Is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
Niet in geschil is dat het verzoek van appellant erop is gericht dat de minister terugkomt van zijn oorspronkelijke beschikking, die in rechte vaststaat. De vraag die partijen verdeeld houdt is of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Het Hof sluit aan bij vaste rechtspraak van het Hof (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:232). Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, ambtshalve dan wel op verzoek, terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit en dat besluit in te trekken of te wijzigen, ook als de bevoegdheid daartoe niet uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift is neergelegd. Als aan een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, kan het bestuursorgaan het verzoek op die grond afwijzen. Hij hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Als de bestuursrechter bij de toetsing van zo’n afwijzing tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat die afwijzing in beginsel dragen, tenzij de bestuursrechter tot het oordeel komt dat de afwijzing evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. De nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten van zodanige aard zijn, dat zij tot een ander besluit hadden kunnen leiden.
Het Hof is van oordeel dat de verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 weliswaar een omstandigheid is die zich na de eerdere beschikking heeft voorgedaan, maar dat deze omstandigheid, indien bekend, niet tot een andere beslissing van de minister had kunnen leiden. Een algemene verhoging van het AOV-recht in één van de landen van de voormalige Nederlandse Antillen is immers geen omstandigheid die van invloed is op de wettelijke voorwaarden voor toekenning van het AOV-recht aan appellant.
Daarbij betrekt het Hof het doel dat de Rijksregelgever blijkens de Nota van Toelichting van het Rijksbesluit voor ogen heeft gestaan (NvT, Stb 2010-361, pagina 7 en pagina 10 en verder). Bij het opstellen van het Rijksbesluit heeft het belang van een zo eenvoudig en logisch mogelijke opvolging voorop gestaan, waarbij zowel gekeken is naar de positie van de burger en derden, als naar het aspect van uitvoerbaarheid. In dat licht heeft de Rijksregelgever bewust gekozen voor de systematiek die eerder is gehanteerd in de regeling voor verzekerden en uitkeringsgerechtigden van de SVB toen Aruba op 1 januari 1986 de status aparte verkreeg. Voor AOV-verzekerden, die op 10 oktober 2010 nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, geldt de historische opbouw van AOV-rechten binnen het gebied van de Nederlandse Antillen als criterium voor de toedeling van tot aan de transitiedatum opgebouwde AOV-rechten. Dit criterium is in lijn met de opbouw vanaf de transitiedatum. De opbouw van AOV-rechten na de transitiedatum volgt eveneens de woonplaats waar deze zijn opgebouwd, waarbij de drie landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland (BES) worden onderscheiden. De Rijksregelgever onderkent nadrukkelijk dat bij de AOV de situatie kan ontstaan dat een AOV-verzekerde, die in meerdere eilandgebieden van de Nederlandse Antillen heeft gewoond, in de toekomst in meerdere landen AOV-rechten krijgt. Ook wordt onderkend dat de opgebouwde rechten, zoals uitkeringshoogte en ingangsdatum pensioen, inhoudelijk per land kunnen verschillen.
Het Hof is daarom met het Gerecht van oordeel dat de minister zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de wettelijke verhoging van de AOV op Bonaire per 2024 geen nieuwe omstandigheid is, die tot een andere beslissing over het recht van appellant op ouderdomspensioen, inclusief de toegepaste korting, had kunnen leiden. Dat betekent dat de minister het herzieningsverzoek van appellant mocht afwijzen met verwijzing naar de oorspronkelijke beschikking van 24 februari 2021.
Is de bestreden beschikking evident onredelijk?
Vervolgens ligt de vraag voor of aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd kan worden geoordeeld dat de bestreden beschikking evident onredelijk is. Om te beoordelen of de weigering om een oorspronkelijk besluit te herzien evident onredelijk is, moet de bestuursrechter kijken naar de feiten en omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is, kan de bestuursrechter betrekken bij die beoordeling.
Zoals toegelicht in de NvT van het Rijksbesluit leidt de gekozen systematiek van toedeling van AOV-rechten tot diverse verschillen. Verschillen tussen AOV-verzekerden die vóór en na de transitiedatum pensioengerechtigd worden c.q. zijn geworden. Verschillen tussen AOV-verzekerden die binnen meerdere eilandgebieden van de Nederlandse Antillen hebben gewoond en zij die in één eilandgebied zijn blijven wonen. Verschillen in AOV-wetgeving van de onderscheiden landen binnen het Koninkrijk die zien op de pensioengerechtigde leeftijd en de hoogte van de pensioenuitkering. En ook combinaties van deze verschillen komen voor.
Appellant vindt dat sprake is van een ongelijke behandeling omdat er op Bonaire een verschil bestaat tussen een pensioengerechtigde die al vóór de transitiedatum een pensioenuitkering ontving en sindsdien ten volle profiteert van de hogere AOV-uitkering van Bonaire en degene die net als appellant na de transitiedatum de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en gekort wordt voor het aantal jaren dat is verbleven in een ander eilandgebied. Volgens appellant moet zijn historische opbouw van AOV-rechten binnen de Nederlandse Antillen tot de transitiedatum, net als voor de andere groep, gelijk worden gesteld met de rechten opgebouwd op Bonaire vanaf de transitiedatum.
Het verschil in uitkeringsrechten dat appellant benoemt is het gevolg van de systematiek van het Rijksbesluit. In het Rijksbesluit is, in navolging van de regeling die per 1 januari 1986 voor Aruba gold, in de artikelen 2 en 3 bewust een onderscheid gemaakt tussen lopende en toekomstige pensioenuitkeringen. Dat dit per land kan leiden tot verschillen in uitkeringshoogte, is door de regelgever onderkend.
Gelet hierop is volgens het Hof de beslissing van de minister niet onmiskenbaar onjuist. Die beslissing is evenmin evident onredelijk. Daarbij betrekt het Hof dat de uitkering voor ouderdomspensioen op Bonaire aanzienlijk hoger is dan op Curaçao en dat ook appellant profiteert van de verhoging van de pensioenen op Bonaire per 2024, alleen 30% minder dan Bonairiaanse pensioengerechtigden op wiens pensioen geen korting wegens verblijf in een ander eilandgebied wordt toegepast. De positie van appellant verschilt ook niet van anderen die na de transitiedatum Bonairiaans pensioengerechtigd zijn geworden en voorheen ook in een ander eilandgebied hebben gewoond.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het Gerecht terecht tot het oordeel is gekomen dat de minister het verzoek om herziening van appellant mocht afwijzen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Anselma-Bernsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.