Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202403164 - CUR2025H00194
Uitspraak: 21 april 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk verweerder,
thans appellant,
gemachtigde: mr. S.A. Hortencia,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk verzoekster,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S.I. Da Costa Gomez,
betreffende de kinderen:
[kind 1],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
en
[kind 2],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats].
Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd. De kinderen worden hierna [kind 1] en [kind 2] genoemd.
Belanghebbende:
De Voogdijraad op Curaçao, hierna: de Voogdijraad
1. Samenvatting
Deze zaak gaat over de vraag of de moeder, naast de vader, moet worden belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2]. Het Hof zal oordelen dat het Gerecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om over deze kwestie te oordelen, zodat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en de Curaçaose rechter onbevoegd zal worden verklaard.
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Bij op 17 juli 2025 ingekomen beroepschrift is de vader in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 5 juni 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
Op 3 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is de vader via videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Hortencia (die in Curaçao verscheen). De moeder is ook via videoverbinding verschenen. Daarnaast is mevrouw [medewerker Voogdijraad namens de Voogdijraad verschenen.
Beschikking is gevraagd en bepaald op vandaag.
3. De feiten en de procedure bij het Gerecht
Partijen zijn de ouders van [kind 1] en [kind 2]. De vader heeft [kind 1] en [kind 2] erkend. De moeder was aanvankelijk van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag.
In een eerdere procedure (met zaaknummer CUR202103506) heeft het Gerecht bij beschikking van 22 september 2022 het gezag van de moeder geschorst en de vader belast met het eenhoofdig gezag over [kind 1] en [kind 2]. De moeder heeft tegen die beschikking geen hoger beroep ingesteld.
In deze procedure heeft de moeder het Gerecht verzocht haar naast de vader te belasten met het (gezamenlijk) gezag over [kind 1] en [kind 2] en een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [kind 1] en [kind 2]. In de bestreden beschikking heeft het Gerecht (onder meer) bepaald dat het gezag over [kind 1] en [kind 2] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt. Het Gerecht heeft zich onbevoegd verklaard om van het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling kennis te nemen.
4. De beoordeling door het Hof
In het beroepschrift heeft de vader verzocht de beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek van de moeder tot gezag af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de proceskosten in beide instanties. Volgens de vader heeft het Gerecht zich ten onrechte bevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek tot wijziging van gezag. Omdat [kind 1] en [kind 2] hun gewone verblijfplaats in de [land] hebben was het Gerecht niet bevoegd om van het verzoek van de moeder kennis te nemen, zo meent de vader.
Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 429c lid 3 Rv is in zaken betreffende minderjarige kinderen de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Curaçao, van het werkelijk verblijf van het kind bevoegd. Artikel 429ba Rv bepaalt daarnaast dat aan de rechter geen rechtsmacht toekomt, als het verzoek onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer in Curaçao heeft. Tussen partijen staat vast dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, op 15 augustus 2024, [kind 1] en [kind 2] bij de vader in Curaçao woonden.
Hoewel ook in familiezaken als deze het uitgangspunt is dat voor de bevoegdheid van de rechter in beginsel beslissend is het tijdstip waarop zijn tussenkomst wordt ingeroepen, moet dit perpetuatio fori-beginsel doorgaans wijken voor het belang van de te beschermen minderjarige (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2916). Een aantal uitzonderingen op het perpetuatio fori-beginsel zijn opgenomen in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ’s-Gravenhage 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299), dat sinds 1 mei 2011 medegelding heeft voor Curaçao. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is op grond van artikel 3 onder b van dat verdrag van toepassing op gezagsrechten en omgangsrechten. Artikel 5 lid 2 van het verdrag bepaalt dat in geval van verplaatsing van de gewone verblijfsplaats van het kind naar een andere verdragsluitende staat de autoriteiten van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd zijn. Voor de vaststelling van de bevoegdheid geldt aldus als peildatum het moment waarop de rechter zijn beslissing neemt.
In oktober 2024 hebben [kind 1] en [kind 2] een visum voor de [land] gekregen en zijn zij met hun vader daarnaartoe verhuisd. Zoals het Gerecht heeft overwogen wordt de vraag waar [kind 1] en [kind 2] hun gewone verblijfplaats hebben, beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij het, kort gezegd, gaat om de plaats waarmee het kind maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. De vader heeft een woning in [stad] in de [land]. [kind 1] woont bij hem en zij gaat daar naar school. Op de mondelinge behandeling verklaarde de moeder dat [kind 2] bij haar woont, in [stad] in de [land], en daar naar school gaat. [kind 1] en [kind 2] hebben hun ziektekostenverzekering in de [land], zo verklaarde de vader op de mondelinge behandeling. Tussen partijen staat niet langer ter discussie dat de gewone verblijfsplaats van [kind 1] en [kind 2] inmiddels in de [land] is gelegen.
Bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is de [land] geen partij. Niettemin zal het Hof in deze zaak het perpetuatio fori-beginsel buiten toepassing laten. De ratio achter bovengenoemd artikel 5 lid 2 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is namelijk dat de rechter als het kind inmiddels is verhuisd naar het buitenland zich geen goed beeld kan vormen van de belangen van de minderjarige. Die situatie doet zich hier voor. Het is voor de rechter in Curacao niet goed mogelijk onderzoek naar de huidige woon- en leefsituatie van de minderjarigen te doen, waardoor een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel is aangewezen. Ook de Voogdijraad heeft bij de mondelinge behandeling geadviseerd dat in de [land] over deze kwestie moet worden beslist, omdat de daarvoor benodigde informatie in Curaçao niet beschikbaar is. Het Hof sluit zich aan bij dat advies, temeer daar bij de mondelinge behandeling gebleken is dat deze kwestie inmiddels aanhangig is bij de rechter in de [land], wiens bevoegdheid om daarover te beslissen thans niet ter discussie staat. Het Hof acht de Curaçaose rechter dan ook niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek van de moeder. Anders dan het Gerecht ziet het Hof geen aanleiding om daarover vanwege de eerdere procedure in 2022 (zie r.o. 3.2) anders te oordelen.
In de procedure bij het Gerecht heeft de moeder nog verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad die volgens haar inhoudt dat wijzigingen in de gewone verblijfplaats na indiening van het verzoekschrift geen invloed hebben op de (on)bevoegdheid van de rechter (HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:440). Die uitspraak doet echter niet af aan het voorgaande, omdat die gaat over de vraag waar de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het inleidend verzoekschrift was gelegen en niet over de vraag welke gevolgen een wijziging van de verblijfplaats heeft voor de (on)bevoegdheid van de rechter.
De beschikking waarvan beroep zal worden vernietigd. Vanwege het familierechtelijke karakter van de procedure ziet het Hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het Gerecht zich bevoegd heeft verklaard van het verzoek ten aanzien van het gezag kennis te nemen en daaromtrent beslissingen heeft gegeven;
verklaart de Curaçaose rechter onbevoegd om van het verzoek omtrent gezag kennis te nemen;
bevestigt de bestreden beschikking voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.