Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: SXM202500310- SXM2025H00094
Uitspraak: 26 mei 2026 (Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna: de vrouw,
oorspronkelijk verweerster, thans appellante,
gemachtigde: mr. V.C. Choennie,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats],
hierna: de man,
oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S.R. Bommel.
De zaak betreft de volgende minderjarigen:
1. minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ([land]),
2. [ minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats].
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het Hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een beroepschrift van 8 oktober 2025 met producties, waarbij de vrouw in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gewezen en op 27 augustus 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht);
- een mailbericht van de vrouw van 11 maart 2026 met producties 4 tot en met 10b en een mailbericht van de vrouw van 12 maart 2026 met productie 10c;
- een mailbericht van de man van 12 maart 2026 met producties 1 tot en met 15.
Op 17 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Gerechtsgebouw in Sint Maarten. Daar zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden. Partijen hebben vragen beantwoord en de gemachtigde van de vrouw heeft een pleitnotitie overgelegd. De Voogdijraad Sint Maarten is wel opgeroepen, maar niet verschenen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen zal worden verzonden tegelijk met deze beschikking. Tijdens de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over het afstemmen van de lopende procedures in Sint Maarten en in [land].
Beschikking is nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
Partijen, die beiden in ieder geval de Franse nationaliteit hebben, zijn gehuwd op [datum] 2018 in [land] en uit dat huwelijk zijn de hiervoor genoemde minderjarigen geboren.
In 2021 hebben partijen zich met hun kinderen gevestigd in Sint Maarten (het Franse gedeelte) en in februari 2022 in Sint Maarten(Het Nederlandse gedeelte). Tot eind 2024 woonden partijen met hun kinderen daar. In december 2024 is de vrouw met de kinderen naar [land] vertrokken. In september 2025 is de vrouw met de kinderen naar [land] gereisd, waar zij tot op heden verblijft. Zij woont met haar moeder en de kinderen in [stad] en de kinderen gaan daar naar school.
In juli 2024 heeft de oudste minderjarige een hartinfarct gehad. Hij lijdt aan een genetische aandoening waardoor hij intensieve medische zorg nodig heeft. Ook de jongste minderjarige is onder medische controle, aangezien zij mogelijk aan dezelfde genetische aandoening lijdt.
3. De procedure bij het Gerecht
De man heeft het Gerecht verzocht:
a. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
b. te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gebruik kan maken van de echtelijke woning;
c. te bepalen dat beide partijen belast blijven met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;
d. een zorgregeling vast te stellen tussen de vrouw en de minderjarigen;
e. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te gelasten, met benoeming van een notaris en onzijdige personen.
De vrouw heeft erkend dat het huwelijk duurzaam is ontwricht maar heeft aangevoerd dat de man reeds een echtscheidingsprocedure heeft gestart in [land] en dat de vrouw en kinderen inmiddels in [land] verblijven. De vrouw heeft zich beroepen op onbevoegdheid van de rechter in Sint Maarten (zo heeft het Gerecht het betoog van de vrouw begrepen) dan wel toepassing van Frans recht op de verzochte echtscheiding en nevenvoorzieningen. Als zelfstandig verzoek heeft zij een verklaring voor recht gevraagd dat Frans recht van toepassing is
Na een mondelinge behandeling op 18 augustus 2025 heeft het Gerecht
i) zich bevoegd verklaard te oordelen over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen (4.2),
ii) Frans recht toegepast op de echtscheiding (4.4), op het verzoek voortgezet gebruik van de echtelijke woning (4.6) en op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (4.5) en de verzoeken sub a, b en e toegewezen;
iii) het recht van Sint Maarten toegepast op de verzoeken c en d (4.7) met toewijzing van verzoek c (4.8) en afwijzing van verzoek d (4.11);
iv) en het zelfstandig verzoek van de vrouw afgewezen (4.12).
4. De beoordeling
Het Hof maakt voor de beoordeling onderscheid tussen enerzijds de verzoeken a (de echtscheiding) b (het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning) en e (de verdeling van de gemeenschap van goederen en anderzijds de verzoeken c (gezamenlijk gezag en bepalen hoofdverblijfplaats) en d (een zorgregeling).
bevoegdheid inzake verzoeken a, b en e
Op grond van artikel 814 lid 2 sub b Rv komt aan de rechter in Sint Maarten rechtsmacht toe ter zake van een echtscheiding en een nevenvoorziening indien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift (in dit geval op 10 maart 2025) een van de echtgenoten sedert twaalf maanden woonplaats of gewone verblijfplaats in Sint Maarten heeft.
In deze zaak geldt dit in ieder geval voor de man, nu uit de door hem bij inleidend verzoekschrift overgelegde stukken voldoende blijkt dat hij in elk geval vanaf september 2023 woont op een adres in Sint Maarten (in het Nederlandse deel). Weliswaar heeft de vrouw aangevoerd (in haar beroepschrift bij grief 1) dat de verblijfsvergunning van het gezin is verlopen in november 2024 en dat de man ook in het Franse deel van Sint Maarten verblijft, maar die feiten en omstandigheden doen er niet aan af dat Sint Maarten vanaf september 2023 als zijn gewone verblijfplaats moet worden aangemerkt. Grief 1 faalt daarmee.
De conclusie is dat het Gerecht bevoegd was te oordelen over het verzoek tot echtscheiding en de verzoeken tot het treffen van de nevenvoorzieningen b en e.
beoordeling van de verzoeken a, b en e
In de toelichting op grief 2 wijst de vrouw er op dat de echtscheiding volgens Frans recht dient te worden beoordeeld, vanwege de rechtskeuze die partijen gedaan hebben voorafgaand aan het huwelijk. Nu het Gerecht Frans recht heeft toegepast op de echtscheiding gaat ook deze grief niet op.
bevoegdheid inzake de verzoeken c en d
Het Gerecht heeft (kennelijk) bevoegdheid aangenomen op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961(hierna: HKV 1961; Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961, Trb. 168, 101). [land] en het Koninkrijk er Nederlanden zijn beide partij bij HKV 1961, en dit Verdrag heeft medegelding voor Sint Maarten.
Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV 1996; Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299) is niet van toepassing. Weliswaar zijn [land] en het Koninkrijk der Nederlanden partij, maar voor wat betreft Sint Maarten geldt dat het HKV 1996 tot op heden geen medegelding heeft (zie Trb.2011, 166).
Artikel 1 HKV 1961 bepaalt dat de rechter bevoegd is waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Het Gerecht heeft (in 4.7) aangenomen dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Sint Maarten hadden, totdat zij in december 2024 zonder toestemming van de man (die gezamenlijk gezag heeft) zijn overgebracht naar [land]. Die onrechtmatige verplaatsing heeft volgens het Gerecht geen wijziging in de juridische verblijfplaats van de minderjarigen gebracht, ook omdat de vader niet heeft berust in de wijziging van het gewone verblijf van de minderjarigen.
Na de bestreden beschikking is de situatie echter veranderd. Het Hof moet zijn internationale bevoegdheid in deze zaak ambtshalve opnieuw beoordelen en hanteert daarbij het in artikel 1 HKV genoemde criterium, te weten de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Ter zitting in hoger beroep heeft het Hof met partijen gesproken over de situatie van de minderjarigen, die vanaf december 2024 in [land] verblijven en vanaf september 2025 in [land]. Duidelijk is dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen thans niet meer in Sint Maarten is. De man heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij ermee akkoord is dat de rechter in [land] zal oordelen over de verzoeken c (gezag en hoofdverblijfplaats) en d (zorgregeling). Van belang is ook dat er al procedures aanhangig zijn gemaakt in [land], waarbij kennelijk een Franse rechter een procedure heeft aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze procedure (partijen hebben het Hof niet op de hoogte hebben gebracht van de precieze stand van zaken van deze procedure(s)). Het Hof zal zich gelet op al deze omstandigheden onbevoegd verklaren kennis te nemen van de verzoeken c en d.
Grief 3 van de vrouw (waarin zij zich verzet tegen de beslissing van het Gerecht om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man in Sint Maarten te bepalen) behoeft daarmee geen verdere bespreking. Het Hof zal de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen (voor wat betreft de beslissingen op de verzoeken c en d) en voor het overige bevestigen. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking voor zover het betreft sub 5.4 en 5.5 van het dictum, met bevestiging van de beschikking voor het overige;
en opnieuw rechtdoende:
het Hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de inleidende verzoeken c (gezamenlijk gezag en bepalen hoofdverblijfplaats) en d (zorgregeling);
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.M. van der Bunt en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.