Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: BON202200099-BON2023H00032
BON202300163-BON2024H00015
Uitspraak: 3 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak (BON2023H00032) van:
1. de vereniging
VERENIGING GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGEN VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB
hierna: de Vereniging,
2. de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB, GEBOUW FI
hierna: VvE FI,
3. de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB, GEBOUW BII-CI
hierna: VvE BII-CI
allen gevestigd in Bonaire,
appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep,
gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en S.L. Navia Rodriguez,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
wonende in [woonplaats],
hierna: [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2]
wonende in [woonplaats],
hierna: [geïntimeerde 1],
geïntimeerden in principaal beroep, appellanten in incidenteel beroep,
gemachtigde: mr. M.G. van Dijk,
en
in de zaak (BON2024H00015) van:
de vereniging
VERENIGING GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGEN VAN EIGENAREN SAND DOLLAR CONDO-TEL AND BEACH CLUB
hierna: de Vereniging,
gevestigd in Bonaire,
appellanten in principaal beroep, geïntimeerden in incidenteel beroep,
gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en S.L. Navia Rodriguez,
tegen
1. [geïntimeerde 3],
2. geïntimeerde 4],
3. geïntimeerde 5],
4. geïntimeerde 2],
5. geïntimeerde 6],
6. geïntimeerde 1],
allen woonplaats gekozen hebbende in [woonplaats],
geïntimeerden in principaal beroep, appellanten in incidenteel beroep,
gemachtigde: mr. M.G. van Dijk,
In zaak BON2023H00032H00032 worden de appellanten hierna gezamenlijk (ook) aangeduid als de VvE’s. In zaak BON2023H00015 worden de geïntimeerden hierna gezamenlijk (ook) aangeduid als de groep [geïntimeerde 3].
1. Samenvatting
Dit speelt zich af op het Sand Dollar-resort in Bonaire. Het betreft een langlopend conflict, ook al onderwerp van een aantal eerdere procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, tussen groepen appartementseigenaren binnen het resort over de vraag of de erfpachtsrechten op bepaalde aanpalende percelen moeten worden aangekocht door de Vereniging van Eigenaren van het resort. De groepen bewoners die zich daartegen verzetten weigeren de hogere resortfee te betalen die het gevolg zou zijn van die aankoop. Het Gerecht heeft hen grotendeels gelijk gegeven. Het Hof beoordeelt de vorderingen van de Vereniging van Eigenaren opnieuw.
2. Het verloop van de procedures in hoger beroep
in zaak BON2023H00032 (hierna: zaak H32)
Bij op 10 oktober 2023 ingekomen akte van appel zijn de VvE’s in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht) van 30 augustus 2023 (met zaaknummer BON202200099).
Bij op 20 november 2023 ingekomen memorie van grieven hebben de VvE’s bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis zal vernietigen en de vorderingen van de VvE’s alsnog zal toewijzen als volgt:
a. veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van USD 12.847, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar,
b. veroordeling van [geïntimeerde 2] tot betaling van USD 13.317, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar,
met veroordeling in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
Bij op 10 januari 2024 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de grieven bestreden en eigen bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. Hun conclusie strekt er onder meer toe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen met verbetering van gronden en de veroordeling van de VvE’s in de werkelijk gemaakte proceskosten in beide instanties, met bepaling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daaraan niet hoeven bij te dragen door middel van hun ledenbijdragen.
Bij op 4 maart 2024 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel beroep hebben de VvE’s verweer gevoerd tegen het incidenteel beroep en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten in beide instanties.
Op de rol van 15 oktober 2024 hebben beide partijen schriftelijke pleitaantekeningen overgelegd. Voorafgaand daaraan hebben de VvE’s bij brief van 9 oktober 2024 de producties HB26 tot en met HB45 overgelegd.
Bij brief van 18 juni 2025 heeft mr. van Dijk namens geïntimeerden de producties HB43 tot en met HB54 overgelegd. Bij brief van 19 juni 2025 hebben de VvE’s de producties HB46 tot en met HB58 overgelegd.
in zaak BON2024H00015 (hierna: zaak H15)
Bij op 29 april 2024 ingekomen akte van appel zijn de VvE’s in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire (hierna: het Gerecht) van 20 maart 2024 (met zaaknummer BON202300163, hersteld op 24 april 2024).
Bij op 7 juni 2024 ingekomen memorie van grieven hebben de VvE’s bezwaren tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog de vorderingen van de groep [geïntimeerde 3] zal afwijzen, met hun veroordeling in de kosten in beide instanties.
Bij op 13 september 2024 ingekomen memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft de groep [geïntimeerde 3] de grieven bestreden en eigen bezwaren tegen het vonnis aangevoerd. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen met verbetering van gronden en de veroordeling van de VvE’s in de werkelijk gemaakte proceskosten in beide instanties, met bepaling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daaraan niet hoeven bij te dragen door middel van hun ledenbijdragen.
Bij brief van 18 juni 2025 heeft de groep [geïntimeerde 3] een akte houdende wijziging van eis ingediend en heeft zij de producties HB22 tot en met HB29 overgelegd.
Bij brief van 19 juni 2025 hebben de VvE’s de producties 33 tot en met 37 overgelegd.
voorts in beide zaken (H32 en H15):
In beide zaken heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden op 24 juni 2025. Aanwezig in het Gerechtsgebouw van Bonaire waren [general manager], general manager van Sand Dollar Resort, alsmede de gemachtigden van partijen, die ieder spreekaantekeningen hebben gehanteerd (een per zaak). Per videoverbinding heeft deelgenomen aan de zitting [betrokkene 1] namens het bestuur van de VvE’s.
In beide zaken is vonnis nader bepaald op vandaag.
3. De feiten
in beide zaken
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Zowel de geïntimeerden in zaak H32 als de geïntimeerden in zaak H15 zijn elk eigenaar van een appartementsrecht in het Sand Dollar Resort (hierna: het Resort) in Bonaire, dat is gebouwd op door de rechtsvoorganger van het Openbaar Lichaam Bonaire in erfpacht uitgegeven grond. Het Resort is ontwikkeld door Sand Dollar N.V. (de projectontwikkelaar) en bestaat uit negen appartementencomplexen met in totaal 85 appartementen. De projectontwikkelaar heeft er indertijd voor gekozen om de gronden die om de appartementencomplexen heen liggen (de Common Grounds, waarop zich inmiddels onder meer een bar/restaurant, een zwembad en parkeerplaatsen bevinden) niet te verkopen, maar zelf te houden.
Bij de ontwikkeling en splitsing van het Resort hebben de appartementseigenaren het recht gekregen om de recreatieve faciliteiten op de Common Grounds te gebruiken. Dit gebruiksrecht is niet exclusief, dat wil zeggen dat derden ook toegang hebben tot de Common Grounds. De verplichting om de Common Grounds beschikbaar te houden voor de eigenaren en te onderhouden en in stand te houden is opgelegd in de splitsingsakten aan de projectontwikkelaar en daarna aan de Vereniging als rechtsopvolger van de projectontwikkelaar.
De relevante artikelen waarin het gebruiksrecht is vastgelegd luiden onder meer als volgt:
in de splitsingsakte van 26 maart 1986:
“Artikel 46
1. De vennootschap zal (…) op de percelen (Hof: de Common Grounds), de navolgende faciliteiten stichten, en zal deze naar behoren blijven onderhouden en in bedrijf casu quo bruikbaar houden, alsmede beschikbaar houden ten behoeve van appartementsrechten, voor onbeperkt gebruik om niet door de eigenaren en de gebruikers daarvan met hun gasten (…). Bedoelde faciliteiten zijn tenminste: parkeerplaatsen (minimaal even zoveel als het aantal appartementen), een restaurant met terras, een zwembad met terras, een zeestrand, twee tennisbanen, wegen, casu quo paden om bedoelde faciliteiten te bereiken vanaf de openbare weg en vanaf de appartementen, vice versa, alsmede groenvoorzieningen.
2. In iedere akte van vervreemding van een appartementsrecht zullen zodanige bepalingen en bedingen worden opgenomen dat de nakoming door de vennootschap van zijn verplichtingen en de handhaving van de aan de appartementen verbonden rechten, alles als bij lid 1 bedoeld, genoegzaam zullen zijn zeker gesteld.”.
In de splitsingsakten van 18 augustus 1986, 11 december 1986 en 6 november 1987 zijn de hiervoor geciteerde artikelen 46 lid 1 en 2 opgenomen in artikel 47, dat onder meer luidt als volgt:
3(…) worden bij deze om niet gevestigd ten behoeve van het de koper bij deze akte geleverde appartementsrecht als heersend erf, en ten laste van de verkoper (…) als lijdende erven, de navolgende erfdienstbaarheden:
a. de erfdienstbaarheid van weg (…)
b. de erfdienstbaarheid van pad, om (…) te komen van en te gaan naar de faciliteiten, ten minste zijnde: parkeerplaatsen (minimaal even zoveel als het aantal appartementen), een restaurant met terras, een zwembad met terras, een zeestrand, twee tennisbanen, alsmede groenvoorzieningen;
c.(…) de erfdienstbaarheid tot het voor rekening van verkoper aanleggen alsmede onderhouden van de hiervoor sub a en b bedoelde wegen en paden(…);
4 eveneens (…) wordt bij deze door en ten behoeve van koper en zijn rechtsopvolgers bedongen van, opgelegd aan en aangenomen door verkoper, de verplichting tot het stichten (…) van de hiervoor sub 3b genoemde faciliteiten, en het naar behoren blijven onderhouden en in bedrijf casu quo bruikbaar houden, alsmede beschikbaar houden ten behoeve van het bij deze akte overgedragen appartementsrecht van die faciliteiten, zulks voor onbeperkt gebruik om niet door de gerechtigde tot het onderhavige appartementsrecht en de gebruikers van dat recht met hun gasten met inachtneming van het in artikel 47 bedoelde reglement (…);
5 op verbeurte van een (…) boete (…) zullen de bedingen van de artikelen 3 en 4 van deze akte en van dit artikel 5 bij vervreemding van(…) de huidige kadastrale percelen (…) voor zover deze bestemd of mede bestemd zijn voor de stichting van vorenbedoelde bedoelde wegen, paden en faciliteiten – aan de nieuwe verkrijger moeten worden opgelegd (…)”.
In de leveringsakten van de afzonderlijke appartementen is steeds vastgelegd dat dit gebruiksrecht om niet aan de kopers wordt toegekend. In geval van verkoop wordt de voortzetting van dit gebruiksrecht verzekerd door een kettingbeding.
Een kleine groep eigenaren heeft in 2004/2005, toen volgens hen commerciële ontwikkeling van de Common Grounds door derden dreigde, gezamenlijk het erfpachtsrecht op die percelen verworven en ondergebracht in de vereniging The Beach Club at Sand Dollar (hierna: de Beach Club). De Vereniging heeft een overeenkomst gesloten met de Beach Club, die voorziet in een exclusief gebruiksrecht voor appartementseigenaren (dat wil zeggen afsluiting van de Common Grounds voor iedereen die geen lid is van de Beach Club). Over de verlenging van die overeenkomst wordt jaarlijks in de algemene ledenvergadering van de Vereniging een besluit genomen.
Dezelfde groep eigenaren heeft in 2018 van enkele aanpalende aan zee gelegen percelen (de Seaside percelen) de erfpachtsrechten verworven en heeft die ondergebracht in Barracuda Beach LLC (hierna: Barracuda Beach). De Vereniging heeft een overeenkomst gesloten met Barracuda Beach, die voorziet in een periodiek aan Barracuda Beach te betalen vergoeding voor de verkrijging van de Seaside percelen, met als doel dat de Vereniging uiteindelijk de erfpachtsrechten verkrijgt, om ook voor de Seaside percelen een exclusief gebruiksrecht voor leden te waarborgen.
De kosten die de Vereniging maakt vanwege de overeenkomsten met Beach Club en Barracuda Beach worden aan de appartementseigenaren doorberekend als onderdeel van de door hen maandelijks te betalen resort fee.
De Vereniging heeft op 17 december 2020 een besluit ter stemming gebracht in haar algemene ledenvergadering om de erfpachtsrechten op de Common Grounds en de Seaside percelen door de Vereniging te laten aankopen. Dat besluit is niet met unanieme stemmen aangenomen (vanwege tegenstemmen van onder meer de geïntimeerden in deze beide zaken), terwijl unanimiteit wel vereist is op grond van bepalingen in het Splitsingsreglement en in de statuten van de Vereniging (hierna: de Statuten).
Op 24 september 2021 heeft de Vereniging (na een besluit van het Bestuur van 21 september 2021) met ingang van 1 januari 2022 een (vernieuwde) huurovereenkomst gesloten met Beach Club over de huur van een gebouw dat zich bevindt op perceel [perceelnummer] (hierna: de Main Office). Deze overeenkomst wordt jaarlijks verlengd.
Op jaarlijkse ledenvergaderingen (onder meer op 20 maart 2023) zijn op voorstel van de Vereniging besluiten genomen over betalingen door de Vereniging aan de Beach Club en aan Barracuda Beach.
In een procedure die in hoger beroep geëindigd is in een beschikking van dit Hof van 21 november 2023 (met als zaaknummer BON2021H00045, gepubliceerd met kenmerk ECLI:NL:2023:261) zijn verzoeken afgewezen van de Vereniging tot wijziging van de unanimiteitseisen in het splitsingsreglement en in de statuten die het aannemen van aankoopbesluiten inzake Beach Club en Barracuda Beach verhinderen.
4. De procedure bij het Gerecht
in zaak H32
De VvE’s hebben (na vermeerdering van eis) gevorderd dat het Gerecht:
a. [geïntimeerde 1] veroordeelt tot betaling van USD 11.435 en
b. [geïntimeerde 2] veroordeelt tot betaling van USD 15.345
in beide gevallen betreffende aan de Vereniging verschuldigde maandelijkse bijdragen, vermeerderd met rente en kosten.
Het Gerecht heeft na een tussenvonnis van 25 januari 2023 bij eindvonnis van 30 augustus 2023 deze vorderingen afgewezen omdat de daaraan door de VvE’s ten grondslag gelegde besluiten van de Vereniging nietig zijn (wegens strijd met het in de splitsingsakten vastgelegde gratis gebruiksrecht). Daarnaast zijn VvE FI en VvE BII-CI niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De VvE’s zijn in de proceskosten veroordeeld conform het liquidatietarief. De vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] om de VvE’s in de werkelijke proceskosten te veroordelen is afgewezen.
in zaak H15
De groep [geïntimeerde 3] heeft na wijziging van eis gevorderd dat het Gerecht:
I. het besluit van het Bestuur van de Vereniging van 21 september 2021 (over de huur van de Main Office) nietig verklaart dan wel vernietigt;
II. de Vereniging en het Bestuur daarvan verbiedt om overeenkomsten te sluiten met Beach Club die tot doel hebben dat de groep [geïntimeerde 1] niet langer gratis gebruik mogen maken van de Common Grounds, op straffe van dwangsommen;
III. de Vereniging en het Bestuur daarvan verbiedt om de groep [geïntimeerde 3] via hun resortfees te belasten voor het gebruik van de Common Grounds, op straffe van dwangsommen,
IV. de Vereniging en het Bestuur daarvan verbiedt om uitvoering te geven aan de met Barracuda Beach gesloten overeenkomsten die ten doel hebben dat de Vereniging het huurrecht verwerft dan wel de erfpachtsrechten verwerft op de Seaside percelen, op straffe van dwangsommen,
met veroordeling van de VvE’s in de werkelijk door de groep [geïntimeerde 1] gemaakte proceskosten.
Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis van 20 maart 2024 (hersteld bij vonnis van 24 april 2024) het besluit van het Bestuur van 21 september 2021 tot het sluiten van een huurovereenkomst met Beach Club over de Main Office nietig verklaard (wegens strijd met het in de splitsingsakten vastgelegde gratis gebruiksrecht). Om diezelfde reden heeft het Gerecht daarnaast de vorderingen II, III en IV toegewezen, met veroordeling van de Vereniging tot dwangsommen bij overtreding van deze verboden, met veroordeling van de Vereniging in de proceskosten conform het liquidatietarief. De vordering van de groep [geïntimeerde 1] om de Vereniging in de werkelijke proceskosten te veroordelen is afgewezen.
5. De beoordeling
in beide zaken
uitleg inhoud oorspronkelijk toegekend gebruiksrecht
Deze beide zaken vormen het vervolg van een langlopend conflict tussen de Vereniging en een aantal appartementseigenaren binnen het Resort. De Vereniging heeft besluiten genomen en blijft die nemen om haar doel te bereiken: het bewerkstelligen van een gebruiksrecht van de Common Grounds en de Seaside percelen dat exclusief is voor haar leden. Geïntimeerden in deze beide zaken blijven zich daartegen verzetten omdat zij niet willen meebetalen aan het exclusief maken van dit gebruiksrecht. Zij voeren aan dat zij niet gedwongen kunnen worden tot betaling daarvoor, omdat dit in strijd is met het gratis gebruiksrecht dat hen is toegekend bij aankoop van hun appartementsrechten.
In beide zaken ligt allereerst de vraag voor of het laten betalen door de appartementseigenaren voor het exclusief maken van het gebruiksrecht in strijd is met het aan hen in de splitsingsakten toegekend gratis gebruiksrecht en in het verlengde daarvan wat de reikwijdte van dat gratis gebruiksrecht is.
Bij de uitleg van notariële leverings-en vestigingsakten en ook van splitsingsakten geldt een objectieve maatstaf. Het komt aan op de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling kan afgeleid worden uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de inhoud van de gehele akte. De ratio van deze uitleg ligt in de bescherming van derden, die moeten kunnen afgaan op wat in de openbare registers is opgenomen (vaste rechtspraak, recent nog HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1809)..
Uit de bewoordingen van de hiervoor (in 3.3) geciteerde splitsingsaktes, met name de woorden: “beschikbaar houden (…) voor onbeperkt gebruik om niet”, is naar het oordeel van het Hof voldoende duidelijk dat het de bedoeling van de projectontwikkelaar was dat de appartementseigenaren en hun gasten een onbeperkt gratis gebruiksrecht zouden krijgen en behouden. De Vereniging heeft betoogd (in zaak H32, toelichting op grief 1) dat het in de aktes bedoelde gebruiksrecht niet-exclusief is (omdat derden ook gebruik kunnen maken van de faciliteiten van het resort) en dat het niet in strijd met die bedoeling is dat betaald moet worden voor de exclusiviteit van de faciliteiten (hetgeen bereikt wordt door de aankoop van de Common Grounds/Seaside percelen). Als deze redenering gevolgd wordt leidt dit er echter toe dat de geïntimeerden in deze zaken worden gedwongen mee te betalen (door verhoging van de resortfees) voor een exclusiviteit die aan hen opgedrongen wordt. Dat betekent een inbreuk op het gratis gebruiksrecht dat als bedoeling van de projectontwikkelaar en diens wederpartij is vastgelegd in de spitsingsaktes. Gelet op de duidelijke bewoordingen in die aktes mochten geïntimeerden daarop rekenen bij de aankoop van hun appartementsrechten. Dit betoog van de Vereniging gaat dus niet op.
De Vereniging heeft allerlei omstandigheden aangevoerd, volgens haar van belang als achtergrond bij dit geschil:
- dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de omzet die gegenereerd werd met de exploitatie van de faciliteiten van de Common Grounds de gemeenschappelijke kosten voor het onderhoud daarvan zouden dekken. Dit lukte op een gegeven moment niet meer (door de gevolgen van de orkaan Lenny in 1999) waardoor de Common Grounds en de faciliteiten in verval raakten en het faillissement van de projectontwikkelaar dreigde;
- dat een meerderheid van de eigenaren op dat moment de Common Grounds en faciliteiten wilden aankopen om commerciële ontwikkeling door derden te voorkomen, maar dat een minderheid van de eigenaren dat kon blokkeren doordat alleen unaniem tot aankoop kan worden besloten;
- dat de Common Grounds daarop door de Beach Club zijn aangekocht om rust, vrede en privacy voor het gehele resort te garanderen en dat dit ook de achtergrond is van de voorgenomen aankoop door Barracuda Beach van de Seaside percelen; en
- dat geïntimeerden al deze goede bedoelingen van de Vereniging dwarsbomen met hun beroep (louter uit principe) op het gratis gebruiksrecht, terwijl zij wel van de voordelen van de aankoop door de Beach Club/Barracuda Beach profiteren (het verwijt van freeriding).
Al deze omstandigheden zijn betwist door geïntimeerden en kunnen bovendien, gelet op de hiervoor genoemde maatstaf, geen rol spelen bij de uitleg van het gebruiksrecht in de splitsingsakte. Die leiden dus niet tot een ander oordeel.
uitleg omvang Common Grounds en reikwijdte gebruiksrecht in verband met perceel [perceelnummer]
Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis in zaak H15 (in r.ov 4.10) geoordeeld dat perceel [perceelnummer] (waarop het Main Office staat) behoort tot de Common Grounds. De Vereniging is in hoger beroep opgekomen tegen dit oordeel (met grief 1 en 2 in zaak H15). De Vereniging heeft in de eerste plaats betoogd dat nadat het eerste gebruiksrecht is gevestigd in 1986, gedurende de jaren vele percelen zijn afgesplitst en dat op die afgesplitste percelen (waaronder perceel [perceelnummer]) niet meer het gratis gebruiksrecht rust. In de tweede plaats heeft de Vereniging aangevoerd dat het gratis gebruiksrecht alleen rust op recreatieve faciliteiten. De Vereniging heeft betoogd dat daarvoor de splitsingsakten in de juiste context moeten worden gelezen. Ook de uitleg van de overeenkomsten met de kopers van de appartementsrechten is daarbij van belang (en hun verwachtingen wat de faciliteiten zouden inhouden) evenals andere omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opstellen van de splitsingsakten (communicatie van de projectontwikkelaar met de lokale overheid).
Zoals hiervoor overwogen geldt bij de uitleg van de begrippen in de splitsingsakten (waaronder het begrip “faciliteiten”) de hiervoor in 5.3 gegeven objectieve maatstaf, waarbij later optredende omstandigheden die niet kenbaar zijn voor derden geen rol kunnen spelen. Volgens de tekst van het hiervoor in 3.3 geciteerde artikel 47 lid 3 sub b betreft het “ faciliteiten, ten minste zijnde: parkeerplaatsen (minimaal even zoveel als het aantal appartementen), een restaurant met terras, een zwembad met terras, een zeestrand, twee tennisbanen, alsmede groenvoorzieningen”. Volgens lid 5 van dit artikel zullen de in lid 3 en 4 bedoelde bedingen moeten worden opgelegd bij vervreemding “voor zover deze bestemd of mede bestemd zijn voor de stichting van bedoelde wegen, paden en faciliteiten”.
De in artikel 47 lid 3 splitsingsakte opgesomde faciliteiten zijn niet alleen maar recreatief te noemen, terwijl het gelet op het gebruik van “ten minste” op een niet-limitatieve opsomming duidt. Gelet op de bewoordingen (“parkeerplaatsen”) rust het gratis gebruiksrecht bovendien niet alleen op recreatieve faciliteiten, zodat dit argument van de Vereniging alleen daarom al niet opgaat. Geïntimeerden hebben verder aangevoerd en onderbouwd dat het gebouw op het huidige perceel [perceelnummer] indertijd gebruikt werd als kantoor, maar ook als wasserij, omdat geen van de appartementsgebouwen een wasserij had, terwijl dat wel door de projectontwikkelaar was beloofd in de brochure. Dit laatste is niet betwist door de Vereniging terwijl de Vereniging heeft erkend dat er zich naast het kantoor op perceel [perceelnummer] oorspronkelijk een wasserette bevond.
Gelet op dit alles gaat het Hof er vanuit dat het gratis gebruiksrecht indertijd ook betrekking had op het huidige perceel [perceelnummer]. Voor de stelling dat latere afsplitsingen van de oorspronkelijke percelen hebben bewerkstelligd dat dit gebruiksrecht niet meer op dit perceel rust heeft de Vereniging onvoldoende aangevoerd, na de gemotiveerde onderbouwing door de geïntimeerden dat dit wel zo is. De Vereniging heeft nog aangevoerd dat deze uitleg tot onaannemelijke consequenties zou leiden omdat daardoor het gebruiksrecht ook zou rusten op andere percelen waarop nu commerciële activiteiten plaatsvinden. Geïntimeerden hebben echter onderbouwd dat de percelen waarop de garages, de winkels met parkeerplaats, het kantoor en de parkeerplaats van MCB zijn gesticht op percelen die niet onderworpen zijn aan het gebruiksrecht. Ook dit argument van de Vereniging gaat dus niet op.
besluiten nietig wegens strijd met splitsingsakten of statuten?
Het Hof zal aan de hand van de hiervoor gegeven uitleg van de splitsingsakten beoordelen of de volgende besluiten in strijd zijn met de splitsingsakten:
(i) de jaarlijkse besluiten van de Algemene Ledenvergadering (ALV) tot continuering van de overeenkomst met Beach Club (de Common Grounds besluiten);
(ii) de ALV-besluiten tot aankoop van de vijf percelen die Barracuda Beach vormen (de Barracuda Beach besluiten);
(iii) de op 20 maart 2023 genomen ALV-besluiten (de 20 maart-besluiten);
Daarna zal het Hof afzonderlijk voor zaak H32 en zaak H15 bespreken wat de consequenties zijn voor de in die zaken opgeworpen grieven.
Meer in het algemeen geldt dat een besluit van een VvE (of het bestuur daarvan) dat in strijd is met de splitsingsakte of de statuten nietig is wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES. Datzelfde volgt ook uit artikel 2:21 lid 1 BW BES. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat een besluit ook nietig is indien een door de wet of in de statuten voorgeschreven quorum, meerderheid, voorstel, voordracht of machtiging ontbreekt.
(i)de Common Grounds besluiten
De Vereniging verweert zich in hoger beroep tegen de nietigheid van deze besluiten met de redenering dat het niet in strijd is met het gratis gebruiksrecht dat betaald moet worden voor de exclusiviteit van de faciliteiten. Hiervoor heeft het Hof al overwogen dat betaling voor het gebruik van de Common Grounds in strijd is met het in de splitsingsakten vastgelegde gratis gebruiksrecht. Dit verweer gaat dus niet op en deze besluiten zijn nietig wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES.
(ii)de Barracuda Beach besluiten
Vast staat dat voor de aankoop van de vijf Seaside percelen een huurkoopsom van USD 82.000 is betaald en dat voor dit aankoopbesluit volgens de statuten (artikel 7 lid 21) en de splitsingsakten (artikel 38 lid 5) een gekwalificeerde meerderheid van 75% nodig is omdat het een uitgave betreft van meer dan NAf 100.000.
Geïntimeerden in beide zaken hebben aangevoerd dat de Vereniging in het verleden en ook nu weer (in de besluiten van 20 maart 2023) deze statutaire bepalingen heeft proberen te omzeilen. Het voorstel om de percelen te kopen voor USD 82.104 haalde niet de vereiste gekwalificeerde meerderheid. Daarom heeft het Bestuur in 2019 voorgesteld om twee overeenkomsten te sluiten (een overeenkomst voor de huurkoop/lease van twee percelen voor ruim USD 32.000 en een tweede overeenkomst voor ruim USD 50.000 voor de drie andere percelen). Die voorstellen zijn met een gewone meerderheid aangenomen. Nadat het Gerecht in het tussenvonnis van 25 januari 2023 in zaak H32 (in 4.10) had overwogen dat deze besluiten nietig waren wegens strijd met (en omzeiling van) de bepalingen in de statuten en de splitsingsakten heeft het Bestuur op 20 maart 2023 een hernieuwd voorstel (resolutie 9) gedaan om de percelen te kopen voor USD 82.104, welk voorstel weer niet de vereiste gekwalificeerde meerderheid haalde. Daarop anticiperend heeft het Bestuur (voor het geval resolutie 9 niet zou worden aangenomen) voorgesteld weer twee overeenkomsten te mogen sluiten (de resoluties 10 en 11). Daarbij werd de in de periode 1 mei 2019 tot en met 30 april 2020 al betaalde huurkoopsom met terugwerkende kracht uitgesmeerd over twee in het verleden liggende periodes, en werd aan de vergadering per periode een besluit voorgelegd om het Bestuur te machtigen de koopsommen te betalen. Die twee besluiten zijn aangenomen met een gewone meerderheid.
Het Hof is van oordeel dat zowel voor de in 2019 voorgelegde twee besluiten als voor de op 20 maart 2023 voorgelegde resoluties 10 en 11 geldt dat het hier in wezen een enkel besluit betreft tot het verwerven van de Seaside percelen. Omzeiling op deze wijze van de bepalingen in de statuten van de Vereniging die een gekwalificeerde meerderheid vereisen kan niet worden toegestaan wegens strijd met de wet. De genoemde besluiten zijn nietig wegens strijd met artikel 2:21 lid 2 BW (het ontbreken van de vereiste gekwalificeerde meerderheid) en ook wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES (omdat de besluiten inbreuk maken op het gratis gebruiksrecht vastgelegd in de splitsingsakten).
(iii) de 20 maart-besluiten
Op de ALV van 20 maart 2023 zijn 11 besluiten/resoluties aan de leden voorgelegd. Over de resoluties 10 en 11 heeft het Hof hiervoor al beslist dat deze nietig zijn, terwijl resolutie 9 niet is aangenomen (en dus niet ter beoordeling voorligt).
De resoluties 1 tot en met 8 betreffen voorstellen over het betalen van huur dan wel een gebruiksvergoeding voor perceel [perceelnummer]. In feite spreken de resoluties over het met terugwerkende kracht goedkeuren van huurovereenkomsten die de Vereniging vanaf 2016 tot 2023 met Beach Club over dit perceel heeft gesloten en over het aangaan van zo’n overeenkomst in 2024. Geïntimeerden in beide zaken hebben gesteld dat deze besluiten nietig zijn, omdat ook die er weer toe leiden dat inbreuk gemaakt wordt op hun gratis gebruiksrecht en zij hebben daarvoor het volgende aangevoerd.
De huur die de Vereniging voor dit perceel betaalt (USD 21.644 per jaar) komt ten laste van alle eigenaren en is daarom in strijd met het gratis gebruiksrecht dat ook geldt voor perceel [perceelnummer]. Daarbij is het volgens geïntimeerden zo dat de Vereniging dit kantoor slechts huurt om de Beach Club inkomsten te bezorgen. Het kantoortje wordt alleen gebruikt als opslaglocatie en als locatie van waaruit het IT-netwerk van Sand Dollar wordt beheerd, terwijl er een nieuw kantoorgebouw is gebouwd, ook op kosten van alle Verenigingsleden.
Hiervoor heeft het Hof al overwogen dat het gratis gebruiksrecht ook betrekking heeft op het huidige perceel [perceelnummer].
De Vereniging heeft nog aangevoerd (bij mondeling pleidooi in hoger beroep) dat het gebruiksrecht bij een voorgaande splitsing van percelen niet is “doorgelegd” op perceel [perceelnummer] omdat, zo begrijpt het Hof, bij deze afsplitsing in de koopovereenkomst en in de leveringsakte (productie 30 en 31 memorie van grieven) niet expliciet is verwezen naar perceel [perceelnummer]. In de leveringsakte die de Vereniging heeft overgelegd (memorie van grieven zaak H15, productie 30) wordt wel degelijk perceel [perceelnummer] genoemd als een van de percelen die worden aangekocht (op p.2) en wordt verwezen (op p.6) naar bijzondere verplichtingen, waarbij artikel 47 van de splitsingsakte wordt geciteerd (op p.8). Dit verweer gaat dus niet op.
De door de geïntimeerden gewraakte bestuursbesluiten hebben als gevolg dat zij moeten betalen voor het gebruik van perceel [perceelnummer] en dat is in strijd met het aan hen toegekend gratis gebruiksrecht, vastgelegd in de splitsingsakte. Ook deze besluiten zijn dus nietig.
zaak H32 principaal beroep
nietige besluiten
Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de in 5.10 opgesomde besluiten volgt dat deze nietig zijn. Grief 1 faalt daarmee.
achterstallige condofees en rente
Het betreft de vorderingen op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hiervoor genoemd in 4.1. In het tussenvonnis van 25 januari 2023 (4.13) heeft het Gerecht de Vereniging de gelegenheid gegeven inzichtelijk te maken of en in hoeverre haar vorderingen betrekking hebben op andere vergoedingen dan die het gevolg zijn van de nietige besluiten. In het eindvonnis (2.2-2.4) heeft het Gerecht eerst overwogen dat zij over het hoofd heeft gezien dat de Vereniging in haar pleitnotities voor de zitting van 23 november 2022 heeft erkend dat de berekeningen die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hadden ingebracht correct zijn. Vervolgens heeft het Gerecht overwogen dat de laatste berekeningen van de Vereniging nog steeds geen duidelijkheid geven over de hoogte van de vorderingen en dat de allerlaatste akte van de Vereniging (van 24 mei 2023) met toelichting op de berekeningen bovendien te laat is genomen. Beide vorderingen zijn vervolgens door het Gerecht afgewezen.
Met grief 2 komt de Vereniging op tegen dit oordeel met de stelling dat de uitstaande vorderingen wel degelijk gespecificeerd zijn in de procedure bij het Gerecht. De Vereniging legt daarbij berekeningen over van de hoogte van de schulden van beide eigenaren per 28 februari 2023 (producties HB 22 en 23) en per 31 oktober 2023 (productie 24). De Vereniging heeft ook nog een rapport overgelegd (productie HB33) van een zekere [betrokkene 2] met een “independent review of the monthly expenses, payments and interest charges applied to the accounts of [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] for the periode June 2016-July 2024”.
De berekeningen in de producties HB22-HB24 zijn, zo begrijpt het Hof uit de vermelding van die besluiten in de berekeningen, gebaseerd op de veronderstelling dat de 20 maart-besluiten geldig zijn. Die berekeningen zijn alleen daarom al niet bruikbaar voor een onderbouwing van de vorderingen. De berekeningen maken immers niet duidelijk welke condofees [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verschuldigd zijn als geen rekening gehouden wordt met de nietige besluiten. Dat volgt ook niet uit productie HB 32. Dit nog afgezien van het feit dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de vorderingen gemotiveerd hebben betwist, onder meer door zich (zo begrijpt het Hof) op verrekening te beroepen met door hen onverschuldigd gedane betalingen als gevolg van de nietige besluiten, waarop de Vereniging niet heeft gereageerd. De Vereniging heeft daarmee haar (ook in hoger beroep nog vermeerderde) vorderingen tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onvoldoende onderbouwd. Die vorderingen zijn dus terecht afgewezen en grief 2 faalt.
zaak H32- incidenteel beroep (grief I )
Het Gerecht heeft in het tussenvonnis van 25 januari 2023 (in 4.2) overwogen dat de Vereniging na een daartoe in haar vergadering genomen besluit bevoegd is om een procedure als deze te voeren en dit besluit ook is genomen door de algemene ledenvergadering. Dit hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet betwist.
Het Gerecht heeft in 4.3 van hetzelfde tussenvonnis overwogen dat aan de VvE’s van de afzonderlijke appartementsgebouwen (in deze zaak VvE F1 en VvE BII-CI, naast de Vereniging mede-verzoekers) geen bevoegdheden meer toekomen en dat zij dus ook geen procesbevoegdheid meer hebben, hetgeen ertoe leidt dat deze twee VvE’s niet-ontvankelijk worden verklaard.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben tegen dit laatste oordeel een grief ingediend. Weliswaar heeft het Gerecht de beide VvE’s terecht niet-ontvankelijk verklaard, maar dit had op andere gronden moeten gebeuren, te weten dat het Bestuur geen machtiging had van de ledenvergaderingen van deze VvE’s. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verwijzen hiervoor naar de overweging 4.12 in de eerdere beschikking van het Hof van 21 november 2023 (genoemd in 3.11). Die overweging luidt als volgt:
“4.12 In weerwil van artikel 46 lid 4 van de Splitsingsreglementen (hiervoor in 2.1.4 geciteerd) is de Vereniging niet (geheel) in de plaats van de negen Verenigingen van Eigenaren getreden (hetgeen wettelijk ook niet mogelijk is) en zijn die VvE’s niet opgehouden te bestaan, hoewel ze wellicht een slapend bestaan leiden. Afgezien van de vraag of de Vereniging de procesrechtelijke bevoegdheid in algemene zin had om deze procedure te starten, geldt de drempel van artikel 5:140 lid 2 BW BES voor het vragen van een machtiging tot wijziging van de Splitsingsreglementen; dit zal hierna eerst besproken worden”.
Als toelichting op deze grief voeren [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan dat het Bestuur voornemens is om bij stemmingen waar een machtiging als bedoeld in artikel 5:140 BW BES niet aan de orde is uit te gaan van artikel 7 Verenigingstatuten. Afgezien van de vraag of dit geval zich zal voordoen introduceren [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hiermee een geheel nieuwe vraag,te weten of de Vereniging steeds een aparte machtiging nodig heeft van de VvE’s van de afzonderlijke appartementsgebouwen voor haar handelen, waaronder het voeren van procedures. Die vraag heeft het Hof in de beschikking van 21 november 2023 nu juist in het midden gelaten en behoeft ook in deze zaak geen beantwoording gelet op het volgende.
De Vereniging heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 46 lid 2 van de splitsingsakten van onder andere VvE FI en VvE BII-CI (appellanten 2 en 3 in zaak H32) de gezamenlijke belangen van alle appartementseigenaren behartigt. Daar hoort het innen van condofees bij, dus inclusief het voeren van procedures daarover. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben deze grondslag voor het voeren van deze procedures door de Vereniging niet betwist. Aparte machtiging door de VvE’s is dus niet nodig en daarmee is de in 5.29 bedoelde, door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] opgeworpen vraag beantwoord. Grief 1 van dit incidenteel appel behoeft daarom geen verdere bespreking.
slotsom principaal beroep H32
Uit het voorgaande volgt dat geen van de grieven slaagt en dat het principaal beroep niet opgaat.
zaak H15- principaal beroep
de vordering inzake perceel [perceelnummer]
De groep [geïntimeerde 3] heeft gevorderd het besluit nietig te verklaren van het bestuur van de Vereniging van 1 september 2021 om een huurovereenkomst met Beach Club te sluiten ter zake van het gebouw op perceel [perceelnummer] . De huur die de Vereniging voor dit gebouw betaalt (USD 21.644 per jaar) komt ten laste van alle eigenaren en is daarom in strijd met het gratis gebruiksrecht, dat ook geldt voor perceel [perceelnummer].
Het Gerecht heeft deze vordering toegewezen en heeft daarbij overwogen dat het gratis gebruiksrecht ook geldt voor perceel [perceelnummer]. De tegen dit oordeel gerichte grieven 1 en 2 falen, gelet op hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen over de uitleg van de splitsingsakten.
Het door de groep [geïntimeerde 3] gewraakte bestuursbesluit heeft als gevolg dat de eigenaren moeten betalen voor het gebruik van perceel [perceelnummer] en dat is in strijd met het aan hen toegekend gratis gebruiksrecht, vastgelegd in de splitsingsakte. Een besluit in strijd met de splitsingsakte of de statuten is nietig wegens strijd met artikel 5:129 lid 2 BW BES). Grief 3 gaat daarom niet op.
vorderingen inzake Barracuda Beach
De groep [geïntimeerde 3] heeft gevorderd de Vereniging en haar bestuur te verbieden om uitvoering te geven aan de Barracuda Beach besluiten. Het Gerecht heeft de vordering toegewezen. Grief 4, die gericht is tegen deze beslissing van het Gerecht gaat niet op, gelet op het Hof hiervoor heeft overwogen over de Barracuda Beach besluiten.
slotsom principaal beroep H15
Uit het voorgaande volgt dat geen van de grieven slaagt en dat het principaal beroep niet opgaat.
veroordeling tot werkelijke proceskosten (incidenteel beroep in beide zaken)
In beide zaken hebben de geïntimeerden een vordering ingesteld tot veroordeling van de Vereniging in de werkelijke proceskosten. Het Gerecht heeft die vorderingen afgewezen, in zaak H32 in het eindvonnis van 30 augustus 2024 (in 2.13) en in zaak H15 in het bestreden vonnis van 20 maart 2024 (in 4.27).
Zowel in zaak H32 als in zaak H15 hebben geïntimeerden bezwaar gemaakt tegen deze beslissingen. Zij hebben daarvoor samengevat het volgende aangevoerd. Al meer dan 15 jaar hebben geïntimeerden en hun medestanders hoge kosten moeten maken om allerlei nietige besluiten van de Vereniging aan te vechten, terwijl de Vereniging de gemaakte kosten voor juridische bijstand afwentelt op alle eigenaren. Het Bestuur gaat er vanuit dat geïntimeerden uiteindelijk het hoofd moeten buigen omdat zij hun strijd financieel niet kunnen volhouden. Dat is in strijd met de gedachte achter het begroten van de proceskosten conform het liquidatietarief, namelijk dat procespartijen zich niet laten weerhouden hun standpunt aan de rechter voor te leggen uit vrees voor een hoge proceskostenveroordeling. Dit levert daarom misbruik van procesrecht op. Bovendien kon de Vereniging op grond van eerdere gerechtelijke uitspraken weten dat hun vorderingen kansloos waren. Nadat het Gerecht in zaak H32 (in het tussenvonnis van 25 januari 2023) had overwogen dat de besluiten inzake de Common Grounds en inzake Barracuda Beach nietig waren heeft de Vereniging ter frustratie van de gevolgen van dat vonnis op 20 maart 2023 nieuwe besluiten genomen, die in het eindvonnis van 30 augustus 2023 ook door het Gerecht nietig zijn bevonden. Dat heeft de Vereniging er niet van weerhouden om in zaak H15 verweer te voeren. Gerechtelijke uitspraken worden bewust gefrustreerd en de Vereniging belooft dit gedrag te zullen voortzetten (dit blijkt uit de memorie van grieven (randnummer 2.11) in zaak H15, waarin staat: “Tot er wel een oplossing gevonden wordt die in rechte standhoudt moet de Vereniging genoodzaakt blijven procederen”.
Zoals het Gerecht in beide zaken terecht heeft overwogen ligt de lat hoog voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is slechts plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad ( HR 6 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Duka/Achmea; HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360) is daar pas sprake van als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
Aan dit strenge criterium voldoen de omstandigheden in deze zaken niet. Voor de beoordeling van de vorderingen inzake de nietigheid van besluiten van de Vereniging is uitleg van de splitsingsakten nodig. Geïntimeerden hebben weliswaar gesteld al 15 jaar te procederen “om allerlei nietige besluiten van de Vereniging aan te vechten”, maar hebben niet gewezen op concrete en recente rechterlijke uitspraken in hoger beroep waarbij al eerder geoordeeld is over de reikwijdte van het gebruiksrecht in deze splitsingsakten. Daarmee kan niet gezegd worden dat de vorderingen in deze zaken inzake de nietigheid van besluiten evident ongegrond of kansloos waren. Dat geldt in elk geval ook niet voor de incassovorderingen inzake de condofees in zaak H32.
Geïntimeerden hebben verder aangevoerd dat het Bestuur “niet schroomt om eenieder een rad voor ogen te draaien om te voorkomen dat meer eigenaren in opstand komen” en “tracht via misleiding en leugens het gelijk aan haar zijde te krijgen” maar dit wordt betwist door de Vereniging, die stelt de belangen van de meerderheid van de eigenaren te behartigen. Ook deze stellingen leiden niet tot een uitzondering op de regel dat de proceskosten volgens het liquidatietarief worden begroot.
Wat wel duidelijk blijkt, is dat de Vereniging niet van plan is haar koers te wijzigen en koste wat kost door wil procederen “tot er een oplossing gevonden wordt die in rechte stand houdt”. Vast staat dat het Bestuur bewust heeft geprobeerd de statutaire meerderheidseisen te omzeilen om aan de gevolgen van een gerechtelijke uitspraak te ontkomen. Dit blijkt open en bloot uit de toelichting op de agenda voor de vergadering van 20 maart 2023 (inleidende verzoekschrift zaak H15, productie 28). Hiermee gedraagt het Bestuur zich niet conform artikel 2:7 lid 1 BW BES, te weten dat organen van de Vereniging en leden zich jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Daarbij hoort ook het (op een gegeven moment) respecteren door de meerderheid van de leden van een minderheidsstandpunt, zoals dat van geïntimeerden. Indien de Vereniging de door haar ingezette koers voortzet en dit opnieuw leidt tot gerechtelijke procedures over hetzelfde onderwerp acht het Hof het niet uitgesloten dat op dat moment wel misbruik van procesrecht kan worden aangenomen, met als consequentie een veroordeling van de Vereniging in de werkelijke proceskosten.
slotsom incidenteel beroep in beide zaken
Uit het voorgaande volgt dat het incidentele beroep in beide zaken faalt.
slotsom in beide zaken
In beide zaken gaan zowel het principaal als het incidenteel beroep niet op. Dit betekent dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bevestigd.
In beide zaken zal de Vereniging als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep:
in zaak H32:
verschotten: USD 159 (betekeningkosten)
salaris gemachtigde: USD 3.351 in principaal hoger beroep (3 pnt, maximum van tarief 5) x USD 1.117) en USD 1.117 in incidenteel hoger beroep;
in zaak H15:
verschotten: USD 661 ( USD 502 griffierecht + USD 159 betekeningkosten)
salaris gemachtigde: USD 3.351 in principaal beroep (3 pnt T5 x USD 1.117) en USD 1.117 in incidenteel beroep;
Hetgeen hiervoor is overwogen in 5.42 geeft het Hof aanleiding om te bepalen dat geïntimeerden niet door middel van hun ledenbijdragen hoeven bij te dragen aan deze proceskostenveroordelingen. Dat zij als in het gelijk gesteld hun proceskosten eerst betaald krijgen door de Vereniging en vervolgens een deel daarvan toch moeten dragen vanwege de omslag van die kosten over alle eigenaren is in dit geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid waarmee organen van de Vereniging en leden zich jegens elkaar moeten gedragen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
in zaak H32
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van 30 augustus 2023;
veroordeelt de Vereniging in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gevallen en tot op heden begroot op USD 159 aan verschotten en USD 3.351 aan salaris van de gemachtigde in principaal hoger beroep en USD 1.117 in incidenteel hoger beroep;
bepaalt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet door middel van hun ledenbijdrage hoeven bij te dragen aan deze proceskostenveroordeling;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in zaak H15
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis van 20 maart 2024;
veroordeelt de Vereniging in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de groep [geïntimeerde 3] gevallen en tot op heden begroot op USD 661 aan verschotten en USD 3.351 aan salaris van de gemachtigde;
bepaalt dat de groep [geïntimeerde 3] niet door middel van hun ledenbijdrage hoeven bij te dragen aan deze proceskostenveroordeling;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in zaak H32 en H15
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 3 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.