Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummer: CUR202403988 – CUR2024H00297
Uitspraak: 29 juli 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS IN KORT GEDING
In de zaak van:
de naamloze vennootschap
JCC DEVELOPMENT N.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: mr. P.M. Noordhoek,
tegen
de naamloze vennootschap
Q-CON QUALITY CONSTRUCTORS N.V.,
gevestigd in Curacao,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters.
De partijen worden hierna JCC respectievelijk Q-Qon genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 10 december 2024 door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) uitgesproken.
Bij akte van hoger beroep, ingediend ter griffie via e-mail op 31 december 2024 en in hardcopy op 3 januari 2025 is JCC in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis.
Bij op 21 januari 2025 ingekomen memorie van grieven met producties heeft JCC zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van JCC alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Q-Con in de proceskosten.
Q-Con heeft op 19 maart 2025 een memorie van antwoord met producties ingediend en geconcludeerd dat het Hof JCC niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel het hoger beroep ongegrond zal verklaren, met veroordeling van JCC in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
Op 1 juli 2025 hebben partijen mondeling gepleit conform door hen overgelegde pleitnotities met producties, die op voorhand naar het Hof en de tegenpartij zijn gestuurd. JCC heeft een voorwaardelijke eisvermeerdering ingediend.
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
2. Feitelijke uitgangspunten
Op 9 februari 2021 hebben JCC en Q-Con een aannemingsovereenkomst (hierna: de Overeenkomst) gesloten voor de bouw van een appartementencomplex, het Wharf project op de Kop van Scharloo (hierna: het Project).
Op de Overeenkomst zijn van toepassing verklaard de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV).
In de Overeenkomst staat onder meer het volgende:
ARTIKEL 1
-Werk-
(..)
e. Betalingen aan de AANNEMER zullen geschieden conform paragraaf 40 van de UAV 2012.
Betalingen aan de AANNEMER zullen geschieden na schriftelijke goedkeuring van de facturatie door de BOUWDIRECTIE. Betaling zal geschieden aan de hand van een nader voor te leggen en door de BOUWDIRECTIE goed te keuren betalingsschema. De BOUWDIRECTIE zal een factuur goedkeuren indien deze overeenkomst met de stand van het werk.
De aanneemsom zal per betalingstermijn door de OPDRACHTGEVER worden betaald op de bankrekening van de AANNEMER. De facturatie zal maandelijks plaatsvinden conform de voortgang van het werk. betaling vindt plaats binnen twee (2) weken na schriftelijke goedkeuring van de facturatie door de BOUWDIRECTIE. De BOUWDIRECTIE zal binnen vijf (5) werkdagen na ontvangst van een factuur de desbetreffende factuur al dan niet goedkeuren. Afgekeurde facturen zullen, met reden omkleed, direct worden gecommuniceerd met de AANNEMER. Goedgekeurde facturen zullen door de BOUWDIRECTIE gepresenteerd worden aan de OPDRACHTGEVER.
f. Tijdens de gehele projectperiode wordt verder een inhouding van 10% gehanteerd op elke factuur van de AANNEMER, zijnde 5% t.b.v. de onderhoudstermijn en 5% voor opbouw zekerheidsstelling conform paragraaf 43a van de UAV2012. De inhouding voor de opbouw van de zekerheidsstelling wordt bij de oplevering van het werk aan de AANNEMER gerestitueerd. De onderhoudstermijn blijft conform paragraaf 43a lid 5 UAV van kracht onder de voorwaarden zoals daar genoemd.
ARTIKEL 2
-Planning-
a. Met de bouw en de daarmee verband houdende werkzaamheden zal op 1 februari 2021 gestart worden. Het Werk zal worden voortgezet tot aan de algehele oplevering. De bouwtijd conform het algemene tijdschema (bijlage 17) is 30 maanden, gelijk aan 660 werkbare werkdagen.
De AANNEMER dient het werk geheel compleet en ten genoegen van de OPDRACHTGEVER en BOUWDIRECTIE op te leveren binnen deze termijn. Deze termijn geldt derhalve als ‘fatale datum fatale termijn”. E.e.a. conform het algemene tijdschema (bijlage 17) dd. 20 januari 2021.
Voor iedere werkbare werkdag dat het Werk na de overeengekomen termijn wordt opgeleverd, zal aannemer van rechtswege zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst in gebreke zijn en zal een korting worden opgelegd van ANG 1 500,- per werkbare dag.
ARTIKEL 3
-Verplichtingen van de Aannemer-
De AANNEMER is gehouden het Werk goed en deugdelijk, naar de bepalingen van deze overeenkomst en met inachtneming van de voor het Werk van belang zijnde of toepasselijke wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, uit te voeren.
(…)
De AANNEMER vrijwaart de OPDRACHTGEVER voor aanspraken van derden tot vergoeding van schade indien deze schade door de uitvoering van het Werk is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de AANNEMER, zijn personeel, zijn eventuele onderaannemers of zijn leverancier.
ARTIKEL 5
De oplevering vindt plaats conform de UAV 2012.
ARTIKEL 6
-Onderhoudstermijn, aansprakelijkheid en verzekeringen-
De onderhoudstermijn conform paragraaf 11 van de UAV 2012 bedraagt 6 maanden. De laatste onderhoudstermijn wordt betaalbaar gesteld conform de UAV.
De AANNEMER verplicht zich om na oplevering van het Werk de garanties op het Werk na te leven conform de in het bestek voorgeschreven garantiebepalingen en een lijst ten behoeve van de garantievoorwaarden en specificaties.
De garantie houdt in dat de garant (de AANNEMER) zich verbindt om voor zijn rekening alle tijdens de garantieperiode optredende gebreken te herstellen), waarvan de OPDRACHTGEVER aannemelijk maakt dat die met grote waarschijnlijkheid moeten worden toegeschreven aan een omstandigheid die aan de aannemer kan worden toegerekend (conform paragraaf 22 van de UAV 2012).
Het door Q-Con uit te voeren werk is nader gespecificeerd in onder meer het van de Overeenkomst onderdeel uitmakende bestek. Kort samengevat behelst het werk de algehele realisatie van het Project, hoofdzakelijk bestaande uit (a) vier appartementsgebouwen (ongeveer 70% van het werk), (b) een algemeen gedeelte (ongeveer 15% van het werk) en (c) commerciële ruimtes (ongeveer 15% van het werk).
Op basis van art. 2a. van de Overeenkomst en conform het algemene tijdschema was de bouwtijd 30 maanden, gelijk aan 660 werkbare dagen.
Op de betalingen die aan Q-Con zijn verschuldigd, mocht door JCC 10% worden ingehouden. Daarvan diende 5% als opbouw voor zekerheidsstelling en 5% ten behoeve van de onderhoudstermijn ex artikel 1f. van de Overeenkomst.
Partijen hebben eind oktober 2023 aanvullende afspraken gemaakt.
Bij e-mail van 19 juli 2024 heeft JCC een concept proces-verbaal van oplevering naar Q-Con gestuurd (PVO).
In het PVO staan als data van oplevering vermeld 15 december 2023 (appartementen), 31 maart 2024 (algemene en commerciële ruimten). Ook wordt in het PVO melding gemaakt van opnamelijsten met restpunten en nadere opnames. Het PVO bevat verder de volgende passages:
Beoordeling
De directie verklaart het werk goed te keuren en met de algehele oplevering in te stemmen, behoudens de nog op te nemen gebouwdelen en de gebreken zoals vastgelegd in de opname lijsten/opleverpunten in de bijlagen.
Opleverpunten/restpunten
Van alle opnames zijn er door de directie lijsten gemaakt t.b.v. de opleverpunten/restpunten (..) en deze zijn ca. één week na de respectievelijke opname naar de aannemer gestuurd ter afhandeling. (…)
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de individuele appartementen niet gelijktijdig, maar conform een apart tijdschema zijn opgenomen/opgeleverd. De data van opname en de bijbehorende lijsten met opleverpunten kunnen daardoor afwijken van de bovenstaande data.
(…)
Met het ondertekenen van dit Proces-Verbaal verklaren de partijen dat de betaling van de ingehouden zekerheidsstelling is voldaan.
Het PVO bevat ook afspraken over de betaling van de retentie ter zake van de onderhoudstermijnen.
In de begeleidende e-mail heeft JCC onder meer het volgende vermeld:
Gezien het project The Wharf zijn volledige afronding nadert willen we hierbij graag uw aandacht vragen voor het volgende:
Gezien het project niet als geheel is opgeleverd maar in delen is opgenomen (en opgeleverd) dienen we dit ook als zodanig vast te leggen.
Ondanks dat het project niet door QCON als zodanig is aangeboden stelt JCC voor om middels een PVO (Proces Verbaal van Oplevering) de gedane opnames ter oplevering vast te leggen.
(…)
Zoals bekend zijn er diverse deelopnames gedaan waarbij alle gebreken (restpunten) zijn vastgelegd middels lijsten en foto’s.
Recentelijk is dit ook voor de eerder nog niet opgenomen onderdelen gedaan (zoals de algemene ruimten en de commerciële ruimte)
Hierbij willen we QCON erop attenderen dat er nog enkele gebouwdelen niet konden worden opgenomen of nog niet ter opname zijn aangeboden, waaronder appartement# 4, de daken van de torens en het terras van de commerciële ruimte.
Graag vernemen we een voorsteldatum voor de nog niet opgenomen delen zodat ook deze vastgelegd kunnen worden.
(…)
Dit PVO behoort tot de opnames die tot nu toe hebben plaatsgevonden en zal middels ondertekening worden beschouwd als de vastlegging van de (gefaseerde) oplevering van het bovengenoemde project.
(…)
Naast deze vastlegging van de opnames/oplevering van het project vraagt JCC ook uw aandacht voor het afronden van de restpunten die er nog openstaan.
In een e-mail van 19 september 2024 heeft Q-Con aanspraak gemaakt op 25% van de onderhoudstermijn (een bedrag van circa Cg 200.000,-) en vastlegging van de afspraken over boetes en bouwplaats kosten, onder de toezegging dat bij betaling binnen tien dagen na 1 oktober 2024 de resterende werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.
JCC heeft daarop gereageerd per e-mail van 20 september 2024 met de mededeling dat zij niet tot betaling overgaat. Zij schrijft dat zij bereid is tot betaling van in totaal Cg. 100.000,- onder de voorwaarde dat alle openstaande punten uiterlijk 11 oktober 2024 zijn afgerond.
In een e-mail van 22 september 2024 heeft Q-Con JCC in gebreke gesteld en schorsing van haar werkzaamheden aangekondigd als betaling uitblijft.
Op 26 september 2024 heeft Q-Con aan JCC kenbaar gemaakt haar werkzaamheden op te schorten, omdat zij geen nadere betaling van JCC van de resterende inhoudingen heeft ontvangen. Sinds die datum ligt het werk stil.
In een brief van 1 oktober 2024 heeft JCC Q-Con, samengevat, gesommeerd om binnen twee dagen na dagtekening van de brief schriftelijk aan JCC te bevestigen dat zij (i) per direct haar werkzaamheden in het project zal hervatten; (ii) binnen een door haar kenbaar te maken, door JCC goed te keuren termijn alsnog alle door haar conform de Overeenkomst nog te verrichten werkzaamheden zal uitvoeren en voltooien; en alvorens over te gaan tot herstel van de gebreken van de aluminium puien, deuren en ramen, daartoe eerst een door JCC goed te keuren voorstel aan JCC zal doen toekomen.
In een brief van 8 oktober 2024 heeft Q-Con te kennen gegeven geen gehoor te geven aan voornoemde sommatie.
Na het bestreden vonnis van 10 december 2024 heeft Q-Con JCC bij brief van 18 december 2024 bericht de Overeenkomst te ontbinden dan wel het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
JCC heeft daarop bij brief van 7 januari 2025 gereageerd met de mededeling dat dit JCC geen andere keuze laat het werk ex art. 46 lid 1 UAV op rekening van Q-Con te doen herstellen en voltooien door één of meer derden.
3. De procedure in eerste aanleg
In eerste aanleg heeft JCC gevorderd- kort weergegeven- dat Q-Con primair wordt bevolen om het werk te hervatten en subsidiair onder de voorwaarde dat JCC ten behoeve van Q-Con een nader door het Gerecht te bepalen bedrag zeker stelt.
Het Gerecht heeft de vorderingen van JCC afgewezen. Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd. Daardoor is minimaal aannemelijk geworden dat de retentie inhoudingen van NAf 37.500,- (zekerheid) en NAf 271.029 (onderhoud) door JCC verschuldigd zijn geraakt. Het beroep van JCC op verrekening is door het Gerecht verworpen. Q-Con was dus gerechtigd tot opschorting over te gaan en de opschorting is niet disproportioneel.
4. De vordering in hoger beroep
In hoger beroep heeft JCC haar vordering voorwaardelijk vermeerderd zodat deze als volgt is komen te luiden -samengevat-:
5. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Op grond van art. 235 Rv in samenhang met artikel 264 lid 1 Rv is de beroepstermijn drie weken gerekend vanaf de dag van de uitspraak. JCC stelt dat het bestreden vonnis pas op 17 december 2024 aan partijen is verzonden. Q-Con heeft dit niet betwist. Dit betekent dat op grond van artikel 264 lid 2 Rv de beroepstermijn is gaan lopen op 18 december 2024 (‘dies a qui non computatur in termino’; vgl. ECLI:NL:PHR:2011:BQ3890, onder 2.3 en HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225 in 3.4.1) en is geëindigd op 7 januari 2025. De op 31 december 2024 per e-mail en op 3 januari 2025 in hardcopy ingediende akte van appel is dus tijdig ingediend. JCC zal dan ook in het hoger beroep worden ontvangen.
Spoedeisend belang
Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat JCC een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat JCC heeft aangegeven dat zij het werk door derden zal laten afmaken maakt dat niet anders.
Is het werk opgeleverd?
Met grief I komt JCC op tegen de overweging van het Gerecht dat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd. Ook het Hof acht dit voorshands aannemelijk en motiveert dat als volgt.
Partijen hebben in oktober 2023 aanvullende afspraken gemaakt (r.o.v 2..7) ten aanzien van de oplevering. De exacte inhoud van die afspraken is in dit kort geding niet duidelijk geworden. Wel is aannemelijk dat één van die afspraken was om aan de oplevering van de appartementen prioriteit te verlenen.
Op grond van artikel 5 van de Overeenkomst in samenhang met § 10 UAV wordt het werk als opgeleverd beschouwd, als het overeenkomstig § 9 UAV is of geacht wordt te zijn goedgekeurd. De dag waarop het werk is of geacht wordt te zijn goedgekeurd geldt als de dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd. Uit § 9 volgt de volgende procedure ten aanzien van opneming en goedkeuring:
de aannemer richt een schriftelijke aanvraag tot opneming tot de directie. In die aanvraag deelt de aannemer mee op welke dag het werk naar zijn oordeel voltooid zal zijn;
de opneming geschiedt zo spoedig mogelijk, in de regel binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde dag;
nadat het werk is opgenomen, wordt aan de aannemer binnen acht dagen schriftelijk meegedeeld, of het al dan niet is goedgekeurd, in het laatste geval met opgave van gebreken.
Op grond van het door JCC opgemaakte PVO en de begeleidende e-mail (r.o.v. 2.9 en 2.10) is in dit kort geding voldoende aannemelijk geworden dat JCC het werk heeft opgenomen en aan Q-Con heeft meegedeeld dat het werk is goedgekeurd. Anders dan JCC meent valt voorshands uit de context en de inhoud van het PVO niet op te maken dat geen sprake was van aanvaarding en goedkeuring van het werk. Ook de begeleidende e-mail leidt niet tot die conclusie. In beide documenten wordt juist uitdrukkelijk door JCC opgemerkt dat het werk als goedgekeurd en opgeleverd moet worden beschouwd. Dat bij het PVO een lijst van opleverpunten en gebreken is gevoegd maakt dat niet zonder meer anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat Q-Con het PVO niet heeft ondertekend. Dat neemt namelijk niet weg dat JCC in het concept PVO heeft verklaard dat het werk is goedgekeurd. Op grond van § 10 UAV leidt dat ertoe dat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd.
Op grond van het voorgaande acht het Hof het in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk dat de appartementen zijn opgeleverd op 15 december 2023 en de algemene en commerciële ruimten op 31 maart 2024. Dit komt ook overeen met de aanvullende afspraken van oktober 2023 om aan oplevering van de appartementen voorrang te geven.
Verkeert JCC in verzuim?
Grief II is gericht tegen de overweging van het Gerecht dat sprake is van een openstaande vordering van Q-Con op JCC, dat JCC in strijd met het overeengekomen betalingsschema handelt en dat JCC daarmee in beginsel in verzuim verkeert.
Artikel 1f. van de Overeenkomst bepaalt dat de op elke factuur van de aannemer gehanteerde inhouding van 5% voor opbouw zekerheidsstelling bij de oplevering van het werk aan de aannemer wordt gerestitueerd. Nu het Hof het aannemelijk vindt dat het werk is opgeleverd volgt daaruit voorshands dat JCC de 5% inhouding ten aanzien van de opbouw zekerheidsstelling aan Q-Con verschuldigd is, zijnde een bedrag van Cg 37.631,47,- (factuur 24/053 van 2 augustus 2024).
De inhouding van 5% voor de onderhoudstermijn blijft conform § 43a lid 5 UAV van kracht tot overeenkomstig § 11, lid 6 UAV is geconstateerd dat de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Ingevolge § 11, lid 6 UAV zal het werk na afloop van de onderhoudstermijn weer worden opgenomen om te constateren of de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in § 9.
Op grond van § 11 lid 1 UAV gaat de onderhoudstermijn in onmiddellijk na de dag dat het werk overeenkomstig § 10 als opgeleverd wordt beschouwd. Artikel 6 van de Overeenkomst bepaalt dat de onderhoudstermijn zes maanden bedraagt. In het door JCC opgemaakte PVO staat dat de ingangsdatum voor de onderhoudstermijn van de appartementen 15 december 2023 is en van de overige delen 31 maart 2024. Het Hof acht voorshands aannemelijk dat de onderhoudstermijnen zijn geëindigd op 15 juni respectievelijk 1 oktober 2024, zijnde zes maanden later. Het moet er dan ook voorlopig voor worden gehouden dat per de datum dat Q-Con de werkzaamheden heeft opgeschort -25 september 2024- JCC minimaal aan Q-Con verschuldigd was de restitutie van de onderhoudstermijn van de appartementen. Q-Con heeft JCC op 1 september 2024 ter zake een factuur gestuurd voor een bedrag van NAf 287.291,44 (inclusief OB).
UAV luidt als volgt:
(…)
2. Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2 verhoogd, en is de aannemer bevoegd, mits hij zulks in de aanmaning heeft vermeld, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen tot de opdrachtgever het door hem verschuldigde heeft betaald, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
(…)”
JCC heeft Q-Con bij e-mail van 20 september 2024 bericht dat zij niet tot betaling van de op 1 september 2024 gestuurde factuur zal overgaan. Bij e-mail van 22 september 2024 heeft Q-Con JCC bericht dat de onderhoudstermijn voor de appartementen op 15 juni 2024 is verstreken en de onderhoudstermijn voor de overige delen op 1 oktober 2024 zal verstrijken, geconstateerd dat JCC in gebreke is en niet tot betaling zal overgaan en aangekondigd dat zij bij uitblijven van betaling uiterlijk 25 september 2024, over zal gaan tot opschorting van de werkzaamheden.
Bij e-mail van 25 september 2024 heeft Q-Con JCC bericht dat zij geen betaling heeft ontvangen en dat zij zich daarom genoodzaakt ziet de werkzaamheden aan het project op te schorten.
In haar brief van 8 oktober 2024 heeft Q-Con JCC gewezen op de verschuldigdheid van NAf 37.600 (restitutie zekerheidstelling), NAf 17.928,46
(termijn NR40, NAf 80.102,71 (meerwerk), NAf 25.000,- (kosten herstel schades), NAf 30.000,- (provisies), NAf 271.000,- (restitutie onderhoudstermijn), NAf 232.000,- (restitutie overige onderhoudstermijn), zijnde in totaal een bedrag van NAf 503.000,-, waarvan JCC een bedrag van NAf 308.600,- onbetaald heeft gelaten en een bedrag van NAf 385.031,17 na facturatie dient te voldoen.
Met het Gerecht is het Hof voorshands van oordeel dat gelet op het voorgaande minimaal aannemelijk is geworden dat de retentie van de inhoudingen van Cg 37.500,- door JCC verschuldigd is geraakt en een deel van de inhoudingen van de restitutie onderhoudstermijn, te weten Cg 271.000,-. Hiermee verkeert JCC in beginsel in verzuim en was Q-Con gerechtigd tot opschorting van de werkzaamheden. Dat op 25 september 2024 nog geen veertien dagen waren verstreken vanaf de ingebrekestelling van 22 september 2024 maakt dat niet anders. Het Hof acht aannemelijk dat de stelling van Q-Con dat JCC geen beroep toekomt op de in § 45 UAV genoemde termijn van veertien dagen in een bodemprocedure zal slagen nu JCC op 22 september 2024 uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven niet tot betaling te zullen overgaan.
Het voorgaande betekent dat grief 2 faalt.
Mag JCC verrekenen?
Met grief III komt JCC op tegen de afwijzing door het Gerecht van haar beroep op verrekening. Op grond van § 43a lid 6 UAV moeten de ingehouden onderhoudstermijnbetalingen na afloop van de onderhoudstermijn worden betaald waarbij “een bedrag dat in redelijkheid is gemoeid met herstel van de voor zijn rekening (Hof: aannemer) komende gebreken” kan worden ingehouden.
JCC stelt dat zij een tegenvordering op Q-Con heeft ter zake van korting op de aanneemsom (NAf 525.000,-), schadevergoeding, vergoeding van alle kosten tot herstel en voltooiing van het werk (circa NAf 500.000,- tot NAf 1.000.000,-).
Deze posten zijn door Q-Con gemotiveerd betwist. Gelet op de standpunten van partijen in de processtukken en ter zitting, acht het Hof zich niet in staat om zonder benoeming van een deskundige, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, een oordeel te vormen over deze tegenvorderingen. Het beroep op verrekening is dan ook terecht door het Gerecht verworpen. Ook deze grief faalt.
Was de opschorting gerechtvaardigd?
Grief IV is gericht tegen de overweging van het Gerecht dat Q-Con de keuze had tussen het bewandelen van § 43a UAV of § 45 lid 2 UAV. Met grief VI stelt JCC zich op het standpunt dat het Gerecht had moeten overwegen dat § 45 lid 3 UAV aan opschorting in de weg staat.
Los van de vraag of het door JCC aanhangig gemaakte kort geding een spoedgeschil is in de zin van § 45 lid 3 UAV heeft JCC pas na de opschorting dd. 25 september 2024, namelijk op 24 oktober 2024 het kort gedingverzoekschrift ingediend. § 45 lid 3 UAV stond dus in zoverre niet aan opschorting in de weg. Grief VI faalt dus. Bij de bespreking van grief IV heeft JCC geen belang.
Was de opschorting disproportioneel?
Met Grief V betoogt JCC dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de opschorting niet disproportioneel was.
Het Hof acht met het Gerecht voorshands aannemelijk dat Q-Con niet disproportioneel heeft gehandeld door op 25 september 2024 de werkzaamheden op te schorten. Het Hof verwijst naar hetgeen het Gerecht hierover heeft overwogen onder 5.16 en 5.17 van het bestreden vonnis en maakt deze overwegingen tot de zijne. Alles overziend leidt het feit dat de opschorting plaatsvond op grond van een vordering die naar JCC stelt, 1.9% van de aanneemsom bedroeg, niet tot een ander oordeel. Ook grief V faalt.
De (voorwaardelijke) eisvermeerdering
De voorwaardelijke vordering tot betaling van een voorschot op de kosten die JCC zal moeten maken om het werk af te ronden zal worden afgewezen omdat voldoende aannemelijk is geworden dat Q-Con de werkzaamheden mocht opschorten.
Afgifte rapport en aluminium deuren
Uit al het voorgaande volgt dat de vordering tot afgifte van de aluminium deuren wordt afgewezen, nu niet aannemelijk is geworden dat deze aan JCC in eigendom zijn gaan toebehoren. JCC heeft na de betwisting door Q-Con niet gespecificeerd van welk rapport zij precies afgifte vordert, zodat ook die vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Slotsom
Deze is dat het hoger beroep faalt en het bestreden vonnis zal worden bevestigd. Daarmee faalt dus ook grief VII die is gericht tegen de afwijzing door het Gerecht van de vorderingen van JCC.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt JCC in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Q-Con gevallen en tot op heden begroot op Cg 352,54 aan verschotten en Cg 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.J.H.G. Bronzwaer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 juli 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.