Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummer: AUA202503816 en AUA2026H00011
Uitspraak: 31 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op het verzoek tot schorsing ex artikel 272 Rv in de zaak van:
[appellante],
wonende in [woonplaats],
appellante, verzoekster van de schorsing,
hierna: [appellante],
gemachtigde: mr. M.B. Boyce,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde, verweerder tegen de schorsing,
hierna: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. J.M. de Cuba.
1. Het verloop van de procedure in de schorsingszaak
Bij akte van appel van 29 december 2025 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 17 december 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).
Bij op 27 januari 2026 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, met producties, heeft [appellante] gevorderd
(1) de tenuitvoerlegging van het vonnis van (bedoeld zal zijn) 17 december 2025 te schorsen totdat in hoger beroep is beslist en in het bijzonder te bepalen dat de levering van [de onroerende zaak] (hierna: de onroerende zaak) wordt opgeschort tot schriftelijke bevestiging aan [appellante] dat Afl 923.623 is gestort op de derdenrekening van de handelende notaris;
(2) daarnaast te bepalen dat [geïntimeerde] geen executiemaatregelen mag treffen zolang niet op dit schorsingsverzoek is beslist.
Bij verweerschrift van 2 februari 2026 heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Op 9 februari 2026 heeft [appellante] gereageerd op het verweerschrift met een gedingstuk getiteld ‘repliek’.
Vonnis is bepaald op vandaag. Tegelijk met dit vonnis wordt ook een vonnis uitgesproken tussen deze zelfde partijen in hoger beroep in de bodemprocedure (AUA2024H00377, hierna: vonnis Hof in de bodemprocedure).
2. De feiten
De vader van partijen, [vader van partijen], is overleden op [overlijdensdatum] 2016 met achterlating van een testament. Op grond van dit testament hadden [geïntimeerde], [appellante] en hun halfbroer [halfbroer] aanspraken op de nalatenschap.
Tot de nalatenschap behoort onder meer de onroerende zaak. Op dat perceel bevinden zich een aantal gebouwen, waaronder een drietal appartementen waarin [appellante] woont met haar gezin en een woning waarin [geïntimeerde] woont (op de begane grond), waarvan de bovenwoning door hem verhuurd wordt. Daarnaast bevinden zich op dit perceel een aantal vakantieappartementen, die in ieder geval sinds het overlijden van erflater door [geïntimeerde] worden geëxploiteerd door middel van een eenmanszaak ([de eenmanszaak], hierna: de eenmanszaak).
Het Gerecht heeft bij eindvonnis van 21 augustus 2024 (AUA201703125 hierna: vonnis Gerecht in de bodemprocedure) de (wijze van) verdeling van de nalatenschap bepaald. Daarbij is aan [geïntimeerde] onder meer de onroerende zaak toebedeeld en de eenmanszaak en een aantal andere boedelbestanddelen aan [appellante]. De uitkomst van de verdeling van de totale nalatenschap is dat [geïntimeerde] aan [appellante] Afl 923.623 moet betalen wegens overbedeling (hierna: de overbedelingsvergoeding).
In het vonnis van het Hof in de bodemprocedure wordt dit eindvonnis van het Gerecht bevestigd.
3. De procedure bij het Gerecht
[geïntimeerde] heeft gevorderd (samengevat) dat [appellante] meewerkt aan uitvoeringshandelingen om de in het bodemvonnis bij het Gerecht bepaalde verdeling mogelijk te maken.
Het Gerecht heeft bij vonnis in kort geding van 17 december 2025 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.
4. De beoordeling
De ‘repliek’ van [appellante] voldoet niet aan art. 112 lid 1 Procesreglement 2023 en de uitdrukkelijke instructie van de Hofgriffie in de mail van 27 januari 2026 (‘géén processtuk’) en wordt daarom buiten beschouwing gelaten (zie ook GHvJ 24 oktober 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:266, onder 2.2).
Het eindvonnis van het Gerecht in de bodemprocedure is door het Hof bevestigd. Daarbij heeft het Hof in wezen ook de belangen van partijen afgewogen. Gelet op de daar gegeven overwegingen en oordelen acht het Hof het belang voor [appellante] om zich te blijven verzetten tegen de verdeling zoals die door het Gerecht is vastgesteld (en nu door het Hof bevestigd) van onvoldoende gewicht om de schorsingsvordering te kunnen toewijzen.
Er is ook geen enkele grond voor de vrees die [appellante] als enige reden voor het schorsingsverzoek aanvoert, te weten dat zij de onroerende zaak zou moeten leveren zonder zeker te zijn van ontvangst van de overbedelingsvergoeding. Zoals het Gerecht terecht heeft overwogen (in 4.9 van het vonnis van 17 december 2025) loopt zij dat risico niet omdat de notaris de onroerende zaak niet zal leveren als de overbedelingsvergoeding niet op zijn of haar derdenrekening is gestort. In de hoofdzaak heeft het Hof overigens geoordeeld dat [geïntimeerde] geacht moet worden de overbedelingsvergoeding te kunnen financieren.
Het verzoek van [appellante] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis wordt afgewezen. Gelet op de familierelatie van partijen zullen de proceskosten van deze schorsingsprocedure worden gecompenseerd, zo dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.