niet eerder aan de orde zijn geweest, brengt het beginsel van hoor en wederhoor mee dat PSB Bank de gelegenheid krijgt om een akte te nemen om daarop te reageren. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen.
Elke verdere beslissing wordt aangehouden.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 mei 2025 met het onder 4.6. weergegeven doel;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.W.A. Vonk en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.