Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202103353 en CUR2024H00050
Uitspraak: 24 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. S.K. Snel,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
3. [geïntimeerde 3],
4. [geïntimeerde 4] en
5. [geïntimeerde 5],
wonend in [woonplaats A] (1 en 3) respectievelijk [woonplaats B] (2, 4 en 5),
in eerste aanleg gedaagden,
thans geïntimeerden,
gemachtigde: mr. A. Huizing.
Partijen worden hierna ook [appellante] en de [geïntimeerden] genoemd.
De zaak in het kort
Appellante is de dochter van erflaatster uit haar tweede huwelijk. Geïntimeerden zijn de kleinkinderen van erflaatster uit haar eerste huwelijk. Beide partijen wensen verdeling van de nalatenschap die bestaat uit twee woningen op huurgrond. Het Gerecht heeft de ene woning toebedeeld aan appellante en de andere aan geïntimeerden en hun moeder, een betalingsverplichting van de een wegens overbedeling en van de ander wegens verhuur en gebruik vastgesteld, en na verrekening geïntimeerden veroordeeld tot betaling. Het Hof bevestigt het vonnis.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 23 februari 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen haar en de [geïntimeerden], met hun in de loop van de procedure in hoger beroep overleden moeder (verder: ]betrokkene] en gezamenlijk [betrokkenen]), gewezen en op 15 januari 2024 uitgesproken eindvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
Bij op 4 april 2024 ingekomen memorie van grieven, met een productie, heeft [appellante] een grief tegen het vonnis aangevoerd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdeling zal corrigeren aldus dat een hogere door [betrokkenen] aan [appellante] te betalen gebruiksvergoeding en huuropbrengst worden vastgesteld, kosten rechtens.
Bij op 17 juni 2024 ingekomen memorie van antwoord, met producties, hebben [betrokkenen] de grief bestreden en verzocht [appellante] in haar vordering
niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van beide instanties.
Op 15 oktober 2024 hebben geïntimeerden een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 november 2025. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden en hebben verwijzing naar de rol gevraagd om zich uit te laten over een minnelijke regeling dan wel over de gevolgen voor deze procedure van het overlijden van [betrokkene].
Beide partijen hebben een akte genomen, een minnelijke regeling is niet bereikt.
2. De beoordeling
Feiten
Het Gerecht heeft in zijn tussenvonnis van 23 januari 2023 feiten vastgesteld, waartegen het hoger beroep en de grief niet zijn gericht en waarbij het Hof geen bedenkingen heeft. Voor de leesbaarheid van dit vonnis herhaalt het Hof die feiten deels en vult het deze aan.
Op 28 juni 1999 is, zonder een testament te hebben opgemaakt, overleden [erflaatster] (verder: erflaatster). Erflaatster is gehuwd geweest met [persoon 1]. Uit dit huwelijk is (naast een jong en kinderloos overleden zoon) geboren [kind 1]. [kind 1] is gehuwd met [betrokkene]. Uit dat huwelijk zijn de [geïntimeerden] geboren. [kind 1] is overleden op [overlijdensdatum 2009].
Na ontbinding van het huwelijk met [persoon 1] is erflaatster gehuwd met [persoon 2]. Uit dat huwelijk is [persoon 2] geboren. [persoon 2] is overleden [overlijdensdatum] 1987.
Volgens de verklaring van erfrecht van 7 april 2000 moet worden aangenomen dat [kind 1] en [appellante] tezamen voor het geheel en met uitsluiting van ieder ander gerechtigd waren tot de nalatenschap van erflaatster.
Volgens de verklaring van erfrecht van 13 november 2020 heeft [kind 1] niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt en zijn ingevolge de wet zijn echtgenote [betrokkene] en vijf in leven zijnde kinderen (de [geïntimeerden]) zijn enige erfgenamen.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoren in elk geval de rechten op de onroerende zaken, woningen gebouwd op huurgrond, aan de adressen [adres A] en [adres B] in Curaçao. [betrokkene] woonde ten tijde van het overlijden van erflaatster samen met [kind 1] op [adres A] en is daar na diens overlijden blijven wonen. [adres B] was ten tijde van het overlijden van erflaatster in gebruik bij derden, deels ten titel van huur. De huur werd geïnd door [kind 1] en [betrokkene].
Vordering
[appellante] vorderde in eerste aanleg en vordert thans de vaststelling van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster, bestaande uit de rechten op genoemde onroerende zaken.
Beslissingen van het Gerecht
Het Gerecht heeft bij het bestreden vonnis:
a. [adres A] toebedeeld aan [betrokkenen] en [adres B] aan [appellante], en beslist dat [appellante] wegens overbedeling NAf 5.000 aan [betrokkenen] moet betalen;
b. beslist dat [betrokkene] wegens bewoning gedurende 25 jaar van het gemeenschapsgoed [adres A] NAf 19.000 aan [appellante] moet betalen en haar daartoe veroordeeld;
c. beslist dat [betrokkene] c.s. 50% van de begrote huuropbrengsten van [adres B] NAf 6.525, aan [appellante] moeten betalen;
d. na verrekening van de onder a en c genoemde bedragen [betrokkenen] veroordeeld om aan [appellante] NAf 1.525 te betalen,
e. de proceskosten gecompenseerd.
Beoordeling door het Hof
Partijen in dit geding
De procedure in eerste aanleg is begonnen met [appellante] als eiseres en [betrokkene] als gedaagde. Blijkens het tussenvonnis van 17 april 2023 zijn [betrokkene]’s vijf kinderen de [geïntimeerden] - via plaatsvervulling elk voor 1/12 deelgerechtigde in de nalatenschap - vrijwillig naast [betrokkene] verschenen. [betrokkene] is, zoals bij de mondelinge behandeling op 5 november 2025 door de gemachtigde van [geïntimeerden] meegedeeld, overleden, naar uit de akte van
13 januari 2026 blijkt: op 17 januari 2025. De gemachtigde van [geïntimeerden] heeft bij die akte laten weten dat de [geïntimeerden] (gedaagden/geïntimeerden 2 t/m 6) “de procedure overnemen met gevolgen voor de nalatenschap”. Zij zijn daarom in de kop van dit vonnis opgenomen als geïntimeerden 1 t/m 5.
In zijn akte van 18 november 2025 maakt de gemachtigde van [appellante] aanspraak op afgifte door de Honoly’s van een verklaring van erfrecht waaruit blijkt (1) wie de erfgenamen van [betrokkene] zijn, (2) of zij de nalatenschap hebben aanvaard en (3) of zij bevoegd zijn haar te vertegenwoordigen. Het Hof verwerpt deze aanspraak omdat (1) het in deze zaak gaat om de rechten op de beide genoemde onroerende zaken die deel uitmaken van de nalatenschap van erflaatster, terwijl vaststaat dat de [geïntimeerden] (via eerst [kind 1] en vervolgens [betrokkene]) thans elk voor 1/10 deel en [appellante] voor 1/2 deel in díe gemeenschap de rechthebbenden zijn, (2) het overnemen van de procedure een gedraging als bedoeld in art. 4:192 lid 1 BW is die duidt op voorbehoudloze aanvaarding van de nalatenschap van [betrokkene] en (3) door het overnemen van de procedure door de [geïntimeerden] vertegenwoordiging van de overleden mede-geïntimeerde [betrokkene] niet meer aan de orde is.
Onderwerp van dit geding
Anders dan geïntimeerden als gedaagden in eerste aanleg (zonder ter zake in reconventie iets te vorderen) hebben gesteld en in hoger beroep (zonder ter zake incidenteel hoger beroep in te stellen) hebben herhaald, was en is [appellante] niet verplicht om in deze procedure ook verdeling te vorderen van het aandeel van erflaatster in de nalatenschap van haar tweede echtgenoot [persoon 3], of die verdeling anderszins in deze procedure te betrekken. Uit artikel 3:178 BW volgt dat een deelgenoot de verdeling van (slechts) een bepaald gemeenschappelijk goed kan vorderen. Het stond [appellante] dus vrij om haar vordering te beperken tot vaststelling van de verdeling van de twee onder 2.1.5 genoemde, tot de nalatenschap van erflaatster behorende onroerende zaken.
betrokkene] en/of de [geïntimeerden] hadden op de voet van art. 3:179 BW kunnen vorderen dat meer goederen en schulden die zij menen gemeenschappelijk met [appellante] te hebben in de verdeling worden betrokken maar hebben dit nagelaten. Het Hof zal dus over de juistheid van de in de eerste zin van de vorige overweging genoemde stelling van geïntimeerden niet oordelen. Het Gerecht heeft dit overigens, in rov. 4.3 van zijn tussenvonnis van 23 januari 2023, wel gedaan en overwogen:
‘Mocht de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap van [appellante] niet zijn verdeeld dan komt dat in ieder geval niet ten nadele van [betrokkene], omdat [kind 1] in die nalatenschap geen deelgenoot was en het aandeel van erflaatster wel in haar nalatenschap valt.’
Tegen deze overweging is geen grief gericht en zij komt het Hof juist voor.
Grief
Het Gerecht is er, op basis van de stellingen van partijen voor zover ondersteund door bewijsmiddelen en onvoldoende gemotiveerd betwist, bij het bepalen van de door [ aan [appellante] te betalen vergoedingen van uitgegaan dat [adres B] (1) van juni 1999 tot en met mei 2003 en
(2) over de jaren 2009 en 2010 verhuurd is geweest, en toen huur heeft opgebracht van (1) NAf 3.450 respectievelijk (2) NAf 9.600, in totaal NAf 13.050. Op grond hiervan heeft het Gerecht geoordeeld dat [betrokkene] NAf 6.525 (de helft van de aldus begrote huuropbrengsten) aan [appellante] moet betalen.
Met haar grief betwijfelt [appellante] de juistheid van deze aannamen en stelt zij dat moet worden uitgegaan van aan [betrokkene] ten goede gekomen huuropbrengsten over de hele periode vanaf de datum van overlijden van erflaatster tot de datum van verdeling, dan wel een te verdelen opbrengst moet worden toegekend aan bewoning van [adres B] door familieleden van [betrokkene] in de perioden waarin de woning niet werd verhuurd.
De grief treft geen doel en het Hof ziet ambtshalve geen grond voor twijfel aan de juistheid van de begroting door het Gerecht van de huuropbrengsten van [adres B]. [appellante] heeft met de stelling dat onaannemelijk is dat de woning lange tijd leeg heeft gestaan het tegendeel, dat de woning nagenoeg permanent verhuurd is geweest, niet aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen. [appellante] heeft ook niet voldoende specifiek aangeboden dit te bewijzen terwijl de bewijslast van de grondslag van haar vordering - een hogere te verdelen huuropbrengst dan door het Gerecht begroot - op haar rust. Ook de juistheid van haar stelling dat de woning in perioden waarin deze niet was verhuurd werd bewoond door familieleden van [betrokkene] heeft [appellante] niet bewezen of voldoende specifiek aangeboden te bewijzen. [appellante] heeft bij de memorie van grieven foto’s overgelegd waarop kinderen in en op het erf van een woning te zien zijn. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt hieruit niet af te leiden dat [adres B] lange tijd is bewoond door familieleden van [betrokkene]. Het oordeel dat zodanige bewoning als te verdelen opbrengst van een door [betrokkene] geëxploiteerd gemeenschapsgoed zou moeten gelden, kan op de grief zoals toegelicht niet worden gebaseerd.
Overige oordelen van het Gerecht
Zonder tegen die beslissing incidenteel hoger beroep in te stellen, hebben [betrokkenen] in de memorie van antwoord gesteld dat het bestreden vonnis in hun nadeel is doordat het Gerecht geen aanleiding zag om de door hen gemaakte kosten van renovatie van [adres B] te verdelen.
Naar het oordeel van het Hof heeft het Gerecht met juistheid beslist om deze verdeling (verrekening van de renovatiekosten met de huuropbrengsten) achterwege te laten: in de eerste plaats omdat [geïntimeerden] zonder instemming van hun deelgenoot [appellante] niet gerechtigd waren die kosten – anders dan kosten van gewoon onderhoud – te maken, in de tweede plaats omdat [betrokkene] facturen van bouwmaterialen en werkzaamheden heeft overgelegd zonder aan te tonen dat de daarop vermelde bedragen zijn besteed aan de renovatie van [adres B], en in de derde plaats omdat de renovatie, naar mag worden aangenomen, heeft geleid tot een hogere waardering van de onroerende zaak, die door toedeling aan [appellante] tegen de waarde na renovatie indirect toch aan [geïntimeerden] ten goede komt.
Slotsom
Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd. Gelet op de familierelatie tussen partijen worden de proceskosten geheel gecompenseerd, aldus dat elk de eigen kosten draagt.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen en op 15 januari 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao;
compenseert de proceskosten in hoger beroep.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.P. van Unen, J. de Boer en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.