ECLI:NL:OGHACMB:2026:117

ECLI:NL:OGHACMB:2026:117

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer H-24/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Veroordeling poging tot doodslag, vuurwapen- en hennepbezit. Verdachte schoot op korte afstand meermalen op slachtoffer op openbare weg; geen voorbedachte raad bewezen. Herkenningen op camerabeelden betrouwbaar geacht, mede gelet op herkenbaar loopje. Vrijspraak van witwassen wegens onvoldoende onderzoek naar verklaring over herkomst contant geld. Gevangenisstraf van 9 jaren.

Uitspraak

Feit 1

hij op 9 augustus 2024 te Sint Maarten, vuurwapens, in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten

munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening, te weten

voorhanden heeft gehad.

Feit 3

hij op 9 augustus 2024 te Sint Maarten, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5,92 gram hennep.

Feit 5 primair:

hij op 6 juli 2024 te Sint Maarten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meerdere keren op/in het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 6

hij op 6 juli 2024, te Sint Maarten, een vuurwapen en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Sint Maarten.

Feit 1 en 3:

Proces-verbaal van aanhouding van de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte]d.d. 9 augustus 2024:

Op 9 augustus 2024 waren wij, verbalisanten, aan de [adres]. Er werd een stopteken gegeven aan de bestuurder van een [automerk/model]. Het bleek dat er drie manspersonen in het voertuig zaten. De bestuurder gaf op te zijn [medeverdachte 1]. De man in de bijrijdersstoel gaf op te zijn [medeverdachte 2] en de man achter in het voertuig opgaf te zijn [verdachte].

Ik, verbalisant [verbalisant 1], deed het linker achterportier open en zag twee tassen op de bodem van het voertuig liggen. Ik, verbalisant, controleerde de tas en trof een vuurwapen aan. In het vak aan de achterzijde van de rugleuning van de bijrijdersstoel werd ook een vuurwapen aangetroffen. Op de achterbank van dezelfde zijde van de bijrijdersstoel was de man genaamd [verdachte] gezeten. Bij controle bleek hij in zijn tas vier doorzichtige plastic zakjes inhoudende plantendelen gelijkende op marihuana te hebben.

Proces-verbaal van wegen en testen d.d. 9 augustus 2024:

Op 9 augustus 2024 heb ik, verbalisant [verbalisant 1], 4 doorzichtige plastic zakjes met een mengsel gelijkende op marihuana aangetroffen. Een hoeveelheid mengsel heb ik getest. Deze test viel positief uit. Dit duidde de aanwezigheid aan van het verdovende middel marihuana. De marihuana had een brutogewicht van 5.92 gram.

Proces-verbaal van technisch onderzoek vuurwapens en munitie d.d. 2 september 2024:

Het voor onderzoek aangeboden pistool was van het merk ‘[vuurwapenmerk/model] en van het kaliber ‘9MMx19’. Bij het wapen werd een bijbehorende patroonhouder en tien scherpe patronen van het kaliber ‘9MM’ aangeboden. Ik, verbalisant, heb vastgesteld dat het voor onderzoek aangeboden pistool een vuurwapen is in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. De voor onderzoek aangeboden tien scherpe patronen zijn munitie in de zin van deze verordening.

Het voor onderzoek aangeboden pistool was van het merk ‘[vuurwapenmerk/model]’ en van het kaliber ‘.45 ACP’. Bij het wapen werd een bijbehorende patroonhouder en acht scherpe patronen van het kaliber ‘.45 AUTO’ aangeboden. Ik, verbalisant, heb vastgesteld dat het voor onderzoek aangeboden pistool een vuurwapen is in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. De voor onderzoek aangeboden acht scherpe patronen zijn munitie in de zin van deze verordening.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Het vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk/model], dat is aangetroffen in het vak aan de achterkant van de rugleuning aan de bijrijderskant, de tien scherpe patronen en de marihuana zijn van mij. Ik heb de patroonhouder van het vuurwapen van het merk [vuurwapenmerk/model] aangeraakt.

Proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 1 september 2024:

Het volgende stuk zal worden aangeboden aan het NFI:

[nummer]: Bemonstering patroonhouder van het pistool van het merk [vuurwapenmerk/model] van het kaliber .45 ACP.

Geschrift, te weten het rapport van DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens op Sint Maarten op 9 augustus 2024, op 7 oktober 2024 opgemaakt en ondertekend door ing. [deskundige], NFI-deskundige:

[nummer] (patroonhouder van het pistool van het merk ‘[vuurwapenmerk/model] van het kaliber .45 ACP)

DNA-mengprofiel [nummer] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.

Feit 5 primair en 6:

Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 juli 2024:

I was at [plaats]. I walked outside. A man walked up to me from behind. He had a force posture. He looked young like he was in his twenties. He was of dark brown complexion. He said something to me in English. His accent was local. When I turned around, he pulled his gun out and squeezed the trigger. Two shots. I got hit twice. He was right in front of me at about a meter away.

Proces-verbaal onderzoek telefoon van [slachtoffer] d.d. 11 oktober 2024:

Telefonische activiteiten [slachtoffer]: het eerste telefonische contact na de schietpartij was op 6 juli 2024 om 20:02:25 uur met [getuige] bekend onder de naam [getuige].

Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d. 26 juli 2024:

Op 6 juli 2024 heeft er een schietincident plaatsgevonden ter hoogte van de [plaats] te Airport road. Door mij, verbalisant, werden de camerabeelden bekeken.

19:22:28 uur: De witte [automerk/model], voorzien van het kenteken [kentekennummer] komt voor het eerst in beeld op de Middle Region Road.

19:34:23 uur: Op de beelden is te zien dat er twee personen voorin de [automerk] zitten.

19:37:00 uur: [slachtoffer], het latere slachtoffer, staat al geruime tijd te bellen nabij de [plaats].

19:43:07 uur: De [automerk/model] rijdt op de Welfare Road in de richting van de Airport Road.

19:46:14 uur: De [automerk/model] met daarin de verdachte rijdt langs [slachtoffer].

19:46:37 uur: De [automerk/model] draait vanaf de Airport Road linksaf de Sr. Modesta Road in. De [automerk/model] keert hier tussen het restaurant Chefs table en Banco di Caribe. Nadat de [automerk/model] hier gekeerd is draait hij vervolgens rechtsaf terug de Airport Road op in de richting van de Subway.

19:46:39 uur: Het voertuig stopt ter hoogte van Subway om vervolgens de Fr. Barbanson Drive in te draaien. Hier stapt de verdachte uit aan de bijrijderskant van de [automerk/model]. De verdachte steekt schuin de Airport Road over in de richting van [plaats] waar slachtoffer [slachtoffer] zich nog steeds op dezelfde locatie bevindt. Hierbij lijkt hij iets te verbergen onder zijn shirt of in zijn broeksband. Hij loopt achter de geparkeerde auto’s langs richting het slachtoffer. Op het moment dat de verdachte aan komt lopen staat [slachtoffer] met zijn gezicht naar de weg gericht. Het lijkt alsof de verdachte iets tegen [slachtoffer] zegt waarna [slachtoffer] zich omdraait. Nadat [slachtoffer] zich heeft omgedraaid zet de verdachte nog twee stappen dichterbij en begint hij gericht op hem te schieten. Direct nadat de verdachte heeft geschoten valt [slachtoffer] op de grond. De verdachte rent weg in dezelfde richting als waar hij vandaan was gekomen. Hij is bij de [automerk/model] aangekomen en stapt in aan de passagierszijde van de [automerk/model]. De [automerk/model] rijdt in de richting van de luchthaven.

Verdachte:

- man

- donkere huidskleur

- stevige bouw

- gezichtsbeharing, mogelijk een sikje

- rechtshandige schutter

- opvallend loopje met voeten licht naar binnen

Proces-verbaal tweede verhoor van getuige [getuige] d.d. 16 oktober 2024:

Q: I want to show you a video. This video shows the shooter shooting. The camera images come from [plaats]. Who is the man on the camera footage?

A: I recognize [betrokkene 1] (het Hof begrijpt: [betrokkene 1]) [automerk/model] on the footage. That is [verdachte] who came out of the [automerk/model]. I know [verdachte]. It is his size, his body and how he is walking.

Q: Do you know [verdachte]’s real name?

A: [verdachte] or something. [verdachte] is his street name.

Proces-verbaal van herkenning door verbalisant d.d. 2 september 2024:

Tijdens de wandeling van het cellencomplex naar de verhoorkamer viel het mij op dat [verdachte] een opvallende manier van lopen heeft. [verdachte] vertoont een opvallende manier van lopen, gekenmerkt door een kenmerkende X-stand van de knieën. Tijdens het lopen komen de knieën dicht bij elkaar of kruisen ze elkaar licht, wat resulteert in een afwijkende, wankelende beweging. Deze loopstijl is duidelijk waarneembaar en onderscheidt zich van een normale gang door de atypische houding en plaatsing van de benen. Vervolgens herinnerde ik mij dat de verdachte in onderzoek Mali-24 een soortgelijke manier van lopen vertoonde. Voorts constateerde ik dat [verdachte] voldeed aan de signalementen van de verdachte die op de beelden van de [plaats] te zien was, zoals: donkere huidskleur, baard op de kin en een mollig postuur.

Hierna bekeek ik opnieuw de beelden van onderzoek Mali-24. Na het bekijken van de beelden herkende en bevestigde ik dat de schutter in onderzoek Mali-24 [verdachte] is.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

Mijn moeder noemt mij [verdachte]. Mijn rappernaam is [verdachte].

Bewijsoverwegingen

Feit 1:

Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben in de zin van de Vuurwapenverordening is vereist dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en daarover feitelijke beschikkingsmacht kon uitoefenen.

Vast staat dat de verdachte zich op de achterbank bevond van een auto waarin één vuurwapen in het vak achter de rugleuning van de voorstoel aan de passagierszijde is aangetroffen, en een tweede vuurwapen in een tas op de bodem van de auto bij de achterbank. De verdachte heeft erkend dat het vuurwapen in het vak achter de rugleuning van hem is. Ten aanzien van het tweede vuurwapen heeft hij dat ontkend.

Het Hof overweegt als volgt.

Het tweede vuurwapen is aangetroffen in de directe nabijheid van de verdachte en bevond zich binnen zijn bereik in de beperkte ruimte van de auto. Voorts staat vast dat de verdachte de patroonhouder van dit vuurwapen heeft vastgehouden.

De verdachte heeft verklaard dat zich een vierde persoon in de auto bevond, dat deze persoon de patroonhouder uit zijn vuurwapen liet vallen en dat hij die patroonhouder vervolgens slechts heeft opgeraapt om deze aan die persoon terug te geven.

Het Hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat deze lezing pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Het bestaan van deze vierde persoon wordt bovendien op geen enkele wijze ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten of andere objectieve gegevens in het dossier.

Zelfs als de verklaring van de verdachte juist is, dan is hij zich niet alleen bewust geweest van de aanwezigheid van dit tweede vuurwapen, maar heeft hij daarover ook feitelijke beschikkingsmacht gehad; het lag immers bij zijn voeten.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de verdachte zich niet alleen bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van dit tweede vuurwapen, maar daarover ook feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad.

Het Hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte beide vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

Feit 5 primair en 6:

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat – kort weergegeven – de herkenningen van de verdachte onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om tot het bewijs te kunnen dienen.

Het Hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen op camerabeelden de nodige behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.

Daarnaast overweegt het Hof dat herkenning van een persoon op beeld plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten dele op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Immers, hoe vollediger men van de betrokken persoon reeds een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat dit op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde beeld van iemand waardevoller is, als dit is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.

Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. De (bewegende) camerabeelden zijn van goede kwaliteit en de schutter is daarop duidelijk waarneembaar, zowel voor, tijdens als na het schieten. De stelling van de raadsvrouw dat de beelden onvoldoende duidelijk zouden zijn om daarop een betrouwbare herkenning te kunnen baseren, volgt het Hof dus niet. De getuige en de verbalisant zijn in hun verklaringen ook duidelijk op grond van welke specifieke kenmerken zij de verdachte herkennen. In het bijzonder de wijze van lopen – die door zowel de getuige als de verbalisant als kenmerkend wordt aangemerkt – vormt een onderscheidend element dat past binnen het hiervoor geschetste holistische karakter van herkenning.

Daarbij komt dat die herkenningen ook steun vinden in de omstandigheid dat het slachtoffer kort na het incident de verdachte als schutter heeft genoemd en hem nadien bij het zien van een foto heeft herkend als degene die op hem heeft geschoten.

Tegen deze achtergrond is het Hof van oordeel dat de herkenningen van de verdachte betrouwbaar zijn en bruikbaar tot het bewijs. Het Hof wordt in zijn overtuiging dat de verdachte de schutter is geweest nog gesterkt door het volgende.

Naast de hiervoor besproken herkenningen stelt het Hof vast dat sprake is van een aannemelijk motief voor de schietpartij, gelegen in jaloezie en reeds bestaande spanningen tussen het slachtoffer en [betrokkene 1], zijnde een ‘vriend’ van de verdachte. Uit het dossier blijkt dat beiden – [betrokkene 1] en [slachtoffer] – betrokken waren bij dezelfde vrouw en dat [betrokkene 1] door het slachtoffer eerder met een mes is gestoken. Dit incident heeft het conflict tussen hen verder doen escaleren, terwijl uit het dossier tevens blijkt dat [betrokkene 1] wraak wilde nemen op het slachtoffer.

In onderlinge samenhang bezien versterken deze feiten en omstandigheden, in combinatie met de betrouwbare herkenningen, de overtuiging van het Hof dat de verdachte de schutter is geweest.

Voorwaardelijk opzet

Het Hof stelt vast dat de verdachte tweemaal op korte afstand met een vuurwapen gericht op het slachtoffer heeft geschoten. Naar algemene ervaringsregels brengt dit een aanmerkelijke kans met zich mee dat vitale lichaamsdelen van het slachtoffer zouden worden geraakt en dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Deze gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het uitschakelen van het slachtoffer, en daarmee op zijn dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op de dood ook bewust heeft aanvaard.

Voorbedachte raad:

Anders dan de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft geen inzicht kunnen of willen geven in het hoe en waarom van het schieten op het slachtoffer. Daarom heeft het Hof in overwegende mate acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte.

Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte reeds vóór het uitstappen uit de auto het besluit had genomen om het slachtoffer dood te schieten. Uit het dossier volgt niet exact hoe lang het heeft geduurd tussen het uitstappen en het schieten, maar wel kan hieruit worden afgeleid dat dit in niet meer dan een minuut heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof blijkt hieruit onvoldoende dat het schieten door de verdachte het gevolg is van een reeds eerder door de verdachte genomen besluit, waarbij voor de verdachte de gelegenheid heeft bestaan om na te denken over zijn voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties daarvan te aanvaarden.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 6 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

telkens: overtreding van een bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening gesteld verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en B van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder b van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht en wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] door met een vuurwapen op hem te richten en tweemaal te schieten. Zijn handelen heeft niet alleen het slachtoffer groot leed berokkend, maar ook in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt of versterkt. Het schietincident vond bovendien plaats op een voor het publiek toegankelijke plaats, langs een vanwege het tijdstip nog druk bezochte weg. Het slachtoffer stond met zijn rug naar die weg en één van de door verdachte afgevuurde kogels is ingeslagen in een op dat moment passerende auto, met daarin een vader, zijn schoonmoeder en zijn drie jonge kinderen. De kogel is ingeslagen in de onderzijde van de deur van de bestuurder maar dit schot had slechts door een ongelukkige samenloop van omstandigheden andere, mogelijk zelfs fatale, gevolgen kunnen hebben. Ook dat risico heeft verdachte op de koop toegenomen en het Hof rekent dit alles de verdachte aan.

Daar komt bij dat de verdachte iets meer dan een maand later in het bezit van twee schietklare vuurwapens in een auto op de openbare weg wordt aangetroffen. Ook vuurwapenbezit veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de kleinschalige samenleving van Sint Maarten waar vuurwapenbezit en -gebruik vandaag de dag steeds vaker voorkomt en niet zelden leidt tot schietincidenten met dodelijke afloop. Tegen dit bezit dient daarom ook streng te worden opgetreden.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan één die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de strafoplegging heeft het Hof aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “poging doodslag met vuurwapen” (waarbij sprake is geweest van zwaar letsel), als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6-8 jaren gegeven. In de oriëntatiepunten wordt voor “vuurwapenbezit in de auto” als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk gegeven.

Het Hof houdt daarnaast rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is relatief jong en, zo blijkt uit zijn strafkaart, niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Alles afwegende is het Hof tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De vuurwapens en de munitie zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu ze met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. Het Hof zal de vuurwapens en de munitie daarom onttrekken aan het verkeer.

De in beslag genomen geldbedragen behoren toe aan de verdachte. Het Hof zal de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten, nu deze geldbedragen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt $ 550,- aan materiële schade en Cg 49.000,- aan immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van $ 550,- aan materiële schade en Cg 10.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vordering is toegewezen.

De benadeelde partij verklaart in zijn aangifte als volgt:

“Ik reed met mijn drie kinderen en mijn schoonmoeder in mijn pick-up. Toen ik langs [plaats] reed, hoorde ik een knal. Ik zag niet wat er gebeurde. Ik reed een stukje verder naar McDonald's en parkeerde aan de kant van de weg. Ik stapte uit de auto en zag het kogelgat bij mijn linker voordeur.”

De benadeelde partij voert als grondslag voor zijn vordering het volgende aan:

“Ik heb de autodeur laten repareren. Ik kon een tijdje niet werken omdat mijn bloeddruk te hoog was. De dokter gaf me geen toestemming om te werken. Ik werd midden in de nacht zwetend wakker en dacht dat ik was neergeschoten. Ik vorder de kosten van reparatie van mijn autodeur ($ 550,-), inkomensverlies ($ 2.500,- per maand), kinderopvang ($ 1.000,- per maand) en NAf 49.000,- immateriële schade in verband met posttraumatische stress-stoornis van mij en mijn kinderen.”

De totale vordering in de strafprocedure heeft benadeelde beperkt tot Naf 50.000,-. In zijn schriftelijke onderbouwing van de vordering heeft benadeelde verklaard dat hij ter terechtzitting van het Gerecht verdere onderbouwing als bewijs zou meebrengen.

De procureur-generaal heeft ter zitting meegedeeld dat de benadeelde partij aan het openbaar ministerie heeft laten weten de vordering in hoger beroep te beperken tot wat de rechter in eerste aanleg heeft toegewezen. De procureur-generaal heeft gerequireerd tot toewijzing van de vordering, overeenkomstig het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg.

In eerste aanleg heeft de raadsvrouw van verdachte zich primair op het standpunt gesteld dat de schade in een te ver verwijderd verband staat met het handelen van de schutter. Subsidiair heeft zij als verweer aangevoerd dat er geen enkele onderbouwing is door facturen of andere bescheiden van de geleden schade. De vordering dient daarom door de civiele rechter te worden beoordeeld, waar gelegenheid is voor verdere bewijslevering.

Het Hof is van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade aan zijn autodeur ontvankelijk is in zijn vordering. Er is een voldoende rechtstreeks verband tussen het schieten door verdachte en de schade. Uit de stukken van het onderzoek blijkt immers dat een door verdachte afgevuurde kogel in de auto van de benadeelde partij is ingeslagen.

De benadeelde partij heeft het bedrag van $ 550,- echter op zijn schadeformulier opgenomen in de kolom “Damages already paid for”. Omdat de schade al is vergoed, kan hij deze niet nogmaals van de verdachte vorderen. Dit onderdeel van de vordering moet daarom worden afgewezen.

Over de gevorderde immateriële schade oordeelt het Hof als volgt.

Het is uitsluitend de eigen bewering van benadeelde dat hij en zijn kinderen als gevolg van het strafbare feit allemaal een posttraumatische stress-stoornis hebben opgelopen. Bovendien is de vraag of, zelfs als een stoornis zou zijn vastgesteld, deze stoornis geheel aan verdachte moet worden toegerekend. Mede gelet op het verweer van de raadsvrouw had benadeelde in ieder geval in hoger beroep zijn vordering nader moeten onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij is ook niet ter zitting verschenen om een nadere toelichting aan het Hof te kunnen geven. De benadeelde partij zal daarom in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Hof zal de proceskosten compenseren in die zin dat beide partijen de eigen proceskosten dragen. Vast staat namelijk dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij, maar onduidelijk is of dat tot de gestelde schade heeft geleid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:74, 1:75 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2;

vernietigt het vonnis van het Gerecht voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 9 jaren;

beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- vuurwapen, merk “‘[vuurwapenmerk/model]”, met bijbehorende munitie

(KVI 2024009541_20240809_221011);

- vuurwapen, merk ‘[vuurwapenmerk/model], met bijbehorende munitie (KVI 2024009541_20240809_220625);

gelast de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen aan de verdachte, te weten Cg 325,-, € 925,- en USD 2.756;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. L.J. Saarloos en mr. drs. S.M. van Lieshout, leden van het Hof, bijgestaan door mr. E.P. Versluis, zittingsgriffier, en op 26 maart 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.

Mr. Saarloos, mr. Van Lieshout en de uitspraakgriffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. Foppen
  • mr. L.J. Saarloos
  • mr. drs. S.M. van Lieshout

Griffier

  • mr. Van Lieshout en de uitspraak

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand