CUR2025H00359
Datum uitspraak: 28 januari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, na vereenvoudigde behandeling (artikel 79, eerste en vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak, hierna: Lar), op het hoger beroep van:
[7 appellanten],
appellanten,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 22 oktober 2025 in zaak nr. CUR202404826, in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 27 juni 2023 heeft de minister aan Alablanca Hill B.V. een bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning, twee flatgebouwen bestaande uit in totaal 11 wooneenheden, een berging en een gym op het adres Alablancaweg 41.
Bij beschikking van 13 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 22 oktober 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toepassing van artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar.
Overwegingen
1. Appellanten hebben in hun hogerberoepschrift van 1 december 2025 niet uiteengezet met welke overwegingen van de uitspraak van het Gerecht zij zich niet kunnen verenigen en waarom dat zo is. Aldus hebben zij niet de gronden vermeld waarop het hoger beroep berust en hebben zij niet voldaan aan het vereiste uit artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, van de Lar, gelezen in verbinding met artikel 77, eerste lid.
Appellanten zijn op dit verzuim gewezen op 4 december 2025 en zij zijn tot en met 2 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om dat te herstellen.
Bij e-mailbericht van 8 december 2025 heeft mr. P. van Dort, advocaat, het Hof laten weten dat hij appellanten niet meer vertegenwoordigt. Hij heeft [appellant 2] en [appellant 6] als contactpersonen genoemd en hij heeft hun contactgegevens doorgegeven. Dit bericht heeft mr. van Dort gelijktijdig ook naar hen gestuurd. Het Hof heeft het bericht van 4 december 2025 zekerheidshalve doorgestuurd naar appellant 2 en appellant 6.
Op 6 januari 2026 heeft het Hof appellant 2 en appellant 6 geïnformeerd dat er geen hogerberoepsgronden zijn ontvangen en hen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 13 januari 2026 te reageren. Alleen appellant 6 heeft daarop gereageerd, met de mededeling dat hij geen aanspreekpunt is voor deze procedure.
Gelet op artikel 22, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar ziet de voorzitter van het Hof in het voorgaande aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.