AUA2025H00090
Datum uitspraak: 7 januari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303992, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 10 november 2019 heeft de minister de uitzetting van appellant bevolen en daarbij vermeld dat aan hem een periode van niet-toelating zal worden opgelegd van 42 maanden (hierna: het uitzettingsbevel).
Bij beschikking van 14 november 2023 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 14 november 2023 vernietigd en de minister opgedragen om binnen drie maanden een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door drs. M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toestemming van partijen.
Overwegingen
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303992, voor zover het Gerecht heeft nagelaten de minister van Justitie en Sociale Zaken te veroordelen om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen;
veroordeelt de minister van Justitie en Sociale Zaken om aan appellant een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van Afl. 1.500,-;
veroordeelt de minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelast dat de minister van Justitie en Sociale Zaken aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.