Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202401041 en CUR2024H00264
Uitspraak: 2 juni 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
de besloten vennootschap
ISLAND’S BEST WINDOWS AND DOORS INTERNATIONAL B.V.
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
nu appellante in het principaal hoger beroep en
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.C. Herrera,
tegen
[OPDRACHTGEVER],
wonend in Curaçao,
in eerste aanleg eiser in conventie en gedaagde in reconventie,
nu geïntimeerde in het principaal hoger beroep en
appellant in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.M. Faria.
Partijen worden hierna IBWD en [opdrachtgever] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 4 november 2024 ingekomen akte van appel is IBWD in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 oktober 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
Bij op 9 december 2024 ingekomen memorie van grieven, met vier producties, heeft IBWD drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. IBWD’s conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een verklaring voor recht zal geven en [opdrachtgever] zal veroordelen tot betaling, met zijn veroordeling in de proceskosten van beide instanties.
Bij op 27 februari 2025 ingekomen memorie van antwoord in het principaal appel, tevens akte van en memorie van grieven in incidenteel appel, met een productie, heeft [opdrachtgever] de grieven in het principaal appel bestreden en in het incidenteel appel een grief tegen het vonnis aangevoerd. [opdrachtgever]’ conclusie strekt ertoe dat het Hof het principaal appel zal verwerpen en het vonnis van het Gerecht zal bevestigen, evenwel met alsnog toewijzing van het door het Gerecht afgewezen deel van de schadevergoedingsvordering, en met veroordeling van IBWD in de proceskosten.
IBWD heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend, met twee producties.
Op 30 september 2025 hebben beide partijen een pleitnota ingediend.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling in hoger beroep
Feiten
Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis in rov. 2.1 t/m 2.19 feiten vastgesteld, waartegen geen bezwaren zijn gericht en waarbij het Hof geen bedenkingen heeft.
Grief 1 en de daarop voortbouwende grieven 2 en 3 in het principaal hoger beroep richten zich, wat betreft de door het Gerecht aan zijn beslissingen ten grondslag gelegde feiten, slechts tegen de volgende feitelijke vaststelling (niet opgenomen onder “De feiten” maar onder “De beoordeling”, rov. 4.4):
[opdrachtgever] heeft gesteld, en dat is niet betwist, dat hij heeft geweigerd de opleveringsverklaring te ondertekenen vanwege de aanwezige gebreken.
Vorderingen en verweren
In conventie
[opdrachtgever] vordert verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst tussen partijen is ontbonden, en veroordeling van IBWD tot betaling van het vooruitbetaalde deel van de aanneemsom van NAf (thans en verder: Cg) 95.000 en van een schadevergoeding van Cg 21.000 te vermeerderen met Cg 7.000 voor iedere maand na februari 2024 tot de dag dat het - door nalaten van IBWD vertraagde - project in bewoonbare staat verkeert. [opdrachtgever] legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij de overeenkomst buiten rechte heeft ontbonden op grond van een toerekenbare tekortkoming van IBDW in de nakoming, zodat hij recht heeft op terugbetaling en schadevergoeding.
In reconventie
IBWD vordert in reconventie verklaring voor recht dat zij niet in verzuim is, met als gevolg dat [opdrachtgever] de overeenkomst niet buiten rechte kon ontbinden. De gronden van deze vordering vallen samen met die van het verweer van IBWD in conventie. De verweren van [opdrachtgever] in reconventie vallen samen met de gronden van zijn vordering in conventie. Op een en ander gaat het Hof hierna in.
Beslissingen van het Gerecht
In conventie
Het Gerecht heeft in conventie, voor zover in hoger beroep nog van belang, voor recht verklaard dat de overeenkomst is ontbonden en IBWD veroordeeld tot (terug)betaling van Cg 95.000 en een schadevergoeding van Cg 29.250. Het Gerecht heeft aan deze beslissingen ten grondslag gelegd dat [opdrachtgever] de aannemings-overeenkomst kon ontbinden op de voet van art. 6:265 BW en art. 6:80 BW (de zogenoemde anticipatory breach), omdat [opdrachtgever] uit gedragingen van IBWD mocht afleiden dat zij blijvend tekort zou schieten in de nakoming van haar verplichtingen. Het Gerecht heeft hierbij overwogen dat art. 7:756 lid 1 BW – dat specifiek voor aannemingsovereenkomsten bepaalt dat vóór de vastgestelde opleveringsdatum de overeenkomst slechts door de rechter kan worden ontbonden – in dit geval niet aan de ontbinding buiten rechte in de weg staat omdat partijen geen opleveringsdatum hadden vastgesteld althans oplevering in de zin van art. 7:758 lid 1 BW niet had plaatsgevonden.
In reconventie
Als consequentie van de in conventie gegeven verklaring voor recht dat de overeenkomst door [opdrachtgever] is ontbonden, heeft het Gerecht de vordering van IBWD in reconventie, om voor recht te verklaren dat zij niet in verzuim was, afgewezen.
Beoordeling door het Hof
In het principaal appel
Van oplevering in de zin van art. 7:758 lid 1 BW - waarna krachtens lid 2 van dit artikel en art. 7:756 lid 2 BW ontbinding buiten rechte door de opdrachtgever vanwege een tekortkoming van de aannemer niet meer mogelijk is - is sprake zodra de aannemer aan de opdrachtgever te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is en de opdrachtgever het werk heeft aanvaard of geacht kan worden het te hebben aanvaard.
opdrachtgever] heeft IBWD per mail van 15 december 2023 gewezen op gebreken in het afgeleverde werk, waaronder het los zitten van het raam, niet uitgelijnde deuren, loszittende deuren, niet goed afgedichte deuren, niet goed sluitende deuren en gespoten in plaats van de overeengekomen gecoate shutters. IBWD heeft in reactie daarop op 16 december 2023 aan [opdrachtgever] bericht dat zij alle deuren en ramen heeft geleverd en gemonteerd, met een betalingsherinnering. Bij brief van 26 februari 2024 heeft [opdrachtgever] een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring uitgebracht (zie rov. 2.11, 2.12 en 2.13 van het bestreden vonnis). Volgens IBWD heeft op de datum van haar genoemde email, 16 december 2023, de oplevering plaatsgevonden, waardoor [opdrachtgever] het werk heeft aanvaard en wellicht nog aanspraak had op herstel van daarna blijkende gebreken, maar de overeenkomst niet meer buiten rechte kon ontbinden.
Oplevering als onder 2.4.1 gedefinieerd heeft door dit handelen en nalaten van partijen, naar het oordeel van het Hof, niet plaatsgevonden. In aanmerking genomen de opsomming van gebreken in de mail van [opdrachtgever] van 15 december 2023 kon IBWD op 16 december 2023 redelijkerwijs niet aannemen dat [opdrachtgever] op die dag bedoelde het werk (eventueel onder voorbehoud) te aanvaarden, wat art. 7:758 lid 1 BW als eis stelt aan een oplevering met het rechtsgevolg van art. 7:758 lid 2 BW dat het werk voor risico van de opdrachtgever komt. Als redelijk - met oog voor de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever [opdrachtgever] - handelend aannemer had IBWD uit de gang van zaken op 15 en 16 december 2023 moeten afleiden dat [opdrachtgever] het werk in de staat waarin IBWD het wilde opleveren niet wilde aanvaarden.
Of (het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat) [opdrachtgever] heeft geweigerd een door IBWD aan hem voorgelegde opleveringsverklaring te ondertekenen vanwege de aanwezige gebreken, kan in het midden blijven. Ook zonder uitdrukkelijke weigering kan [opdrachtgever] niet geacht worden het werk te hebben aanvaard in de toestand waarin het verkeerde op 16 december 2023. Op die datum is IBWD niet ontslagen uit haar verplichting om te leveren wat was overeengekomen.
Die laatste verplichting is IBWD niet nagekomen. [opdrachtgever] heeft op die grond met recht en effect de overeenkomst ontbonden. Gelegenheid tot herstel hoefde [opdrachtgever] daarna niet meer aan IBWD te gunnen. De grieven slagen niet. Het vonnis wordt op dit onderdeel bevestigd.
IBWD, de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten van [opdrachtgever] in het principaal hoger beroep, die tot uitspraak van het vonnis worden begroot als hierna in het dictum te vermelden.
In het incidenteel appel
Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, alsmede het causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW, gelden in beginsel de gewone bewijsregels. Daarbij geldt echter ook dat de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (zie: HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, 4.11.3).
Met juistheid, en in hoger beroep als maatstaf voor begroting van de schade niet bestreden, heeft het Gerecht geoordeeld dat onaanvaardbaar is (i) dat de schade die [opdrachtgever] heeft geleden als gevolg van door de nieuwe opdrachtnemer veroorzaakte (verdere) vertraging voor rekening van IBWD komt en (ii) dat aan [opdrachtgever] schadevergoeding wegens huurinkomstenderving over de hele periode van door IBWD veroorzaakte vertraging wordt toegekend, omdat niet zonder meer kan worden aangenomen dat zonder de vertraging de appartementen gedurende deze hele periode verhuurd zouden zijn geweest. Van deze laatste veronderstelling, die in zijn vordering tot schadevergoeding besloten ligt, heeft [opdrachtgever] ook in hoger beroep geen bewijs geleverd of (voldoende specifiek) aangeboden. Het Hof verenigt zich daarom met de schadebegroting van het Gerecht.
De grief slaagt niet. Het vonnis wordt ook op dit onderdeel bevestigd. [opdrachtgever], de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten van IBWD in het incidenteel hoger beroep, die tot uitspraak van het vonnis worden begroot als hierna in het dictum te vermelden.
B E S L I S S I NG
Het Hof:
in het principaal appel
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt IBWD in de proceskosten, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [opdrachtgever] begroot op Cg 7.000 aan salaris gemachtigde;
in het incidenteel appel
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van IBWD begroot op Cg 402,89 aan verschotten en Cg 4.000 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.