Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202600229 – SXM2026H00041
Uitspraak: 13 mei 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de besloten vennootschap GLOBAL ENTERTAINMENT SECURITY N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
2. [appellant 2],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg niet betrokken, thans appellant,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
Appellanten worden hierna ieder afzonderlijk GES en [appellant 2] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij vonnis van 2 april 2026 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) is GES op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard. Hierbij is tot curator aangesteld mr. [de curator 1] (hierna: de curator). In het dictum van het vonnis is opgenomen: ‘Het Gerecht: 3.1. verstaat dat de aandeelhouder van verzoekster [Hof: [appellant 2]] een boedelbijdrage van NAf 2.500,- zal voldoen aan de curator ter bestrijding van de faillissementskosten’.
Bij beroepschrift van 9 april 2026 zijn appellanten in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 april 2026. Zij hebben daarin bezwaren gericht tegen het bepaalde in 3.1. van het dictum in dat vonnis.
De curator heeft in zijn reactie op het beroepschrift een e-mailbericht van 10 april 2026 overgelegd. In het e-mailbericht informeert de curator C.Merx dat hij geen boedelbijdrage van [appellant 2] vordert, omdat de boedel (uiteindelijk) voldoende liquide is.
Bij e-mailbericht van 23 april 2026 hebben appellanten hun hoger beroep ingetrokken. Zij verzoeken het Hof te bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, althans worden vergoed door de faillissementsboedel.
2. De beoordeling
Hoewel dat niet uit het e-mailbericht van 23 april 2026 blijkt, gaat het Hof ervan uit dat appellanten hebben bedoeld het hoger beroep in te trekken onder de voorwaarde dat hun proceskosten in verband met het instellen en voorbereiden van het hoger beroep ten laste van de faillissementsboedel worden gebracht. Nu de curator zich hiertegen verzet, zal het Hof het hoger beroep en daarmee dat verzoek beoordelen.
Een uitspraak op een verzoek ingevolge het Faillissementsbesluit 1931 (hierna: Fb) kan een veroordeling in de proceskosten inhouden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 429k lid 3 Rv in verbinding met artikel 429q lid 5 Rv (ECLI:NL:HR:2017:3143).
Appellanten vinden dat zij aanspraak hebben op een proceskostenveroordeling omdat zij kosten hebben moeten maken met het instellen en voorbereiden van het hoger beroep, terwijl de curator pas na het indienen van het beroepschrift te kennen heeft gegeven dat hij geen boedelbijdrage van [appellant 2] zal vorderen. Het Hof zal het verzoek afwijzen. Dat wordt hierna uitgelegd.
Voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken weegt het Hof mee in hoeverre het hoger beroep kans van slagen zou hebben gehad als het niet zou zijn ingetrokken. Bij eigen faillissementsaangiftes van vennootschappen is het bij het Gerecht gebruikelijk dat van de aandeelhouder een boedelbijdrage wordt verlangd van NAf 2.500,- voor onder meer de door de curator te maken kosten van publicatie. Bij de aangifte moet daarom aangegeven worden of de aandeelhouder/achterligger bereid is tot het doen van een boedelbijdrage aan de curator (zie Faillissementsrichtijnen 2012, versie 2023, paragraaf 1.1.). Uit het vonnis van 2 april 2026 blijkt dat [appellant 2] tijdens de zitting te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen het doen van een boedelbijdrage. Het Gerecht heeft daarom op juiste gronden verstaan dat [appellant 2] de boedelbijdrage aan de curator zal voldoen. Het bepaalde is in lijn met de Faillissementsrichtijnen en de uitlating van [appellant 2] ter zitting bij het Gerecht.
Daarnaast geldt het volgende. Op grond van artikel 9 lid 1 sub 1e Fb bestaat het recht van hoger beroep voor de schuldenaar die een eigen aangifte tot faillietverklaring heeft gedaan alleen als die aangifte is afgewezen. Voor een schuldenaar die op eigen aangifte failliet is verklaard staat dus geen hoger beroep of verzet open. GES is daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Het beroepschrift is ook namens [appellant 2] als belanghebbende ingediend. Ook [appellant 2] is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Op grond van artikel 8 lid 1 Fb heeft een belanghebbende recht van verzet tegen een faillietverklaring. Het recht van hoger beroep bestaat voor een belanghebbende pas als zijn in artikel 8 bedoeld verzet is vernietigd (artikel 9 lid 1 sub 3e Fb). Daarvan is hier geen sprake.
Gelet op het voorgaande wordt de verzochte proceskostenveroordeling afgewezen.
B E S L I S S I N G
Het Hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, C.J.H.G. Bronzwaer en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 mei 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.