Zaaknummer: H-79/24
Parketnummers: 500.00071/23, 500.00325/23 en 500.00007/24
Uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 7 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
thans [verblijfplaats] gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 2 van parketnummer 500.00071/23 (zaaksdossier Parrot) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 3 primair, 4 primair en 5 van parketnummer 500.00071/23 (zaaksdossiers Parrot, Sparrow en Crow ZD-01), het primair ten laste gelegde feit van parketnummer 500.00325/23 (zaaksdossier Crow ZD-03) en het ten laste gelegde feit onder parketnummer 500.00007/24 (zaaksdossier SKY [naam verdachte]) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over een in beslag genomen voorwerp.
(Alleen) de verdachte heeft (onbeperkt) hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu de verdachte onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het appel mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 2 van parketnummer 500.00071/23 ten laste gelegde. Deze vrijspraak betreft een beschermde vrijspraak waartegen voor de verdachte geen hoger beroep open staat. Het Hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gerichte vrijspraak.
Omvang van het hoger beroep
Nu alleen de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, is het vonnis waarvan beroep aldus slechts aan inhoudelijke beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 500.00071/23 ten laste gelegde alsmede de ten laste gelegde feiten onder parketnummers 500.00325/23 en 500.00007/24.
Al wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het inhoudelijk oordeel van het Hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E.F. Sulvaran, naar voren is gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van gronden.
In het zaaksdossier SKY [naam verdachte] (tenlastelegging met parketnummer 500.0007/24) heeft de raadsman primair de nietigheid van de dagvaarding bepleit. Voorts heeft de raadsman bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte en is subsidiair ter zake van alle ten laste gelegde feiten bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Meer subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Geldigheid van de inleidende dagvaarding
De raadsman heeft net als in eerste aanleg bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het in zaaksdossier SKY [naam verdachte] (tenlastelegging met parketnummer 500.0007/24) ten laste gelegde nietig zal worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De ten laste gelegde periode bestrijkt bijna twee jaar en de transacties c.q. handelingen zijn niet gespecificeerd naar plaats en datum. Dit maakt de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en onbegrijpelijk en is het voor de verdachte onmogelijk zich daartegen te verweren.
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 285 Sv vereist dat de opgave van het feit dusdanig moet zijn dat de verdachte daaruit redelijkerwijs kan begrijpen waarvan hij wordt verdacht. Hierbij moet ook worden vermeld omstreeks welke tijd en waar het feit begaan zou zijn.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat dit vereiste moet worden bezien in de context van het onderliggende strafdossier. Van belang is derhalve dat er bij de verdachte bij kennisneming van de feiten en omstandigheden uit het strafdossier redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Hierbij dient ten aanzien van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumlandsverordening te worden opgemerkt dat niet vereist is dat reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen.
Het Hof is van oordeel dat in de tenlastelegging, tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier, voldoende specifiek is beschreven tegen welke voorbereidingshandelingen de verdachte zich moet verdedigen. Het dossier bevat talloze SKY-gesprekken waar de verdachte aan heeft deelgenomen. Deze gesprekken zijn in een bepaald tijdsbestek te plaatsen en de inhoud daarvan kan in verband worden gebracht met enkele feitelijke opsommingen (de ‘streepjes’ op pagina 2 en 3 van de tenlastelegging) van voorbereidingshandelingen in de tenlastelegging, zoals het uitwisselen van informatie en foto’s en het benaderen van personen.
De inhoud van deze SKY-gesprekken is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aan de verdachte voorgehouden en met hem besproken, waarbij de verdachte er geen blijk van heeft gegeven (bepaalde onderdelen van) de tenlastelegging niet te begrijpen. Ook blijkens de pleitnotities van de verdediging heeft de verdachte begrepen waartegen hij zich moest verdedigen en heeft hij zich bij monde van zijn raadsman ook inhoudelijk daartegen verdedigd.
Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de daaraan in de wet gestelde vereisten, wordt het verweer verworpen.
Normschendingsverweren (mede) strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, dan wel dat bepaalde bevindingen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, dan wel dat het een en ander tot strafkorting zou moeten leiden.
Samengevat en zakelijk weergegeven, heeft de raadsman in dat verband de volgende argumenten naar voren gebracht:
Voorkeursbehandeling medeverdachte, strijd met verbod van willekeur en gelijkheidsbeginsel
De medeverdachte [medeverdachte 1] is ten onrechte niet vervolgd ter zake een tweetal zaaksdossiers, te weten CROW ZD-02 (export 350kg cocaïne) en CROW ZD-03 (invoer 577 pond hennep). Door hem hier niet voor te vervolgen, heeft hij een veel lagere straf gekregen dan passend zou zijn en is hem immuniteit gegund.
[Medeverdachte 1] was ‘de spin in het web’ in het havengebied, aldus ook de politie, en kan verantwoordelijk worden gehouden voor betrokkenheid van veel meer kilo’s drugs dan waarvoor hij is vervolgd en veroordeeld. Dat hij hiervoor niet is vervolgd, is een cadeau aan [medeverdachte 1] en dit is bovendien in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel.
Ontbreken transparantie door openbaar ministerie over status medeverdachte en gegunde voordelen
De medeverdachte [medeverdachte 1] was een kroongetuige en daar is het openbaar ministerie niet transparant over geweest. Dat blijkt uit de hiervoor genoemde hem gegunde immuniteit en het ontlopen van een hogere straf. Strafvermindering in ruil voor de verklaringen is compensatie voor zijn rol als kroongetuige, aldus de verdediging. Dat [medeverdachte 1] is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao kan een gunstige invloed hebben gehad op zijn bereidheid tot het afleggen van verklaringen. Dit alles is ontoelaatbaar. Er is geen proces-verbaal, zelfs geen verslag waarom [medeverdachte] een voorkeursbehandeling verdient.
Ook het ontbreken van transparantie over dit alles, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Er is sprake van foutieve vertalingen van berichten en er is gebruik gemaakt van processen-verbaal waarin meningen, gissingen en onjuistheden zijn opgenomen. In de procedure aangaande onderzoek Sparrow dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, in ieder geval tot bewijsuitsluiting, dan wel een behoorlijke strafkorting.
Schending beginsel onschuldspresumptie in berichtgeving openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft een persbericht uitgegeven op 11 maart 2024, de dag dat de officier van justitie het requisitoir hield bij het Gerecht. Daarbij is onvoldoende terughoudendheid en zakelijkheid betracht, hetgeen heeft geleid tot voor de verdachte schadelijke berichtgeving. De onschuldpresumptie is in ernstige mate geschonden door de gebezigde bewoordingen en daarmee het recht op een eerlijk proces. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit moet leiden tot strafverlaging.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich in het requisitoir op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft in dat verband, samengevat en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de overwegingen van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie om [medeverdachte 1] niet te vervolgen ter zake de zaaksdossiers CROW ZD-02 en CROW ZD-03 heeft de procureur-generaal verder nog betoogd dat er naar het oordeel van het openbaar ministerie te weinig bewijs voorhanden was om hem te vervolgen. Dat is een beslissing die de officier van justitie kan nemen, het betrof geen voorkeursbehandeling van [medeverdachte 1], aldus de procureur-generaal.
Ten aanzien van de door het Gerecht aan [medeverdachte 1] opgelegde straf heeft de procureur-generaal naar voren gebracht dat het aan het Gerecht is om te bepalen welke straf passend en geboden is, niet het openbaar ministerie. Het Gerecht heeft overwogen dat het geven van openheid van zaken door [medeverdachte 1] in zijn voordeel wordt meegewogen. Dat kan het Gerecht doen, het is geen voordeel dat het openbaar ministerie hem heeft gegund.
Oordeel Hof
Strijd met verbod van willekeur en strijd met gelijkheidsbeginsel
Het Hof stelt voorop dat het openbaar ministerie de bevoegdheid heeft om zelfstandig te beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek. De beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen, voortzetten of afzien van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat, omdat het openbaar ministerie de medeverdachte [medeverdachte 1] in bepaalde deeldossiers niet heeft vervolgd, het openbaar ministerie in de zaak van de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Naar het oordeel van het Hof heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek (en/of de verschillende deelonderzoeken) in redelijkheid kunnen beslissen dat de verdachte ter zake de hem verweten strafbare feiten kon worden vervolgd voor de feiten zoals die op de tenlastelegging zijn opgenomen. Dit is op zichzelf ook niet zozeer betwist.
Over de gestelde strijd met het verbod van willekeur en strijd met het gelijkheidsbeginsel (vanwege het niet-vervolgen van [medeverdachte 1] in twee deeldossiers), merkt het Hof het volgende op.
[medeverdachte 1] is vervolgd voor meerdere strafbare feiten, waaronder – net als de verdachte – betrokkenheid bij de uitvoer van 140kg en 172kg cocaïne (Sparrow). Ook is hij, net als de verdachte, vervolgd voor betrokkenheid bij CROW ZD-01. Ter zake Crow ZD-02 geldt dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte daarvoor niet zijn vervolgd. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is gelet daarop reeds daarom geen sprake, voor zover het deze feiten betreft.
Dat [medeverdachte 1] niet is vervolgd ter zake CROW-3, acht het Hof in dit geval, gelet ook op de toelichting van de procureur-generaal in samenhang bezien met de inhoud van het betreffende zaaks-dossier niet zonder meer onbegrijpelijk. Zijn door de verdediging gestelde betrokkenheid komt naar het oordeel van het Hof niet in vergelijkbare mate als die van de verdachte naar voren in dit zaaksdossier.
Naar het oordeel van het Hof heeft de officier van justitie gelet op de inhoud van dit zaaksdossier in redelijkheid kunnen besluiten om de verdachte wel, doch [medeverdachte 1] niet te vervolgen voor betrokkenheid bij de feiten zoals gerelateerd in CROW-3.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen concrete aanknopingspunten dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur, noch dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Van een uitzonderlijk geval waarin sprake zou moeten zijn van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte op de grond dat het instellen of voortzetten van de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, is naar het oordeel van het Hof gelet op het voorgaande geen sprake.
De verweren dienaangaande worden verworpen.
Status [medeverdachte 1] - voordelen door het OM aan [medeverdachte 1] gegund?
De officier van justitie heeft in eerste aanleg in het requisitoir aangegeven dat er geen sprake is geweest van een zogenoemde ‘deal’ met [medeverdachte 1] (in ruil voor diens verklaringen). De procureur-generaal heeft dat in het requisitoir bevestigd. [medeverdachte 1] zelf heeft dat, zowel in zijn verhoor als getuige ter zitting van de strafzaak van de verdachte bij het Gerecht als ter zitting in hoger beroep als getuige - in beide instanties onder ede – bevestigd. Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, geen concrete aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat wel sprake is geweest van een ‘deal’ met [medeverdachte 1].
Dat [medeverdachte 1] op enig moment is overgeplaatst naar een PI buiten Curaçao is vanwege dringende redenen van veiligheid, aldus de procureur-generaal. [medeverdachte 1] zelf heeft meermalen verklaard zich niet veilig te voelen en te worden bedreigd. Door wie, dat wil hij vanwege zijn veiligheid niet verklaren. Dit alles komt het Hof niet onaannemelijk voor. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdachten die openheid van zaken geven en daarbij ook over anderen belastende verklaringen afleggen, in sommige zaken, op zijn zachtst gezegd, niet geliefd zijn en soms moeten vrezen voor hun leven, of dat van hun naasten. Dat [medeverdachte 1] vanwege zijn veiligheid is overgeplaatst, is overigens naar het oordeel van het Hof geen belang dat de verdachte aangaat. Dat het om een voorkeursbehandeling zou gaan, is niet gebleken.
Dat [medeverdachte 1] door toedoen van het handelen van politie of justitie ten onrechte belastende verklaringen over de verdachte zou hebben afgelegd, is het Hof evenmin gebleken. Dat hij op een enkel onderdeel wisselend heeft verklaard, heeft het Hof gezien en dat maakt dat het Hof behoedzaam met zijn verklaringen om zal gaan, waarover later in dit vonnis meer.
Dat het Gerecht aan [medeverdachte 1] een straf heeft opgelegd die het Gerecht gezien de bewezenverklaarde feiten en mede gelet op de proceshouding van die verdachte en diens spijtbetuigingenpassend achtte, is iets dat niet het openbaar ministerie valt aan te rekenen en dus niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging van de verdachte.
Nu niet is gebleken van enige deal met [medeverdachte 1], noch van enig voordeel dat hem is gegund (in ruil voor verklaringen), noch van het ontbreken van transparantie daaromtrent, worden de verweren dienaangaande reeds om die reden verworpen.
Foutieve vertalingen en onjuistheden in processen-verbaal
Het Hof heeft, met de verdediging en evenals het Gerecht, geconstateerd dat sommige processen-verbaal conclusies bevatten of stelligheden die niet direct zijn te relateren aan bevindingen die in de betreffende processen-verbaal zijn opgenomen. Dat is storend en in geval van onjuistheden doet het afbreuk aan de betrouwbaarheid van de betreffende processen-verbaal, iets waar de politie en, in zijn toezicht daarop, de officier van justitie, alert op dienen te zijn.
Het Hof heeft geconstateerd dat in meerdere processen-verbaal wordt verwezen naar andere processen-verbaal, waarin minder stellig wordt gerelateerd over bepaalde bevindingen en geen conclusies zijn opgenomen. In zoverre bevat het dossier dus (ook) een meer genuanceerde inhoud van hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd. Het Hof zal geen gebruik maken van (gedeelten van) processen-verbaal voor zover daarin conclusies, meningen of onjuistheden zijn opgenomen, ze worden (in ieder geval op die onderdelen) uitgesloten van het bewijs.
De verdediging heeft meerdere voorbeelden gegeven van vertalingen van berichten die naar haar oordeel onjuist zijn. De officier van justitie heeft daarop in eerste aanleg gereageerd, door de berichten nader te laten onderzoeken. Daaruit is naar voren gekomen dat bepaalde berichten (deels) anders konden of dienden te luiden. Het Hof gaat bij de bewijswaardering van deze berichten ook van deze nieuwe vertalingen uit. Of dit (steeds) een normschending oplevert, is naar het oordeel van het Hof niet in algemene zin te zeggen. Vertalingen vinden vaak immers plaats in een bepaalde context. Tekstberichten zoals hier aan de orde bevatten daarbij doorgaans maar zelden grammaticaal correcte en volledige zinnen, iets waarmee een vertaler rekening dient te houden. Ook kunnen tekstberichten taalfouten bevatten waardoor een letterlijke vertaling een onlogische inhoud op kan leveren. Enige interpretatie of een bepaalde ‘vertaalslag’ door een tolk kan met andere woorden soms passend zijn. Daarbij is het in dit geval ook nog zo dat veel berichten die zijn vertaald, taal bevatten met afkortingen, zogenoemde straattaal en/of zogenoemd versluierd taalgebruik. Tekstberichten zoals hier aan de orde laten zich kortom niet steeds gemakkelijk (letterlijk) vertalen. De door de politie ingezette beëdigde tolken hebben vertalingen gegeven en na nader onderzoek naar aanleiding van verweren van de verdediging zijn er vertalingen bijgekomen. Ook heeft de verdediging zelf in bepaalde gevallen aangegeven hoe een vertaling naar haar oordeel zou moeten luiden.
Dat sprake is geweest van het doelbewust onjuist (doen) vertalen van berichten en/of het doelbewust opmaken van onjuiste processen-verbaal dienaangaande, is het Hof niet gebleken. Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders.
Het Hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en gelet op het voorgaande geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
Nu de (gestelde) normschendingen vertalingen betreffen die opnieuw zijn uitgevoerd, ziet het Hof ook geen aanleiding voor bewijsuitsluiting en evenmin tot strafkorting. Bij de waardering van deze berichten voor het bewijs, zal het Hof behoedzaam met de berichten omgaan en voor zover nodig motiveren waarom bepaalde berichten naar zijn oordeel voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
De verweren worden met in achtneming van het voorgaande verworpen.
Berichtgeving door OM – schending van onschuldpresumptie en recht op eerlijk proces
Ten aanzien van het persbericht van 11 maart 2024 overweegt het Hof als volgt. Het bericht, afkomstig van het openbaar ministerie, bevat een samenvatting door het openbaar ministerie van hetgeen naar zijn oordeel uit het onderzoek is gebleken. Daarbij zijn stellige bewoordingen gebruikt die over kunnen komen als vast staande feiten, terwijl de zaak nog ter beoordeling van het Gerecht voorlag. Meer nuance was naar het oordeel van het Hof passend geweest. Anderzijds wordt gesproken over verdachten en het persbericht eindigt met informatie over de eis van de officier van justitie zoals ter openbare zitting in het Gerecht gevorderd. Het kan voor iedereen duidelijk zijn dat dit de visie is van het openbaar ministerie en dat het om verdachten gaat (niet veroordeelden). Er worden geen verdachten met naam genoemd en ook niet met initialen die zouden zijn terug te leiden tot individuele verdachten. Dat de verdachte door deze berichtgeving tekort is gedaan in zijn recht op een eerlijk proces, acht het Hof niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
Slotsom
Het Hof is van oordeel dat de procedure als geheel, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de verschillende onderdelen is overwogen, voldoet aan de eisen van het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen in de zaken met parketnummers 500.00007/24 en 500.00325/23 en in de op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 december 2023 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging in de zaken met parketnummer 500.00071/23. Van die dagvaardingen en vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage I een kopie aan dit vonnis gehecht. De daarin vermelde tenlasteleggingen gelden als hier overgenomen.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – op neer dat de verdachte:
Feit 1 500.00071/23
zich in de periode van 16 mei 2022 tot en met 6 juli 2022 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 66, 69 en 60,5 kilo cocaïne , dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (zaaksdossier Parrot);
Feiten 3 en 4 500.00071/23
zich in de periode van 1 november 2020 tot en met 18 januari 2021 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer uit Curaçao van ongeveer 140 en 172 kilo cocaïne (twee transporten), dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (zaaksdossier Sparrow);
Feit 5 500.00071/23
in de periode van 21 juli 2021 tot en met 30 juli 2021 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (zaaksdossier Crow ZD-01);
Tenlastelegging 500.00007/24
in de periode van 24 juni 2019 tot en met 23 januari 2021 in Curaçao met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de (opzettelijke) uitvoer uit Curaçao van verdovende middelen (zaaksdossier SKY [naam verdachte]);
Tenlastelegging 500.00325/23
zich in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 in Curaçao als medepleger (opzettelijk) schuldig heeft gemaakt aan de invoer in Curaçao van ongeveer 577 pound hennep, dan wel daartoe met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd (zaaksdossier Crow ZD-03).
Vrijspraak van feit 5 (500.00071/23; zaaksdossier Crow ZD-01 )
Dit dossier bevat de resultaten van een onderzoek naar aanwijzingen voor (onder meer) voorbereidingshandelingen van een drugstransport (uitvoer) vanuit de haven van Curaçao omstreeks de maand juli 2021.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde beslissing en overweging daartoe van het Gerecht dient te worden bevestigd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft bij pleidooi vrijspraak bepleit vanwege gebrek aan concreet wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel Hof
Het verwijt aan de verdachte betreft een incident dat heeft plaatsgehad eind juli 2021 waarbij [medeverdachte 1] cocaïne, verpakt in twee sporttassen, (naar zijn zeggen met een ‘contactpersoon’) in een container heeft geplaatst. De cocaïne bleek in een verkeerde container te zijn geplaatst en [medeverdachte 1] heeft ze de volgende dag er weer uitgehaald. Naar zijn zeggen heeft hij de cocaïne toen terug gegeven aan zijn contactpersoon. [Medeverdachte 1] is voor betrokkenheid bij dit feit onherroepelijk veroordeeld.
De resultaten van dit onderzoek bestaan, samengevat en zakelijk weergegeven, uit de inhoud van getapte telefoongesprekken, telefoonlocaties aan de hand van mastgegevens en de verklaringen van [medeverdachte 1].
Het Hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte dit vermeende drugstransport met anderen zou hebben voorbereid, ook niet indien de resultaten in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Het Hof overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat er rondom de betreffende data telefonisch contact is tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Ook zijn er aanwijzingen dat er in de betreffende periode ontmoetingen plaatsvinden tussen de verdachte en [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 1] heeft ook telefonisch contact met [medeverdachte 3], die in verband wordt gebracht met het regelen van duplicaatzegels voor containers. In de communicatie van [medeverdachte 1] met anderen wordt o.a. gesproken over “dat ding dat we verwachten” en over “het in de brievenbus leggen van de originele gele”. [Medeverdachte 1] heeft deze gesprekken geduid als het vermoedelijk in afwachting zijn van verdovende middelen om in een container te plaatsen en het regelen van duplicaatzegels om het te verbreken origineel (van, zo begrijpt het Hof, een containerzegel) te vervangen.
Naar het oordeel van het Hof zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] over de vermeende betrokkenheid van de verdachte voorafgaande aan, dan wel bij het plaatsen van de cocaïne in de container door [medeverdachte 1] onvoldoende duidelijk en overtuigend om de betrokkenheid van de verdachte hierbij te kunnen vaststellen. Ook uit de overige bewijsmiddelen, kan het Hof die betrokkenheid niet in voldoende mate afleiden.
De verdachte zal derhalve ter zake dit feit worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het Hof acht – op grond van de inhoud van de (in het geval van cassatieberoep) in een bijlage II bij dit vonnis op te nemen bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1 primair 500.00071/23; zaakdossier Parrot
hij op meer tijdstippen in de periode van 16 mei 2022 tot en met 19 juni 2022 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 66.080 gram en een hoeveelheid van ongeveer 67.780 gram en een hoeveelheid van ongeveer 60.560 gram (steeds) van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960;
Feit 3 primair 500.00071/23; zaaksdossier Sparrow
hij in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 140.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960;
Feit 4 primair 500.00071/23; zaaksdossier Sparrow
hij in de periode van 3 december 2020 tot en met 18 januari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een hoeveelheid van ongeveer 172.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960;
500.00007/24; zaaksdossier SKY [naam verdachte]
hij op meer tijdstippen in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 februari 2021 te Curaçao en/of Sint Maarten en/of Jamaica en/of Nederland en/of Frankrijk en/of Spanje, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit bedoeld in artikel 3 eerste lid onderdeel A/B van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:
- het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren
van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 3 eerste lid voor te bereiden en te bevorderen
en
artikel 4 eerste lid onderdeel A van de Opiumlandsverordening 1960, te weten: het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren van verdovende middelen zoals genoemd in artikel 4 eerste lid voor te bereiden en/of te bevorderen,
zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,
hebbende hij, verdachte, op meer tijdstippen in voornoemde periode
- telefoon(s) voorhanden gehad en al dan niet met die telefoon(s) contacten onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt en besprekingen gehad met mededaders over het invoeren en/of uitvoeren van cocaïne en andere verdovende middelen en meerdere personen (al dan niet werkzaam bij de haven) benaderd, al dan niet via een tussenpersoon, en aangestuurd om de in- of uitvoer van cocaïne en andere verdovende middelen -al dan niet via de haven van Curaçao- mogelijk te maken en
- al dan niet via een of meer anderen betaald voor het dupliceren van een of meer containerzegels en
- de cocaïne en andere verdovende middelen aangeleverd en
- een of meerdere hoeveelheden cocaïne en andere verdovende middelen voorhanden gehad en verpakt en
- foto's gemaakt van verpakte cocaïne deze verzonden naar mededaders;
primaire feit 500.00325/23; zaaksdossier Crow ZD-03
hij in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960,
een hoeveelheid van ongeveer 577 pound, van een materiaal bevattende hennep, althans enige bereiding van hennep, als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960.
Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen en bespreking van verweren – algemene overwegingen vooraf
Bruikbaarheid en betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn en dat het ondervragingsrecht in dusdanige mate beperkt is geweest, dat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
De procureur-generaal acht de verklaringen van de getuige wel betrouwbaar en is van mening dat deze kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Het Hof overweegt als volgt.
De getuige, tevens medeverdachte, [medeverdachte 1] is veelvuldig gehoord door de politie. Hij heeft in die verhoren ten aanzien van de diverse beschuldigingen zichzelf belast en ook over anderen, waaronder de verdachte, belastende verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn op onderdelen soms specifiek, soms meer algemeen.
De getuige is gedurende het strafproces in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging gehoord door de rechter-commissaris en op de terechtzitting. Bij beide gelegenheden heeft hij sommige vragen wel en sommige vragen niet beantwoord. De getuige heeft op een algemene vraag van de rechter-commissaris geantwoord dat hij zijn politieverklaringen heeft doorgelezen en daar bij blijft.
De rechter-commissaris heeft sommige vragen belet. Ter zitting in eerste aanleg konden deze vragen wel worden gesteld en daarbij gaf hij aan sommige vragen niet te (willen) beantwoorden. Het Hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het ondervragingsrecht gedurende het proces in eerste aanleg beperkingen kende.
Ter zitting in hoger beroep is de getuige, in het bijzijn van de verdediging, opnieuw en onder ede gehoord. Hij was inmiddels onherroepelijk veroordeeld en hem kwam geen verschoningsrecht meer toe aangaande de feiten waarover hij werd gehoord. Hij was ter zitting in hoger beroep fysiek in de rechtszaal aanwezig, de verdediging heeft alle vragen kunnen stellen en de getuige heeft op sommige vragen een inhoudelijk antwoord gegeven, op andere vragen gaf hij aan zich het een en ander niet meer te herinneren. Daarbij gaf hij aan dat dat kwam omdat er heel veel gedachten door zijn hoofd gaan, hij stress ervaart en dat er vragen werden gesteld over zaken die lang geleden zijn gebeurd. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat de getuige zonder grond heeft geweigerd vragen te beantwoorden, zoals de verdediging heeft gesteld.
Het Hof is van oordeel dat de verdediging het ondervragingsrecht op verschillende momenten heeft kunnen uitoefenen en dat, gelet op het voorgaande, de verdediging een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gehad om de getuige vragen te stellen. Resumerend is het proces als geheel eerlijk verlopen en het bezigen voor het bewijs van specifieke gedeelten van de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie levert naar het oordeel van het Hof geen schending op van artikel 6 EVRM.
Dat neemt niet weg dat het Hof – mede gezien de hiervoor geschetste gang van zaken - met behoedzaamheid met de verklaringen van [medeverdachte 1] om zal gaan en per ten laste gelegd feit zal beoordelen in hoeverre de verklaringen betrouwbaar zijn te achten, waarbij zal worden betrokken in hoeverre er steunbewijs is voor zijn verklaringen.
In hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, ziet het Hof geen aanleiding om de verklaringen in zijn geheel onbetrouwbaar te achten of uit te sluiten van het bewijs. Dat [medeverdachte 1] over de verdachte leugenachtige verklaringen heeft afgelegd, acht het Hof niet aannemelijk geworden.
Identificatie gebruikers SKY ECC-accounts
Identificatie SKY ECC-account [account]
Het openbaar ministerie baseert de verdenking dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij meerdere drugstransporten respectievelijk voorbereidingen daartoe, op een veelheid aan SKY ECC-berichten met als deelnemer SKY ECC-account [account]. Dit account wordt door het openbaar ministerie aan de verdachte toegeschreven. Ten aanzien van de beoordeling van een deel van de tenlastegelegde feiten dient het Hof daarom eerst te bepalen of de verdachte daadwerkelijk als gebruiker van dit account kan worden geïdentificeerd.
De belangrijkste bevestiging daartoe is dat de stem van de verdachte bij alle 75 voiceberichten is herkend door de verbalisant (ook bij herhaalde beluistering). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte de bijnamen ‘[bijnaam 1]’ en ‘[bijnaam 2]’ heeft. De gebruiker van SKY ECC-account [account] wordt op meerdere momenten in de tenlastegelegde periode zo genoemd door gebruikers van andere accounts, en zegt ook zelf op 6 april 2020 ‘het is [bijnaam 2]’. Verder is verdachte op 9 april jarig, en ontvangt het account [account] op deze datum felicitaties.
Het Hof is op basis van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat verdachte de gebruiker is geweest van het SKY ECC-account [account].
Identificatie SKY ECC-accounts [account] en [account]
Het openbaar ministerie baseert de verdenking dat de verdachte als medepleger betrokken is bij meerdere drugstransporten respectievelijk voorbereidingen daartoe, eveneens op een veelheid aan SKY ECC-communicatie met de gebruiker van een tweetal andere SKY ECC-accounts, namelijk [account] en [account]. Deze accounts worden door het openbaar ministerie aan de medeverdachte [medeverdachte 4] toegeschreven. Ten aanzien van de beoordeling van een deel van de tenlastegelegde feiten dient het Hof daarom te bepalen of [medeverdachte 4] daadwerkelijk als gebruiker van deze accounts kan worden geïdentificeerd.
De belangrijkste bevestiging daartoe is dat de stem van [medeverdachte 4] bij 246 van de 250 voiceberichten (van beide SKY-accounts) is herkend door de verbalisanten (bij herhaalde beluistering). Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de gebruiker van het SKY ECC-account [account] ‘[bijnaam medeverdachte 4]’ wordt genoemd. Uit de verklaring van [medeverdachte 4] zelf bij de politie d.d. 21 maart 2023 volgt dat zijn bijnaam ‘[bijnaam medeverdachte 4]’ is. Op 22 september 2020 stuurt het account [account] naar [account] dat hij aanstaande 28 jarig is en dat hij 49 jaar wordt. [Medeverdachte 4] is op 28 september jarig en in het jaar 2020 werd hij 49 jaar oud. Verder blijkt dat [medeverdachte 4] twee zoons heeft met zijn partner, [partner medeverdachte 4]. Een van de zoons heet [zoon medeverdachte 4]. De gebruiker van [account] noemt ook deze twee namen. Op 10 december 2020 stuurt het account [account] ‘ik heb een nieuwe, accepteer mij wanneer je wakker wordt’. Vanaf deze datum heeft het account [account] contact met het account [account], waar het account [account] daarvoor contact mee had. Bovendien blijkt dat 8 van de 11 tegenaccounts van het account [account] ook tegenaccounts waren van het account [account]. Ook noemt het account [account] de naam ‘[bijnaam medeverdachte 4]’ in de communicatie met het account [account], wat overeenkomt met hoe de gebruiker van het account [account] werd genoemd.
Het Hof is op basis van deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van de SKY ECC-accounts [account] en [account].
Zaaksdossier Parrot (Feit 1 500.00071/23)
Het zaaksdossier Parrot bevat de resultaten van een onderzoek naar drie containers met kalksteen uit de Mijnmaatschappij die in de periode mei – juli 2022 vanuit Curaçao naar Nederland zijn verscheept en waarin, naar in Nederland bleek, cocaïne werd aangetroffen. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van harddrugs vanuit Curaçao naar Nederland. De containers zouden zijn gevuld op het terrein van de Mijnmaatschappij op 24 mei, 6 juni en 7 juni 2022. De containers hadden alle drie als eindbestemming [bedrijf] te Silvolde.
Het Hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het volgende vast.
Container 1 (TCNU 1683313), gevuld op 24 mei 2022.
Op 23 mei 2022 huurt [medeverdachte 2] een busje van het merk Toyota. Als hij die gaat ophalen, is hij samen met [verdachte].
[medeverdachte 5], de broer van [medeverdachte 2], had op de dagen daaraan voorafgaand geregeld dat een container werd geplaatst op het terrein van de Mijnmaatschappij. Ook regelde hij dat er een Bobcat naar dat terrein werd vervoerd. Hij onderhield de contacten met Cusbro (welk bedrijf de containers leverde) en het transportbedrijf Sunrise Transport, welke het vervoer van de containers naar en van de Mijnmaatschappij uitvoerde. Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 5] is een aantekeningenboekje aangetroffen met daarin gegevens van (de contactpersoon van) [bedrijf]. Hij heeft daarover verklaard dat dat het bedrijf in Nederland was dat om de stenen had gevraagd. Ook zijn facturen aangetroffen van de Mijnmaatschappij die zijn te relateren aan de drie containers. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij deze facturen cash heeft betaald. Ook waren er drie facturen van Sunrise Transport, die hij heeft betaald. Geld daarvoor kreeg hij van iemand over wie hij verder weinig kan verklaren.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben in deze periode geregeld telefonisch contact met elkaar, onder meer over ‘dingen om ze op te vervoeren’ en over een Bobcat. In sommige gesprekken is iemand op de achtergrond te horen, onder andere in een gesprek over een Bobcat. De politie herkende de stem van de verdachte.
Het eerder genoemde witte Toyota busje rijdt in de ochtend van 24 mei 2022 - met kenteken B51-82 - via [adres; verblijfplaats verdachte] en komt rond 13:05 aan bij de Mijnmaatschappij. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte (geregeld) op [adres; verblijfplaats verdachte] verbleef.
Een aan hem te koppelen telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer] legde op 24 mei op dezelfde tijden en dezelfde route af als het busje met kenteken B51-82. De verdachte heeft daar geen verklaring voor gegeven.
Als het busje aankomt op het terrein van de Mijnmaatschappij zijn er drie inzittenden. Twee van hen worden door de politie herkend als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. De derde persoon bestuurt op het terrein van de Mijnmaatschappij een witte Bobcat. Op camerabeelden is bij herhaling te zien dat het busje wordt geopend en dat [medeverdachte 2] heen en weer loopt tussen het busje en de Bobcat en bewegingen maakt die er op lijken te duiden dat hij voorwerpen uit het busje op de Bobcat laadt. Deze rijdt vervolgens de container in. Ook is gezien dat [medeverdachte 2] en de (bestuurder van de) Bobcat zich meermalen tegelijk in de container bevonden.
Nadien wordt de container gesloten en wordt deze op verzoek van [medeverdachte 5] opgehaald en naar de haven gebracht. Het busje verlaat met drie inzittenden (waarvan [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zijn herkend) het terrein van de Mijnmaatschappij en rijdt via de Kaya Koruna (waar [medeverdachte 5] uitstapt) naar de [adres; verblijfplaats verdachte].
De container wordt op het schip Baltic Clipper geladen. Deze vertrekt op 5 juni 2022 naar Nederland en komt daar op 22 juni aan in de haven van Vlissingen. In Nederland wordt de container op 29 juni 2022 vervoerd naar [bedrijf] te Silvolde. Daar komt deze op 29 juni 2022 aan. Op 30 juni wordt gezien dat vanuit de container pakketten uit steenachtig materiaal worden gehaald en in tassen worden geladen en in een auto gezet. De politie heeft de auto aangehouden en vijf big shoppers met pakketten aangetroffen, gelijkend op pakketten cocaïne. Deze zijn getest en gewogen. Het ging in totaal om (ongeveer) 66kg cocaïne.
Containers 2 en 3 (SEGU 7903126 en VICU 888372), gevuld op 6 en 7 juni 2022
Een soortgelijke gang van zaken met betrekking tot het inladen van een container herhaalde zich op 6 en 7 juni 2022.
[medeverdachte 5] heeft de containers geregeld en [medeverdachte 2] heeft het (zelfde) busje met kenteken B-51-82 gehuurd. Hij is de bestuurder van het busje.
6 juni 2022
Gezien is, dat het busje in de ochtend van 6 juni 2022 voor het erf van [adres; verblijfplaats verdachte] staat.
Het busje rijdt van daaruit naar de Kaya Koruna, alwaar [medeverdachte 5] instapt. Bij de Kaya Pachi Jan Bakhuis, stopt het busje en stapt [medeverdachte 5] uit. Er wordt een Bobcat op een takelwagen gezet. [medeverdachte 5] stapt weer in het busje. Het busje en de takelwagen met de Bobcat rijden weg en zowel het busje als de takelwagen met de Bobcat komen even later aan bij de Mijnmaatschappij.
Op camerabeelden van 6 juni met zicht op het terrein van de Mijnmaatschappij heeft de politie het witte busje, de Bobcat en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] herkend.
[medeverdachte 5] stond op enig moment buiten het busje terwijl [medeverdachte 2] achter in het busje iets aan het doen was. NN1 bestuurde de Bobcat.
De container die op 6 juni is ingeladen (SEGU 7903126) wordt na het vullen op verzoek van [medeverdachte 5] opgehaald en dan wordt direct een nieuwe container geplaatst (VICU 888372).
Nadat de container is afgevoerd van het terrein van de Mijnmaatschappij, rijdt het witte busje met drie inzittenden via de Kaya Koruna, waar [medeverdachte 5] uitstapt, in de richting van de [adres; verblijfplaats verdachte]. Het busje rijdt daarna via de Kaya Shilling richting het adres Martha Koosje, waar [medeverdachte 2] uitstapt.
7 juni 2022
Het bekende busje is op 7 juni in de ochtend, op weg naar de Mijnmaatschappij, onderweg gestopt bij een tankstation in Rio Canario. Gezien is dat de verdachte uitstapte en ging tanken. Hierna is het busje doorgereden naar de Mijnmaatschappij. Daar is container 3 op dezelfde wijze gevuld met materialen afkomstig uit het busje met behulp van de Bobcat.
De politie heeft waargenomen dat de bestuurder van de Bobcat steeds dezelfde persoon betrof, aangeduid als NN1.
Op grond van voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het Hof vast dat NN1 (steeds, zowel voor container 1 als voor containers 2 en 3) [verdachte] is geweest.
Containers 2 en 3 vertrekken op 19 juni 2022 op het schip Luzon Strait naar Nederland en komen daar op 6 juli 2022 aan. De eindbestemming was [bedrijf]. De containers worden in de haven van Vlissingen gecontroleerd. Er worden steenachtige ‘bollen’ gevonden die lijken op de ‘bollen’ die op 30 juni in Silvolde waren gezien, komende uit container 1 en waarin pakketten cocaïne waren verpakt. De ‘bollen’ uit containers 2 en 3 worden opengebroken en gecontroleerd en deze blijken pakketten cocaïne te bevatten. Netto gewicht (ongeveer) 60kg cocaïne en (ongeveer) 67kg cocaïne.
De Bobcat die op genoemde drie data is gebruikt, heeft dezelfde kenmerken (namelijk wit met opvallende rode onderdelen en diverse bepaalde beschadigingen) als een Bobcat die op 20 maart 2023 in beslag genomen op het terrein van de [adres; verblijfplaats verdachte].
De verdachte en [medeverdachte 2] hebben op 8 juni 2022 een gesprek over ‘blokken’ en ‘die van Colombia’, waaruit het Hof, mede gezien de overige inhoud van het dossier, afleidt dat zij zich in die periode (die samenvalt met de periode van de onderhavige feiten) bezig hielden met (handel in) cocaïne.
De verdachte en [medeverdachte 2] zijn op 12 september 2022 op bezoek geweest bij [naam betrokkene] (een oom van de verdachte) in de penitentiaire inrichting [plaats] in Nederland. Het gesprek dat zij hadden, is opgenomen. Het gesprek gaat over drie containers, waarover de verdachte opmerkt dat de eerste meteen is gepakt, een soort van op heterdaad, dat ze op de andere twee gingen wachten en dat ook die werden gepakt. [medeverdachte 2] zegt over (die andere twee containers) dat “zodra de ding aankwam, het werd gepakt, niet eens door het normale proces gegaan, aangekomen en meegenomen.”
Het Hof stelt vast dat hetgeen hier wordt besproken, naadloos aansluit bij de gang van zaken rondom de containers 1, 2 en 3. De eerste werd naar Silvolde gestuurd en daar werden verdachten met de cocaïne, afkomstig uit de container, op heterdaad aangehouden. De laatste twee containers zijn in de haven gecontroleerd en daar werd de cocaïne gevonden.
In het gesprek wordt verder gesproken over blokken, 20.000, blokken in Sto. Domingo die duur zijn, een man in Colombia die dingen heeft, de verdachte zal hem bellen. Gezien de overige inhoud van het dossier, houdt het Hof het ervoor dat hier wordt gesproken over (handel in) cocaïne.
De hiervoor geschetste gang van zaken, is in de kern genomen door de verdachte niet concreet betwist. De verdachte heeft zich in zijn verhoren en ter zitting bij het Gerecht en ter zitting in hoger beroep beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn. Op specifieke voorgehouden (mogelijk belastende) feiten en omstandigheden, heeft hij niet gereageerd. Zijn raadsman heeft ten aanzien van dit feitencomplex betoogd dat de observatie dat de verdachte op 7 juni 2022 met de medeverdachten in het busje zat, onvoldoende gewicht in de schaal legt omdat er geen beeldmateriaal is dat dat ondersteunt. Het Hof is van oordeel dat deze observatie, die is vastgelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, wel degelijk redengevend is voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij hetgeen hem wordt verweten. Dat er op dat moment geen foto is gemaakt, wil niet zeggen dat aan de juistheid van de observatie dient te worden getwijfeld. In hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, ziet het Hof evenmin aanleiding om aan de bevindingen te twijfelen.
Het verweer van de raadsman dat de zendmastgegevens te weinig zeggen over waar iemand verblijft, wordt eveneens verworpen. Voor zover de raadsman doelt op de gegevens waarover is gerelateerd met betrekking tot de datum 24 mei 2022, overweegt het Hof dat dit een omstandigheid betreft die in de gegeven context als belastend kan gelden. Daarbij betrekt het Hof dat de telefoon van de verdachte zich op enig moment (net als het busje waarin de gebroeders [achternaam medeverdachte 2 en 5] met een derde persoon zaten) in de buurt van de Mijnmaatschappij bevond, hetgeen op zeer ruime afstand van de verblijfplaats van de verdachte aan de [adres; verblijfplaats verdachte] is gelegen en dat de telefoon zowel in de ochtend, als in de middag (weer) een zendmast in de buurt van de [adres; verblijfplaats verdachte] aanstraalde en daarbij blijkens bevindingen van de politie dezelfde route als het busje aflegde. Aan de verdachte is de mogelijkheid geboden om hierover uitleg te geven. Hij heeft zich evenwel beroepen op zijn zwijgrecht.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs, meermalen gepleegd.
Zaaksdossier Sparrow (feiten 3 en 4, 500.00071/23)
Dit zaaksdossier bevat de resultaten van een onderzoek naar twee drugstransporten van respectievelijk 140 en 172 kilo cocaïne die in november/december 2020 vanuit de haven van Curaçao in containers naar het buitenland zijn verscheept. De lading van 172 kilo cocaïne is door de Franse autoriteiten in Le Havre onderschept. Het onderzoek richtte zich op de vraag wie betrokken was bij het uitvoeren van deze harddrugs vanuit Curaçao.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep bij pleidooi vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing daarvan is – zakelijk weergegeven en samengevat – het volgende gesteld:
Het bewijs ten aanzien van de feiten 3 en 4 onder parketnummer 500.00071/23 leunt zwaar op de inhoud van SKY-berichten. Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] heeft de verdediging geen reële mogelijkheid gekregen om [medeverdachte 1] als getuige te horen, nu hij zich in eerste aanleg op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hij in hoger beroep – vanwege vermeend geheugenverlies – belangrijke vragen onbeantwoord heeft gelaten. De verdediging verzoekt het Hof de verklaringen van [medeverdachte 1] om die reden buiten beschouwing te laten. Ook overigens zijn er diverse bewijsverweren gevoerd, zoals in het schriftelijk pleidooi weergegeven. Tot slot klopt de berekening van 140 kilo cocaïne niet, aldus de verdediging.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van respectievelijk 140 en 172 kilogram cocaïne uit Curaçao. Zij heeft zich daarbij meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte en [medeverdachte 4] bij het transport van 172 kilogram cocaïne geheel kan worden vastgesteld op basis van de SKY-gesprekken, dus los van de verklaringen van [medeverdachte 1].
Beoordeling Hof
Het Hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep het volgende vast.
Zoals hiervoor overwogen heeft het Hof vastgesteld dat [medeverdachte 4] in de ten laste gelegde perioden gebruik heeft gemaakt van SKY-account [account] en dat de verdachte in die periode de gebruiker van SKY-account [account] was. Omwille van de leesbaarheid, zullen hierna de namen van de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 4] worden genoemd in plaats van de accounts die zij gebruikten.
Uitvoer uit Curaçao van 140 kilo cocaïne in de periode van 2 november 2020 tot en met 18 november 2020
Uit de SKY-communicatie blijkt dat zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 4] vanaf 2 november 2020 veelvuldig contact heeft met de gebruiker van SKY-account [account betrokkene]. Hierbij blijken de verdachte en [medeverdachte 4] soms samen te zijn (dan zegt [medeverdachte 4] bijvoorbeeld: “Ik ben hier met [bijnaam 2 verdachte], we zijn bezig” of dan worden in een voicenote de stemmen van zowel [medeverdachte 4] als van de verdachte (op de achtergrond herkend) en wordt ook onderling verwezen naar elkaar (dan zegt [medeverdachte 4] bijvoorbeeld tegen [account betrokkene]: “praat met [bijnaam verdachte]”). Ze spreken daarbij over blokken, containers, de dienst van de containerman, zwanger raken, GPS-apparaten, seals en sturen daarbij foto’s van blokken met daarop verschillende logo’s, sporttassen, verhuisdozen, gele containerzegels en containers/-nummers.
De verdachte meldt aan [account betrokkene] dat ze het logo/merk “RAW” voor 98 kunnen krijgen, maar dat de prijs van de rest niet omlaag kan. Het Hof leidt uit het dossier af dat eerst wordt ingezet op 115 kilo, later wordt dat 140 kilo. [account betrokkene] geeft aan hoe de cocaïne moet worden ingepakt en overlegt daarover met zowel de verdachte als [medeverdachte 4]. De cocaïne wordt per gesealde blokken van 20 in blauwe sporttassen verpakt en de tassen worden in verhuisdozen geplaatst. De verdachte stuurt hiervan foto’s naar [account betrokkene]. Ook wordt gesproken over dat een deel van de lading er in Jamaica moet worden uitgehaald en de rest door moet naar Sint Maarten.
Op 17 november 2020 (00.24 uur UTC-tijd) chat [medeverdachte 4] naar [account betrokkene]: “ze zijn binnen het werk aan het doen.” Dat is op 16 november 2020 om 20.24 uur Curaçaose tijd (UTC-4). Om 20.36 uur (Curaçaose tijd) zegt [medeverdachte 4] in een voicenote aan [account betrokkene] dat het werk klaar is. En: “Elk moment denk ik dat [bijnaam verdachte] het je doorgeeft.”
Het tijdstip van omstreeks 20.30 uur in de avond komt overeen met opvallende bewegingen op en rond het CPS-haventerrein van Curaçao die op camerabeelden (gericht op de toegangspoort) zijn vastgelegd. Op deze beelden heeft de politie de medeverdachten [medeverdachte 1] en CPS-bewaker [medeverdachte 6] herkend; de herkenningen worden bevestigd door [medeverdachte 1] en de CPS-leidinggevende [getuige]. [Medeverdachte 1] rijdt om 19.08 uur met een CPS-pick up (PU2) het haventerrein af. Om 20.15 uur komt deze zelfde CPS-pick up (PU2) aanrijden bij de poort en rijdt (tegen het uit het dossier blijkende CPS-protocol in) zonder bij het beveiligingshuisje te stoppen, het haventerrein op. De poort wordt direct gesloten. Vervolgens wordt om 20.26 uur de poort geopend zonder dat er een voertuig bij de poort staat. Om 20.27 uur komt de CPS-pick up (PU2) zonder verlichting vanaf het haventerrein aanrijden en stopt net buiten de poort. [Medeverdachte 1] stapt aan de bestuurderskant uit en aan de passagierskant stapt een onbekend persoon uit. Deze passagier loopt direct weg. [Medeverdachte 1] parkeert de PU2 vervolgens op het haventerrein. Daarna loopt [medeverdachte 1] de poort uit en rijdt om 20.30 uur weg van de haven in zijn eigen auto.
[Medeverdachte 1] heeft over deze bewegingen c.q. handelingen op 16 november 2020 op de camerabeelden verklaard dat hij (om 20.15 uur) het haventerrein kwam oprijden met een bijrijder en met verdovende middelen in de achterbak van de CPS-pick-up, dat hij en de bijrijder samen de container hebben geopend en [medeverdachte 1] de bijrijder vervolgens bij de container heeft achtergelaten, zodat de bijrijder de verdovende middelen in de container kon stoppen en dat [medeverdachte 1] hem enige tijd later weer heeft opgehaald.
Uit het vervolg van de SKY-conversatie blijkt het volgende.
De verdachte stuurt aan [account betrokkene] op 16 november 2020 om 21.13 uur Curaçaose tijd foto’s van een verbroken gele verzegeling en van een intacte gele verzegeling (met hetzelfde nummer), een foto van de verzegeling in een blauw slot en een foto van een container met nummer THRU2398660. Direct daarna stuurt hij een foto van een papier met daarop: vessel: Pacific Trader, 16-11-2020, destination Jamaica. Op 18 november 2020 stuurt de verdachte foto’s naar [account betrokkene] van de loadlist van de Pacific Trader waar de container met nummer THRU2398660 op staat. Hij bericht dat ze het al hebben opgetild en erin hebben gedaan en dat het schip om 6 uur is vertrokken. Uit opgevraagde informatie over de route van de container THRU2398660 blijkt dat de container op 16 november 2020 “in-gate” in Willemstad was, dat de container op 17 november 2020 op het schip is geladen en dat het schip op 25 november 2020 in Kingston (Jamaica) is aangekomen.
Uitvoer uit Curaçao van 172 kilo cocaïne in de periode van 1 december 2020 tot en met 18 januari 2021
Een soortgelijke gang van zaken met betrekking tot een drugstransport in een container vanuit de haven in Curaçao, voltrok zich op en rond 5 december 2020.
Uit de SKY-gesprekken blijkt dat de verdachte op 3 december 2020 naar [account betrokkene] chat dat ze het deze week gaan zetten en dat de GPS aan het opladen is. Op 5 december 2020 meldt [medeverdachte 4] aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden en geeft aan dat er geld moet komen. Ook de verdachte meldt op diezelfde datum aan [account betrokkene] dat ze een bak hebben gevonden. Hij vraagt of [account betrokkene] kan controleren of de GPS-devices het doen. [account betrokkene] antwoordt dat de verdachte ze aan moet zetten. Op 6 december 2020 stuurt [medeverdachte 4] foto’s naar [account betrokkene] van vier gesealde dozen met daarop de teksten “LarHarve” en “Take out”. De verdachte stuurt [account betrokkene] diezelfde dag een foto van een container en een foto van een gele zegel.
[medeverdachte 4] vertelt [account betrokkene] later die dag dat het ding niet wilde sluiten vanwege het gewicht van boven en dat de jongen iets omhoog moest tillen.
[medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat de deur van de container niet wilde sluiten nadat de verdovende middelen in de container waren geladen en dat hij een breekijzer heeft gehaald, zodat de container een beetje omhoog kon worden getild en toch kon worden gesloten. [medeverdachte 1] heeft voorts over dit transport verklaard dat hij met de verdovende middelen en de contactpersoon het haventerrein is opgereden en dat [medeverdachte 6] de poort heeft opengedaan, van de verdovende middelen afwist en heeft geholpen om de containerdeur te sluiten, omdat hiervoor extra mankracht nodig was.
Op de camerabeelden van de ingang van het CPS-haventerrein in Curaçao zijn in de nacht van 5 op 6 december 2020 bewegingen waargenomen die aansluiten bij de tijdlijn van de SKY-communicatie en de verklaringen van [medeverdachte 1] ondersteunen. Omstreeks 23.00 uur is te zien dat een witte pick-up het haventerrein oprijdt zonder (conform het protocol) bij de poort te stoppen, en direct doorrijdt naar de containers. Even later is te zien dat [medeverdachte 1] en een beveiliger (die door de politie wordt herkend als [medeverdachte 6]) iets zoeken onder het trapgedeelte van het beveiligershuisje. Kort daarna loopt [medeverdachte 1] richting de containers op het haventerrein met een voorwerp in zijn hand dat lijkt op een koevoet.
Op 18 januari 2021 worden in Le Havre in Frankrijk in een container afkomstig uit Barbados een drietal dozen aangetroffen met daarop de tekst “LarHarve”, geschreven in hetzelfde handschrift als op de dozen op de foto die [medeverdachte 4] op 6 december 2020 naar [account betrokkene] heeft verzonden. In elke doos bevonden zich twee stoffen sporttassen met daarin 153 blokken cocaïne met een totaalgewicht van ongeveer 172 kilo. Op de gesealde blokken stonden afbeeldingen van een zon en de tekst “REAL”. Ook werden twee GPS-trackers aangetroffen.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in zijn politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn. Op specifiek voorgehouden (mogelijk) belastende feiten en omstandigheden heeft hij niet gereageerd.
SKY ECC-communicatie
Het verweer dat de verdenking van de verdachte in overwegende mate berust op cryptocommunicatie, mist naar het oordeel van het Hof, gezien de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen daaromtrent hiervoor is vastgesteld, feitelijke grondslag. Immers is door de douane in Frankrijk op 18 januari 2021 een lading cocaïne aangetroffen verpakt in dozen waarmee de verdachte in verband kan worden gebracht. Dit gegeven is niet alleen redengevend voor het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 3 (de 172 kilo), maar draagt naar het oordeel van het Hof, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, tevens bij aan de overtuiging dat ook ten aanzien van feit 2 (de 140 kilo), buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het om cocaïne ging. Daarnaast bestaat het bewijs voor beide transporten mede uit camerabeelden van de (toegangspoort van de) haven – die hetgeen in de cryptocommunicatie wordt besproken, ook in de tijdlijn, sterk ondersteunen – en de verklaringen van [medeverdachte 1], waarin wordt bevestigd dat de camerabeelden op zowel 16 november als op 5 december 2020 verband houden met het plaatsen van verdovende middelen in containers op die avonden.
Ten aanzien van de inhoud van de cryptocommunicatie stelt het Hof voorop dat het daarmee bij de beoordeling van de tenlastelegging behoedzaam is omgegaan, gelet op de aard en inhoud van de communicatie, de onvolledigheid van (delen van) die communicatie en mogelijke (op onderdelen) met vertaling gepaard gaande ruis. De aanzienlijke hoeveelheid aan berichten die door de verdachte en enkele medeverdachten zijn verzonden kennen echter een chronologisch verloop dat goed te volgen is, waarbij ook foto’s zijn verzonden van blokken met logo’s, dozen (met opschrift), sporttassen, gesealde pakketten, containers en containerzegels en waarbij – vanwege de hoeveelheid berichten – de duiding van een eenzijdig bericht (telkens) steun vindt in opvolgende berichten.
De getuige [medeverdachte 1]
Ten aanzien van het verweer ter zake het niet voor het bewijs kunnen bezigen van (verdachte)verklaringen van [medeverdachte 1] wegens het ontbreken van ondervragingsmogelijkheid van [medeverdachte 1] als getuige, wordt verwezen naar hetgeen daarover hiervoor in algemene zin is overwogen. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen ten aanzien van de onderhavige feiten overweegt het Hof nader als volgt.
De verklaring van [medeverdachte 1] dat hetgeen in de avond van 16 november 2020 en in de nacht van 5 op 6 december 2020 op de camerabeelden van de haven is te zien, verband houdt met de uitvoer van verdovende middelen, staat niet op zichzelf. De in de bewezenverklaring opgenomen gedragingen van de (mede)verdachte(n) in de betreffende pleegperioden kunnen mede bewezen worden op grond van andere bewijsmiddelen, die steun geven aan de hiervoor genoemde verklaringen en betrekking hebben op hetgeen de verdachte (in algemene zin) betwist. Zoals reeds is overwogen, sluiten de camerabeelden naadloos aan op (de tijdlijn) van de SKY-communicatie. Een inhoudelijk treffende gemene deler tussen alle drie de (typen) bewijsmiddelen (de SKY-communicatie, de camerabeelden en de verklaringen van [medeverdachte 1]) is de chat van [medeverdachte 4] aan [account betrokkene] over de container die niet dichtging, het camerabeeld waarop is te zien dat [medeverdachte 1] met een op een koevoet gelijkend voorwerp op het haventerrein richting de containers loopt en hetgeen [medeverdachte 1] daarover heeft verklaard. Van belang is hierbij dat [medeverdachte 1] deze “anekdote” spontaan, uit zichtzelf vertelt als de politie hem de camerabeelden van die nacht laat zien. Een ander voorbeeld betreft de ondersteuning van de camerabeelden bij de uitleg van [medeverdachte 1] over de vaste werkwijze bij drugstransporten, waarbij een bewaker in het complot moet zitten, zodat in afwijking van het havenprotocol de toegangspoort wordt geopend zonder dat er een toegangscontrole en of registratie plaatsvindt.
De ondersteuning van deze andere bewijsmiddelen draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat het Hof voornoemde (delen van de) verklaringen van [medeverdachte 1] geloofwaardig en betrouwbaar acht. In het betrouwbaarheidsoordeel heeft het Hof eveneens meegenomen dat [medeverdachte 1] in zijn verklaringen ook zichzelf behoorlijk heeft belast en intussen (ook) voor deze feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Het aantal kilo’s (feit 2)
De verdediging heeft gesteld dat de berekening van het aantal van 140kg niet klopt.
Uit de inhoud en het verloop van de SKY-communicatie is naar het oordeel van het Hof duidelijk af te leiden dat de verdachte, [medeverdachte 4] en de gebruiker van SKY-account [account betrokkene] eerst een transport van 115 kilo voor ogen hebben gehad, maar dat deze lading is vermeerderd naar 140 kilo. Deze hoeveelheid wordt meermalen herhaald, waarbij ook wordt afgesproken dat 22 kilo apart moet worden verpakt om eruit gehaald te worden, de rest moet door naar Sint Maarten. De gebruiker van [account betrokkene] drukt een andere SKY-gebruiker op 18 november 2020 bovendien nog eens op het hart dat sprake is van 140, waarvan 118 voor Sint Maarten bestemd is.
Overig
Het Hof laat bespreking van het bewijsverweer over de herkenning van de verdachte op de camerabeelden buiten beschouwing, omdat het Hof die stukken niet voor het bewijs heeft gebezigd.
Conclusie
Concluderend kan naar het oordeel van het Hof uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen betrokken was bij de twee drugstransporten. Hij vervulde daarin een belangrijke rol.
Het Hof is aldus van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs.
Zaaksdossier SKY [naam verdachte] (500.00007/24)
Verdachte wordt – in de kern – verweten dat hij op meerdere momenten in de periode van 24 juni 2019 tot en met 23 januari 2021 te Curaçao, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot drugstransporten.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich – kort en zakelijk samengevat – op het standpunt gesteld dat het bewijs in deze zaak volledig bestaat uit SKY ECC-berichten die uit één en dezelfde bron komen en dat elk ander steunbewijs ontbreekt. Voort stelt hij dat de datasets onvolledig zijn en onvoldoende context bieden, waardoor niet kan worden vastgesteld wat er precies wordt besproken en of dit daadwerkelijk betrekking heeft op strafbare feiten of op de verdachten. Nu er geen aanvullende bewijsmiddelen zijn, wordt niet voldaan aan het bewijsminimum.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich – kort en zakelijk samengevat – op het standpunt gesteld dat het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor drugstransporten wettig en overtuigend kan worden bewezen. De betrokkenheid van de verdachte volgt rechtstreeks uit de SKY-gesprekken, waarin hij als gebruiker van het account [account] is optreden. De inhoud van de berichten laat geen andere uitleg toe dan dat daarin de voorbereiding van grootschalige drugstransporten wordt besproken, mede door de foto’s, de gebruikte terminologie, de genoemde landen, hoeveelheden en geldbedragen.
Beoordeling Hof
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte via zijn SKY ECC-account [account] in de ten laste gelegde periode intensief communiceerde met gebruikers van andere accounts.
In deze gesprekken wordt stelselmatig gesproken in termen die in de context niet anders kunnen worden verstaan dan als (voorbereidingen van de) handel in verdovende middelen, te weten cocaïne en hennep/marihuana. In deze berichten worden concrete termen gebruikt als blokken, stenen, kilo, seal/zegel, container, schip, bakken, GPS-apparatuur die in ladingen wordt geplaatst en wordt er gesproken over het gebruik van een machine om containerzegels te maken. Voorts zijn er foto’s van verpakte blokken aangetroffen, met logo’s die overeenkomen met de in de gesprekken genoemde merknamen, zoals ‘Gatorade’ en ‘Louis Vuitton’. Daarnaast worden er verschillende doorvoer- en bestemmingslocaties genoemd, zoals Cartagena, Maicao, Cúcuta, Venezuela, Curaçao, Jamaica, Suriname en Antwerpen. Ook worden zeer grote geldbedragen genoemd, onder meer 240.000 gulden, bedragen van 155.000 tot 485.000 gulden bij ‘de Chinees’ en zelfs 3 miljoen, telkens in verband met het verkopen of kopen van de drugs. Uit de genoemde hoeveelheden, zoals ‘meer dan 30 blokken’, ‘100 voor weinig’, ‘20 of 30 kilo per week’, ‘25 Gatorade’, ‘en zelfs ‘500 kilo’, blijkt dat het bovendien gaat om grootschalige drugstransporten.
Uit de SKY ECC-berichten volgt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen werkte, waarbij (ook) de verdachte een belangrijke rol vervulde.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in de politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn.
Naar het oordeel van het Hof kan elk SKY ECC-bericht worden beschouwd als ‘een ander geschrift’ in de zin van artikel 387, lid 1 onder e Sv. Een dergelijk geschrift kan alleen voor het bewijs gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hun beurt ook een ‘ander geschrift’ kunnen zijn. Dit betekent dat, indien en voor zover de inhoud van een SKY ECC-bericht als bewijs steun vindt in een ander SKY ECC-bericht, wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Uit het voorgaande volgt tevens dat – anders dan de raadsman heeft betoogd – bij de onderscheiden SKY ECC-berichten geen sprake is van een en dezelfde bron.
Ten aanzien van de inhoud van de cryptocommunicatie herhaalt het Hof dat het daarmee behoedzaam is omgegaan bij de beoordeling van de tenlastelegging, gelet op de aard en inhoud van de communicatie en de onvolledigheid van (delen van) die communicatie De aanzienlijke hoeveelheid aan berichten die door de verdachte en enkele medeverdachten zijn verzonden kennen echter een chronologisch verloop dat goed te volgen is, waarbij ook foto’s zijn verzonden en waarbij – vanwege de hoeveelheid berichten – de duiding van een eenzijdig bericht (telkens) steun vindt in opvolgende berichten.
Dat sprake is van communicatie over drugs blijkt (ook) reeds uit de communicatie zoals hiervoor weergegeven ten aanzien van de bevindingen in onderzoek Sparrow, welke samenvallen met het onderhavige verwijt en de hierna te bespreken bevindingen in onderzoek CROW-3 (invoer hennep). Die beide zaaks-dossiers bevatten bovendien steunbewijs voor hetgeen in de SKY-communicatie wordt besproken.
Het Hof is gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de (opzettelijke) uitvoer van harddrugs en invoer van softdrugs.
Zaaksdossier Crow ZD-03 (500.00325/23)
De verdachte wordt primair verweten dat hij zich in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 24 oktober 2020 in Curaçao, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ongeveer 577 pound hennep.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft – samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat het hier ging om de invoer van 577 pond wiet.
Standpunt procureur-generaal
De procureur-generaal heeft zich – kort en zakelijk samengevat – op het standpunt gesteld dat het medeplegen van de invoer van 577 pound hennep wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de SKY-gesprekken tussen de verdachte en medeverdachten blijkt onmiskenbaar dat zij betrokken waren bij het organiseren en uithalen van een drugstransport. Uit de specifieke terminologie, foto’s van container- en zegelnummer en het inzetten van een huurauto komt een beeld naar voren van hun betrokkenheid. [Medeverdachte 4] hield zich bezig met de coördinatie en de financiële afspraken, terwijl de verdachte de praktische organisatie van de uithaal op zich nam en contact onderhield met personen binnen de haven, aldus de procureur-generaal.
Beoordeling Hof
Uit de SKY ECC-gesprekken tussen [medeverdachte 4], de verdachte en de accounts [account betrokkene] en [account] blijkt dat [account betrokkene] op 5 oktober 2020 aangeeft ‘weed’ nodig te hebben in Curaçao en dat het eiland ‘ready is for the ship’. Op 9 oktober 2020 stuurt [account] foto’s van een container en bijbehorende zegel (TCKU3865164 / ZZCSN2772O) naar [account betrokkene], waarvan later uit een vrachtbrief blijkt dat deze 359 dozen kerstverlichting bevat. [account] bevestigt dat 13 tassen worden verstuurd, waarna [account betrokkene] dit doorstuurt naar de verdachte. [medeverdachte 4] en de verdachte bespreken vervolgens de benodigde seal, de kosten daarvan en de betalingen voor het uithalen. [medeverdachte 4] dringt vanaf 10 oktober 2020 bij [account betrokkene] aan op geld voor de seal en meldt op 12 oktober 2020 dat 10.000 gulden nodig is en er ook een busje moet worden gehuurd. Op 17 oktober 2020 meldt [medeverdachte 4] aan [account betrokkene] dat ‘seal en busje’ gereed staan; het gaat om een grijze Toyota Hiace (A-26-60), gehuurd door [medeverdachte 4] en de verdachte van 17 t/m 23 oktober 2020, zo blijkt uit de administratie van het autoverhuurbedrijf ECOM Car Rental. Vanaf 18 oktober 2020 houden beiden [account betrokkene] op de hoogte van de situatie in de haven, de aankomst van de container en het uithalen. De verdachte geeft op 21 oktober 2020 aan dat hij de ‘jongen van het poort/het hek’ heeft gesproken, dat deze aanwezig zal zijn en dat het uithalen alleen kan met deze insiders. [Medeverdachte 4] bevestigt dat ‘de gozer het er morgen uithaalt’ en dat het is aangekomen in ‘een bak met verlichting/lampen’, hetgeen overeenkomt met de hiervoor vermelde inhoud van de betreffende container TCKU3865164. Op 23 oktober 2020 deelt [medeverdachte 4] mee dat de hennep is uitgenomen. [account betrokkene] reageert dat het om ‘goede wiet’ gaat. In de nacht van 23 op 24 oktober 2020 berekent de verdachte het gewicht; omgerekend naar de Curaçaose maat betreft de lading 577 pound.
De hiervoor geschetste gang van zaken en het aandeel van de verdachte daarin, is in de kern genomen door de verdachte niet betwist. Hij heeft zich in de politieverhoren en ter zitting bij het Gerecht en in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft enkel verklaard onschuldig te zijn.
Uit het voorgaande kan naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 577 pound hennep.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair, 3 primair en 4 primair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00071/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en/of d en/of e en A en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960, meermalen gepleegd.
Het op de tenlastelegging met parketnummer 500.00007/24 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D, 3a, eerste lid, onderdeel A, B of D, voor zover opzettelijk gepleegd, of artikel 4, eerste lid, onderdeel A, voor zover opzettelijk gepleegd, van de Opiumlandsverordening 1960, door zich of een ander gelegenheid, middelen, of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Het onder 1 primair van de tenlastelegging met parketnummer 500.00325/23 bewezenverklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en/of c en/of d en A en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a van de Opiumlandsverordening 1960, juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
Ook heeft het Hof acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor drugsbezit tot 25 kilo als indicatie de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden gegeven. Voor de hoeveelheden als in de zaak van de verdachte bewezen verklaard, zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Het gaat hier (meermalen) om de uitvoer van een veelvoud in kilo’s in georganiseerd verband.
Het Hof neemt met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde het volgende in beschouwing.
De verdachte heeft samen met anderen opzettelijk in meerdere transporten vijf containers met daarin in totaal ruim 500 kilo cocaïne uit Curaçao uitgevoerd. Daarnaast heeft hij samen met anderen ruim 570 pound hennep in Curaçao ingevoerd en samen met anderen voorbereidingshandelingen gepleegd voor grootschalige handel (met name export) in verdovende middelen. Dergelijke hoeveelheden zijn van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze hoeveelheden bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. De verdachte heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit dat gepaard pleegt te gaan met ernstige vormen van geweld en criminaliteit en waarvan een ondermijnend en corrumperend effect uitgaat, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Het gebruik van harddrugs is bovendien verslavend en zeer schadelijk voor de volksgezondheid en daar heeft de verdachte aan bijgedragen. Het Hof acht voorts aannemelijk geworden dat met de drugshandel grote geldbedragen gemoeid zijn geweest, hetgeen eveneens een ondermijnend effect heeft op de Curaçaose samenleving. Het Hof weegt al deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat in zekere zin (deels) sprake is van samenloop tussen enkele van de bewezen verklaarde concrete uitvoer-/invoerdelicten en de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen.
Het Hof heeft voorts acht geslagen op hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. De raadsman heeft betoogd dat verdachte een belangrijke zorg- en kostwinnersrol vervult en dat zijn detentie zware emotionele en financiële gevolgen heeft voor zijn gezin, in het bijzonder voor zijn echtgenote en kinderen. Daarbij is gewezen op internationale aanbevelingen waaruit volgt dat detentie van een ouder negatieve invloed kan hebben op de ontwikkeling van kinderen. Verdachte heeft zelf aangevoerd dat hij door zijn detentie zijn drie jonge kinderen nauwelijks ziet en dat de bezoeken voor hen emotioneel zwaar zijn. Ook wees hij op de situatie van zijn bedlegerige grootmoeder, voor wie hij dagelijks zorgde en die het nu zonder zijn hulp moet stellen. Het Hof heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de gezinsleden van de verdachte en zijn grootmoeder zich bevinden door de detentie van de verdachte. Deze detentie is evenwel een direct gevolg van de door het Hof bewezenverklaarde ernstige strafbare feiten waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt. De gevolgen voor zijn naasten komen dan ook geheel voor zijn rekening.
Het Hof is na afweging van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf van elf jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
In beslag genomen voorwerp
Aan de orde is een in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een Bobcat.
De procureur-generaal heeft verbeurdverklaring van het voorwerp gevorderd. De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
Vast is komen te staan dat het onder feit 1 van parketnummer 500.00071/23 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp is begaan en/of voorbereid.
Het Hof zal daarom de verbeurdverklaring gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:67, 1:68 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 7 juni 2024 voor zover gericht tegen de vrijspraak van hetgeen de verdachte onder 2 van parketnummer 500.00071/23 ten laste is gelegd;
vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 van parketnummer 500.00071/23 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 3 primair en 4 primair van parketnummer 500.00071/23 ten laste gelegde feiten heeft begaan, alsmede dat hij hetgeen op de tenlastelegging met parketnummer 500.00007/24 en het primaire feit van de tenlastelegging met parketnummer 500.00325/23 heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 11 (elf) jaren;
beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een Bobcat.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, voorzitter, mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. D.M. Thierry, leden van het Hof, bijgestaan door mr. P. Dingemanse en mr. M.T. Maas, (zittings)griffiers, en op 18 december 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.
Mrs. Thierry en Maas zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.