ECLI:NL:OGHACMB:2026:130

ECLI:NL:OGHACMB:2026:130

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer CUR2026H00069
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Artikel 429p lid 2 Rv. Afwijzing verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202501744 – CUR2026H00069

Uitspraak: 26 mei 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (artikel 429p lid 2 Rv) van:

[appellante],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski,

tegen

[geїntimeerde],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg verweerder, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.C.G.G. Hoek,

betreffende de minderjarige:

[de minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats].

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij beroepschrift van 18 februari 2026 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 8 januari 2026 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

De vrouw heeft verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 8 januari 2026 te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. De man heeft verweer gevoerd.

De vrouw heeft haar verzoek nader schriftelijk toegelicht, waarbij zij ook producties heeft ingediend. Daar is namens de man per e-mailbericht op gereageerd.

Partijen hebben om een beschikking gevraagd. Bepaald is dat die vandaag zal worden gegeven.

2. De beoordeling

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht kort gezegd:

a) het verzoek van respectievelijk de vrouw en de man om het eenhoofdig gezag afgewezen, zodat het gezamenlijk gezag over de minderjarige gehandhaafd blijft;

b) het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige te verhuizen naar de [land] afgewezen;

c) de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bepaald bij de man;

d) een zorg- en contactregeling vastgesteld waarbij de minderjarige door de week bij de man is en om de week in het weekend bij de vrouw en een verdeling vastgesteld van de vakanties en feestdagen;

e) de door de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige bepaald;

f) het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van partneralimentatie afgewezen.

De beslissing van het Gerecht om de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is niet in het dictum van de beschikking opgenomen. Gelet op rechtsoverweging 4.33 van die beschikking heeft het Gerecht echter wel bedoeld de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarvan uitgaande zal het Hof het verzoek tot schorsing inhoudelijk beoordelen.

Het Hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het Hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen in de uitspraken van het Gerecht en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissingen van het Gerecht op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berusten, kan het Hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden (Hoge Raad op 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).

Het Hof oordeelt als volgt. Voor zover het Gerecht de verzoeken van partijen heeft afgewezen kan van die beslissing (logischerwijs) geen schorsing worden verzocht. Dit geldt voor de beslissingen over (a) het gezamenlijk gezag, (b) het ‘verhuisverzoek’ en (f) het verzoek om partneralimentatie.

Het verzoek maakt niet duidelijk van welke van de overige beslissingen de vrouw schorsing van de uitvoerbaarheid verzoekt. Het Hof neemt aan dat het gaat om de beslissingen over hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Bij vonnis in kort geding van 8 november 2023 is, onder meer, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw bepaald. Daarnaast is een zorgregeling bepaald. De vrouw is daarna, in augustus 2025, in de [land] gaan wonen en werken. Bij vonnis in kort geding van 26 november 2025 is de zorgregeling uit het vonnis van 8 november 2023 gewijzigd, zodat de minderjarige door de week bij de man in Curaçao verblijft en de vrouw de minderjarige om de week een weekend bij zich zal hebben als zij in Curaçao is. De vrouw stelt dat zij zich genoodzaakt heeft gezien om per mei 2026 terug te verhuizen naar Curaçao, zodat zij zelf het contact met de minderjarige kan waarborgen. Volgens haar heeft de man geprobeerd de band tussen haar en de minderjarige te laten verwateren. Zij wil daarom dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige weer bij haar is en dat de minderjarige door de week bij haar verblijft. Schorsing van de bestreden beschikking zou echter tot gevolg hebben dat de zorgregeling zoals die is vastgesteld in het kort gedingvonnis van 26 november 2025 weer heeft te gelden. Die zorgregeling is vrijwel gelijk aan de zorgregeling zoals die is vastgesteld in de bestreden beschikking. De vrouw heeft daarom geen belang bij schorsing van de bestreden beschikking op dat punt (d). Nog afgezien daarvan geldt dat de stelling van de vrouw dat de man probeert de band tussen haar en de minderjarige te laten verwateren, moet worden meegenomen bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Daarop loopt het Hof niet vooruit. Dat geldt ook voor haar stelling dat de minderjarige achteruitgaat in zijn ontwikkeling sinds hij door de man wordt verzorgd.

De vrouw voert ook voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissingen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige (c) en de door de vrouw te betalen kinderalimentatie (e) alleen inhoudelijke argumenten aan. Die argumenten horen thuis in de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.

De slotsom luidt dat het verzoek zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op de familierelatie van partijen geen aanleiding.

B E S L I S S I N G

Het Hof wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand