ECLI:NL:OGHACMB:2025:350

ECLI:NL:OGHACMB:2025:350

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer H130/25, 190.000001/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Ontneming in hoger beroep. Voormalig parlementslid is in de strafzaak veroordeeld voor het plegen van verkiezingsfraude. In de ontnemingszaak is hij veroordeeld tot betalen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door het plegen van een ander feit, in dit geval meineed, heeft veroordeelde ten onrechte salaris ontvangen.

Uitspraak

Zaaknummer: H 130/25

Parketnummer: 190.00001/25

Uitspraak: 26 november 2025 Tegenspraak

Beslissing

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, van 22 oktober 2025 op de vordering ex artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

[geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],

wonende in [adres] [woonplaats].

Hoger beroep

Het Gerecht in eerste aanleg heeft op 22 oktober 2025 de vordering tot ontneming afgewezen omdat er naar het oordeel van het Gerecht geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tegen deze beslissing heeft de officier van justitie op 22 oktober 2025 hoger beroep ingesteld. Behandeling van het hoger beroep in de ontnemingszaak is op 3 november 2025 gelijktijdig met het hoger beroep in de strafzaak behandeld.

Vandaag heeft het Hof in de strafzaak het vonnis van het Gerecht wat betreft bewezenverklaring en kwalificatie bevestigd. Dit betekent dat verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van verkiezingsfraude door het (laten) kopen van stemmen.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van het ontnemingsdossier van 21 juli 2025, met de aanvulling van 24 juli 2025 die heeft geleid tot de vordering ad Cg 193.269,05 van de officier van justitie gedateerd op 24 juli 2025. Daarnaast van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 augustus 2025, waarbij onder meer een afspraak is gemaakt over een schriftelijke tussenronde.

De officier van justitie heeft daarna op 29 augustus 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen, waarbij de hoogte van de vordering is gewijzigd tot Cg 168.189,58. De raadsvrouw heeft op 15 september 2025 schriftelijk gereageerd, inhoudende het verweer dat er geen wederrechtelijk voordeel is genoten. Ten slotte heeft het Hof kennisgenomen van het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 oktober 2025 en de aan dat proces-verbaal gehechte nadere notitie van de raadsvrouw.

Ter zitting op 3 november 2025 heeft de procureur-generaal gevorderd dat het Hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen. De procureur-generaal heeft gevorderd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op Cg 105.689,58 en gevorderd dat het Hof de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan het land Sint Maarten.

De raadsvrouw heeft ter zitting betoogd tot afwijzing van de vordering.

Beslissing waarvan beroep

De beslissing waarvan beroep kan niet in stand blijven, nu het Hof tot een ander oordeel komt.

Grondslag ontnemingsvordering

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

De standpunten

De procureur-generaal heeft aangevoerd dat het Gerecht ten onrechte de vordering heeft afgewezen. Het Gerecht oordeelde dat het door [veroordeelde] ontvangen salaris en wachtgeld niet wederrechtelijk verkregen zijn, omdat hij zijn functie als parlementslid daadwerkelijk heeft uitgeoefend en dus ook recht had op het bijbehorende salaris. Volgens de procureur-generaal is er wederrechtelijk voordeel door [veroordeelde] verkregen door twee strafbare feiten. Ten eerste door de gepleegde verkiezingsfraude, waarvoor door de procureur-generaal bewezenverklaring in de strafzaak is gevorderd, maar ook door de door [veroordeelde] gepleegde meineed waarvoor voldoende aanwijzingen zijn. Het voordeel bestaat uit het genoten salaris en wachtgeld.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat zij het eens is met de beslissing van het Gerecht. Dit omdat niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde door ‘gekochte stemmen’ zou zijn verkozen. Subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de kosten van het kopen van stemmen in mindering moeten worden gebracht op het vast te stellen bedrag. Zij gaat er daarbij van uit dat 352 stemmen zijn gekocht tegen het bedrag van $ 300,- per stem. Daarnaast geldt dat er slechts salaris is betaald vanaf februari 2024 tot en met augustus 2024. Het ontvangen wachtgeld mag volgens de raadsvrouw niet worden meegenomen in het te bepalen wederrechtelijk verkregen voordeel. Al met al heeft veroordeelde volgens de raadsvrouw geen voordeel genoten.

Oordeel van het Hof

Op 26 november 2025 heeft het Hof verdachte veroordeeld voor het medeplegen van verkiezingsfraude op 11 januari 2024. Het Hof heeft vastgesteld dat de veroordeelde een aantal stemmen heeft gekocht. Vast staat dat veroordeelde voldoende stemmen heeft gekregen en vervolgens is aangetreden als parlementslid. Wat het Hof echter niet kan vaststellen is hoeveel stemmen hij heeft gekocht en of veroordeelde ook zou zijn verkozen als hij enkel stemmen op rechtmatige wijze had verkregen. Dit betekent dat het Hof het verkregen voordeel (lees: salaris en wachtgeld), anders dan door de procureur-generaal betoogd, in die zin niet als wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de gepleegde verkiezingsfraude kan bestempelen.

Bij voordeel uit andere feiten gaat het om de vraag of de veroordeelde daaruit op geld waardeerbaar voordeel heeft verkregen. Bij de beoordeling hiervan is het strafrechtelijk bewijsrecht niet van toepassing en kan volstaan worden met aanwijzingen. Dit betekent dat het Hof moet beoordelen of het aannemelijk is dat veroordeelde een ander feit heeft begaan waaruit hij het voordeel heeft verkregen.

Met inachtneming van de inhoud van het ontnemingsdossier als ook openbare bronnen is het Hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde meineed heeft gepleegd. Met 353 stemmen verwierf veroordeelde voldoende stemmen om een zetel in het parlement te kunnen gaan bekleden.

Om daadwerkelijk die zetel te kunnen gaan bekleden is het vereist dat er een belofte/eed, zoals bedoeld in artikel 56 van de Staatsregeling van Sint Maarten wordt afgelegd. Ook veroordeelde heeft die eed afgelegd en daarmee gezworen dat hij niemand iets heeft gegeven dan wel beloofd in verband met zijn verkiezing tot lid van de Staten. Veroordeelde heeft de eed niet naar waarheid afgelegd, want hij had wel degelijk giften en beloften gedaan in verband met zijn verkiezing.

De eed heeft hij afgelegd op 10 februari 2024 en daarmee heeft hij zijn plek in het Parlement verzekerd. Zou hij de eed niet hebben afgelegd dan zou veroordeelde geen zitting hebben kunnen nemen in het parlement.

Door meineed te plegen heeft veroordeelde salaris ontvangen, dat hij anders dus niet zou hebben ontvangen. Dat geldt voor het salaris vanaf het moment van beëdiging tot aan het moment van aftreden. Dat laatste was op 23 september 2024.

Vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Van belang is dat de maatregel van onttrekking wederrechtelijk verkregen voordeel ertoe strekt te bereiken dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht die zou hebben bestaan indien hij niet onrechtmatig had gehandeld. In het geval veroordeelde geen meineed zou hebben gepleegd, dan zou hij geen salaris hebben ontvangen, maar in dit geval wel wachtgeld, waarop hij recht had op grond van zijn eerdere parlementszetel (vóór februari 2024).

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op grond van het ontvangen salaris vanaf 10 februari 2024 tot 23 september 2024. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat er in die periode ook nog andere betalingen dan salaris aan [veroordeelde] zijn gedaan. Het Hof kan niet vaststellen waarvoor die betalingen zijn gedaan en deze bedragen zullen dan ook niet worden meegerekend. Omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet wordt berekend voor de eerste week van februari 2024 en ook niet voor de laatste week van september 2024, gaat het Hof voor de berekening uit van 7,5 maanden en stelt het genoten salaris als wederrechtelijk verkregen voordeel vast op Cg 78.975,50.

De raadsvrouw heeft betoogd dat – mocht sprake zijn van gekochte stemmen - er kosten zijn gemaakt. In haar berekening gaat zij uit van 352 gekochte stemmen tegen $ 300,- per stem. Het Hof volgt haar niet in deze redenering. Hoewel het totale aantal gekochte stemmen op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld, geeft het dossier eerder aanwijzing voor het kopen van een aantal stemmen dan voor het kopen van alle stemmen minus een. Het Hof vindt het wel aannemelijk geworden dat kosten zijn gemaakt in verband met het verkozen worden tot Parlementslid. Er zijn immers stemmen gekocht. Voor hoeveel stemmen en tegen welke prijs er daadwerkelijk is betaald kan het Hof niet vaststellen, maar schat dat aantal op 10. In het dossier zijn er aanwijzingen dat er tussen de $ 100,- en $ 200,- per stem is betaald. In het voordeel van veroordeelde zal het Hof uitgaan van $ 200,- en zal daarom $ 2.000,- (Cg 3602,93) in mindering brengen op het geschatte bedrag.

Aan de hand van het voorgaande stelt het hof vast dat de netto-opbrengst moet worden geschat op Cg 75.372,57. Nu het Hof het voordeel heeft te schatten, zal het Hof dit afronden op Cg 75.372,-.

Op te leggen betalingsverplichting

Het Hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van het hiervoor vastgestelde bedrag aan het land Sint Maarten ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 1:59 en 1:77 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg en doet opnieuw recht als volgt:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op Cg 75.372,- (vijfenzeventigduizend driehonderdtweeënzeventig Caribische guldens);

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan het land Sint-Maarten, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van een bedrag van Cg 75.372,- (vijfenzeventigduizend driehonderdtweeënzeventig Caribische guldens);

bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van een (1) jaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.P.C.M. Waarts voorzitter, mr. E.G.C. Groenendaal en mr. L.J. Saarloos, leden van het Hof, bijgestaan door mr. N.R.H. Marsera, zittingsgriffier, en vervolgens op 26 november 2025 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.P. Versluis ter openbare terechtzitting van het Hof met een directe beeld- en geluidsverbinding met het gerechtsgebouw in Sint Maarten.

mr. Saarloos is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Uitspraakgriffier

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.P.C.M. Waarts
  • mr. E.G.C. Groenendaal
  • mr. L.J. Saarloos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?