Zaaknummer: H-131/24
Parketnummer: 100.00446/22
Uitspraak: 29 mei 2026 Tegenspraak
Vonnis gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 3 oktober 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [1974] in [Land],
verblijvende [adres].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven over de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij].
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. R.J. Boswijk, en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden mr. E.F. Sulvaran, advocaat in Curaçao, en mr. S.R. Bommel, advocaat in Sint Maarten, naar voren hebben gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte van het ten laste gelegde zal vrijspreken.
De raadslieden hebben algehele vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof (deels) tot andere beslissingen komt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 maart 2017 tot en met 28 maart 2019 te Sint Maarten,
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin of een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [slachtoffer], geboren op [2007],
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), die hierin bestonden dat hij verdachte, (telkens) een of meermalen,
en bestaande die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, (telkens) opzettelijk,
Subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 maart 2017 tot en met 28 maart 2019 te Sint Maarten,
(telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn stiefkind en/of een aan zijn zorg, of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, genaamd [slachtoffer], geboren [2007],
bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) een of meermalen,
- zijn penis heeft laten betasten door die [slachtoffer] en/of haar daartoe heeft opgedragen en/of
- zijn penis heeft betast en afgetrokken voor en/of in het bijzijn van die [slachtoffer];
Feit 2
Primair
hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 maart 2018 tot en met 31 mei 2021 te Sint Maarten,
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin of een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [slachtoffer], geboren [2007],
heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slacchtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) een of meermalen,
en welk(e) andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, (telkens) opzettelijk,
Subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 maart 2018 tot en
met 27 maart 2019 te Sint Maarten,
met [slachtoffer], een aan zijn zorg en/of opvoeding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, geboren [2007], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van bet lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) een of meermalen,
- zijn penis in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of
- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of gezogen;
EN/OF
hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 maart 2019 tot en met 31 mei 2021 te Sint Maarten,
met [slachtoffer], een aan zijn zorg en/of opvoeding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, geboren [2007], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens) een of meermalen,
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vrijspraak feit 2
Het Hof zal hieronder uiteenzetten dat het, anders dan de verdediging, de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar acht. Het dossier bevat diverse verklaringen die, zoals het Hof hieronder nader zal toelichten, steun bieden voor de verklaringen van [slachtoffer] dat de verdachte ontuchtige handelingen bij haar heeft gepleegd. Dat geldt echter niet voor wat betreft de onder 2 tenlastegelegde binnendringhandelingen. Op dat punt staan haar verklaringen op zichzelf. Het Hof zal de verdachte, bij gebreke aan voldoende steunbewijs, dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.
Overwegingen betreffende het bewijs ten aanzien van feit 1
De procureur-generaal heeft als gezegd vrijspraak gevorderd. Hij heeft gewezen op de inconsistenties in de verklaringen van [slachtoffer] op randzaken, maar ook op essentiële onderdelen. Daarnaast passen haar verklaringen niet bij wat anderen hebben verklaard. Het dossier biedt onvoldoende steun voor de door haar beschreven structurele frequentie.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verklaringen van [slachtoffer], haar moeder, zus en broer zijn niet betrouwbaar en geloofwaardig. De verdediging heeft gewezen op de vele inconsistenties in de verklaringen van [slachtoffer] en op de inconsistenties en tegenstrijdigheden in die verklaringen als haar verklaringen worden vergeleken met de verklaringen van anderen in dit dossier, onder wie de moeder van [slachtoffer], haar zus, haar broer en de schoolbegeleiders. Bovendien ontbreekt in deze zaak steunbewijs dat ziet op de tenlastegelegde handelingen.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
In de onderhavige zaak heeft [moeder van het slachtoffer] op 17 augustus 2022 aangifte gedaan tegen haar (inmiddels) ex-man, de verdachte, wegens seksueel misbruik van haar dochter [slachtoffer] en poging tot seksueel misbruik van haar andere dochter.
Naar aanleiding van die aangifte is [slachtoffer], geboren [2007], diverse malen als getuige gehoord, te weten op 17 augustus 2022, 7 september 2022 en 4 augustus 2023 bij de politie en op 13 juli 2023 en 3 oktober 2025 bij de rechter-commissaris. Daarnaast zijn door de jaren heen verschillende andere personen als getuige gehoord, onder wie de moeder van [slachtoffer], de zus van [slachtoffer], de broer van [slachtoffer] en diverse schoolbegeleiders.
Zowel de procureur-generaal als de verdediging hebben kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van door verschillende personen afgelegde verklaringen.
Betrouwbaarheid
Het Hof overweegt dat ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring in het algemeen diverse wegen openstaan. Zo kan onder meer worden gekeken of hetgeen met betrekking tot een bepaalde verdachte of overigens is verklaard overeenkomt met of steun vindt in objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten waarover is verklaard bij de beoordeling een rol spelen, evenals een mogelijk motief voor het afleggen van de verklaring.
De verklaringen van [slachtoffer
Haar eerste verhoor vond plaats op 17 augustus 2022 in een kindvriendelijke ruimte en is visueel en auditief opgenomen. In dit verhoor heeft [slachtoffer], kort gezegd, verklaard dat zij seksueel is misbruikt door haar stiefvader, de verdachte. Het gebeurde voor het eerst een paar maanden voor haar elfde verjaardag. Zij lag televisie te kijken, toen haar stiefvader met zijn geslachtsdeel tegen haar been begon te wrijven. Zij heeft toen ook zijn geslachtsdeel aangeraakt. Ze wist niet wat ze moest doen, ze is gewoon blijven liggen. Toen haar stiefvader de kamer uitging, zei hij: “Whatever happens in this room stays in this room.” De volgende dag heeft zij een vriendinnetje verteld dat haar stiefvader ‘made me touch his tulu’. Zij durfde niets tegen haar moeder te zeggen omdat haar moeder ziek was. Haar stiefvader zei ook tegen haar: “Your mother sick and you know if you tell her anything you know you don’t know if she could die” en “I am a police it’s my word against yours.” Deze handelingen bleven plaatsvinden totdat haar stiefvader haar heeft ontmaagd. Zij was toen ongeveer twaalf jaar oud. Op haar dertiende heeft ze haar moeder over het misbruik verteld. Het gebeurde bijna elke dag en in de slaapkamer van haar moeder. Het misbruik is gestopt kort nadat ze veertien was geworden.
Verder heeft ze uitgebreid verklaard over wat het misbruik met haar heeft gedaan en de druk die zij heeft ervaren om het te laten doorgaan.
Haar tweede verhoor vond plaats op 7 september 2022. Ook dit verhoor is visueel en auditief opgenomen. In dit verhoor heeft ze, kort gezegd, verklaard dat stiefvader op een gegeven moment met zijn geslachtsdeel tegen haar been heeft gewreven en dat ze de volgende dag een vriendinnetje hierover heeft verteld. En ook dat haar stiefvader haar heeft ontmaagd toen ze bijna twaalf was. Daarvoor vond er geen penetratie plaats. Wel zei hij toen steeds dat ze haar broek uit moest doen, zodat hij haar vagina kon zien terwijl hij zich aftrok. Ook wreef hij met zijn penis tegen haar vagina.
In het verhoor van 4 augustus 2023 zijn geen voor de tenlastelegging relevante onderwerpen besproken. Het gaat daarin met name over haar seksuele omgang met anderen. Datzelfde geldt voor haar eerste verhoor bij de rechter-commissaris op 13 juli 2023. In dat verhoor zijn vragen gesteld over haar dagboek(en). Zij heeft toen ook verklaard dat zij erbij was toen haar moeder haar stiefvader heeft geconfronteerd met haar onthulling. Ze herhaalt dat het begon toen ze tien was en dat ze het de volgende dag aan een vriendinnetje heeft verteld.
Op 3 oktober 2025 is ze voor de tweede keer door de rechter-commissaris gehoord. Ook dit verhoor is visueel en auditief opgenomen. Het betreft een uitvoerig verhoor waarin diverse onderwerpen aan de orde zijn gekomen, waaronder de indeling van het huis, wanneer ze het haar moeder heeft verteld, haar dagboek en de sociaal medewerkers op school. Ze heeft verklaard over de eerste keer dat hij met zijn geslachtsdeel tegen haar been wreef en dat ze, nadat haar stiefvader de eerste keer met zijn geslachtsdeel tegen haar been heeft gewreven en zij zijn penis had aangeraakt dat direct daarna in de woning aan een vriendinnetje heeft verklaard.
Conclusie
Het Hof stelt vast dat [slachtoffer] uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard en dat haar verklaringen consistent en eenduidig zijn. Zeker waar het gaat over haar leeftijd op het moment dat de seksuele handelingen zijn begonnen (bijna elf jaar oud), de aard van die handelingen (het door de verdachte met zijn geslachtsdeel tegen haar been wrijven, het laten aanraken van zijn penis en later ook het wrijven tegen haar vagina) en haar leeftijd toen de seksuele handelingen intensiveerden (van voelen naar penetreren omstreeks haar twaalfde). Het feit dat haar verklaringen op onderdelen inconsistenties bevatten, bijvoorbeeld waar het gaat om de vraag op welke plekken de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden (alleen in de slaapkamer van haar moeder, of ook elders), wanneer zij ‘het’ haar vriendinnetje heeft verteld (de volgende dag of nog diezelfde dag) en wanneer het misbruik nu precies stopte (kort voor veertiende verjaardag of erna) doet daaraan niet af. Ook andere inconsistenties betreffende randzaken laten zich naar het oordeel van het Hof eenvoudig verklaren door tijdverloop en de cognitieve ontwikkeling van een jong, getroebleerd kind. Aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen doet dit in ieder geval niet af. Het Hof acht haar verklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Het Hof betrekt bij zijn oordeel de conclusies in het rapport van psycholoog
drs. J. van der Sleen. De deskundige oordeelt het eerste verhoor van [slachtoffer] als het bruikbaarst omdat het risico op beïnvloeding van de antwoorden door interactie met anderen bij dit verhoor het kleinst was. [Slachtoffer] was in dit verhoor veel zelf aan het woord en heeft veel informatie uit zichzelf gegeven. De kern van de informatie waarop in latere verhoren is doorgevraagd, kwam in dat eerste verhoor al aan de orde. Maar ook ten aanzien van de andere verklaringen constateert de deskundige geen problemen ten aanzien van de volledigheid en accuraatheid van haar verklaringen, terwijl het dossier geen aanleiding biedt voor het scenario van beïnvloeding door de moeder en/of een door [slachtoffer] verzonnen scenario.
De bewijsminimumregel
Het Hof overweegt dat zedenzaak in het algemeen worden gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de tenlastegelegde handelingen doorgaans alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest.
De bewijsminimumregel van artikel 385, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Een nadere invulling wordt door de Hoge Raad echter niet gegeven met de motivering dat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 385, derde lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat voldoende is dat de bewezenverklaring als geheel door meer dan één bewijsmiddel wordt geschraagd, waaronder dient te worden verstaan dat er, buiten de getuigenverklaring, een tweede onafhankelijke bewijsgrond bestaat. Deze tweede bewijsgrond kan direct inhoudelijk betrekking hebben op één of meer onderdelen van de tenlastelegging, maar dit is niet noodzakelijk. In geval van een meer indirect verband tussen de eerste en de tweede bewijsgrond wordt de deugdelijkheid van de bewijsconstructie bepaald door de motivering die de rechter ervoor heeft gegeven. De aard van de ten laste gelegde feiten en de besloten context waarin dit type misdrijven doorgaans wordt gepleegd brengen met zich dat aanvullend bewijs regelmatig bestaat in ondersteunende verklaringen die zijn gebaseerd op mededelingen die de betrokken aangevers of slachtoffers over de feiten of over de verdachte ten overstaan van derden hebben gedaan. Het Hof zal dit aanvullend bewijs zorgvuldig dienen te wegen.
Aan het Hof ligt dus het oordeel voor of de op zichzelf betrouwbaar geachte verklaringen van [slachtoffer] – ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend.
Het Hof verwijst in de eerste plaats op getuigenverklaring van [schoolbegeleider] van 19 augustus 2022. Zij heeft bij die gelegenheid verklaard over een ontmoeting die zij op 12 augustus 2022 met [slachtoffer] had omdat [slachtoffer] naar de Sundial School zou komen. Volgens haar heeft [slachtoffer] haar toen verteld dat ze tussen haar tiende en haar dertiende door haar stiefvader is misbruikt. [Schoolbegeleider] heeft niet gevraagd naar de aard en de omvang van het misbruik en [slachtoffer] heeft daarover niets gezegd. Zij zag wel dat [slachtoffer] erg emotioneel was toen ze over het misbruik vertelde. Zij kon zien dat [slachtoffer] van hem walgde en ze uitte veel haat jegens hem.
Het Hof constateert dat de verklaring van [schoolbegeleider] niet louter berust op wat zij van [slachtoffer] heeft vernomen, maar houdt ook in een eigen waarneming van de emotionele toestand van het slachtoffer toen zij het over het misbruik had. In zoverre biedt deze verklaring steun aan de verklaringen van [slachtoffer].
Het Hof verwijst in de tweede plaats naar de verklaringen van [broer van het slachtoffer]. Hij is twee keer als getuige gehoord, namelijk op 23 augustus 2022 bij de politie en op 3 oktober 2025 bij de rechter-commissaris.
In zijn eerste verhoor vertelt hij uitgebreid over zijn relatie met de verdachte (“He was a cool guy”, “He was fun”, “When I was young I considered him a good father”, “I don’t have a problem with him now. I don’t hate him either. I am appreciative for what he has done for us”. Hij verklaart verder dat hij had gehoord dat [slachtoffer] zwanger was. Hij heeft daarover gesproken met zijn moeder. In dat gesprek heeft zijn moeder hem verteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft misbruikt. Hij heeft [slachtoffer] gevraagd of het waar was wat zijn moeder hem vertelde, waarop [slachtoffer] bevestigend heeft geantwoord. Hij heeft niet in detail met [slachtoffer] gesproken over hetgeen is gebeurd, maar zij vertelde hem wel dat het vaak gebeurde. Dit heeft [broer van het slachtoffer] aan het denken gezet. Hij kon zich daardoor herinneren dat als hij de slaapkamer van zijn moeder binnenkwam, hij [slachtoffer] en [verdachte] in een lepeltje-lepeltje houding zag liggen, waarbij zijn been op haar lag. Zij lagen dan beide onder de deken.
In het tweede verhoor bij de rechter-commissaris herhaalt [broer van het slachtoffer] dat hij pas op de hoogte raakte van het misbruik toen [slachtoffer] hem, tijdens een familiebijeenkomst, daarover vertelde. Hij heeft er vroeger niets van gemerkt. Wel heeft hij [slachtoffer] en de verdachte in de slaapkamer van zijn moeder zien liggen. Zij lagen daar altijd als hij daar binnenkwam. Hij vertelt daarover nog dat als hij onaangekondigd binnenkwam ‘it was like he was trying to fix himself’ (you fix yourself because you don’t want to be caught doing what you were doing’ en ‘he jumped like he was scared’).
Het Hof heeft geconstateerd dat [broer van het slachtoffer] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij dacht dat dit alles zich afspeelde toen [slachtoffer] twaalf of dertien jaar oud was, terwijl de onder 1 tenlastegelegde ontuchtige handelingen tussen haar tiende en twaalfde jaar zouden hebben afgespeeld. Dit maakt zijn verklaring, naar het oordeel van het Hof, niet minder betrouwbaar. [Broer van het slachtoffer] verklaarde toen namelijk over gebeurtenissen die jaren daarvoor hebben plaatsgevonden. Dat hij de leeftijd van zijn jongere zusje ten tijde van die gebeurtenissen niet precies voor ogen had, is alleszins begrijpelijk.
In samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de (onafhankelijke) getuige [schoolbegeleider] en de hierna te bespreken verklaring van [zus van het slachtoffer], acht het Hof het aannemelijk dat de waarnemingen van [broer van het slachtoffer] mede betrekking hebben op de periode waarover [slachtoffer] heeft verklaard en die betrekking hebben op de ontuchtige handelingen in de periode vanaf dat zij (bijna) 11 jaar oud was.
Het Hof stelt voorop dat de verdediging, zonder enige vorm van onderbouwing, heeft gesteld dat de verklaringen van [broer van het slachtoffer] niet betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Het Hof volgt de verdediging hierin niet. Zijn verklaringen, inhoudende dat hij vroeger een hekel had aan [slachtoffer] en dat hij de verdachte een goede vader vond, komen het Hof juist authentiek en oprecht voor. Hij heeft verder uitgelegd hoe hij tot zijn herinneringen is gekomen en wat hij destijds precies heeft gezien. Redenen om te twijfelen aan de inhoud van hetgeen hij naar voren heeft gebracht, heeft het Hof niet. Het Hof acht zijn verklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Het Hof leidt uit de inhoud van zijn verklaringen af dat de verdachte en [slachtoffer] vaak met elkaar in bed lagen, onder de deken en in een lepeltje-lepeltje houding, waarbij zijn been over haar heen lag. Deze houding moet in het geval van een stiefvader en een minderjarig stiefkind als ongepast en grensoverschrijdend worden beschouwd. De door de getuige beschreven houding past bij de door [slachtoffer] beschreven situatie, inhoudende dat haar stiefvader achter haar lag en met zijn geslachtsdeel tegen haar been en vagina wreef. In zoverre biedt ook de verklaring van [broer van het slachtoffer] steun aan de verklaringen van [slachtoffer].
In de derde plaats wijst het Hof op de verklaringen van [zus van het slachtoffer]. Zij is als getuige door de politie gehoord op 17 augustus 2022 en bij de rechter-commissaris op 13 juli 2023 en op 4 augustus 2023. In haar eerste verklaring gaat het hoofdzakelijk om hetgeen de verdachte haar ([zus van het slachtoffer]) heeft geprobeerd aan te doen toen zij vijftien jaar oud was, te weten dat de verdachte haar broek en ondergoed naar beneden zou hebben getrokken terwijl zij sliep. [Slachtoffer] was toen 10 jaar oud. [Zus van het slachtoffer] heeft niemand verteld over wat er was gebeurd. Wel vertelde ze haar zus [slachtoffer] steeds om niet alleen met de verdachte in de slaapkamer te zijn of in ieder geval de deur open te houden. Dat lukte niet, want ze zag dat de verdachte haar ([slachtoffer]) constant bij zich riep en dat de slaapkamerdeur dan dicht ging. Als ze de slaapkamer probeerde binnen te komen, zei de verdachte dat hij met [slachtoffer] aan het praten was, waarna hij de deur weer dicht deed. Als zij dan later in de slaapkamer keek zag ze [slachtoffer] en de verdachte in het bed liggen, onder de dekens.
Ook hier gaat het Hof voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat de verklaringen van [zus van het slachtoffer] niet betrouwbaar en geloofwaardig zijn. Het Hof constateert dat haar verklaringen grotendeels betrekking hebben op haar eigen ervaring, en slechts voor een klein deel betrekking hebben op [slachtoffer]. Redenen om te twijfelen aan de inhoud van haar verklaringen heeft het Hof niet. Het Hof acht haar verklaring betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Uit haar verklaring kan worden opgemaakt dat de verdachte [slachtoffer] (vanaf dat zij ongeveer 10 jaar oud was) constant zijn slaapkamer inriep en dat de deur van de slaapkamer dan dichtging. Deze verklaring biedt niet alleen steun aan de waarnemingen van [broer van de verdachte], maar ook aan de verklaringen van [slachtoffer].
Alles afwegende, concludeert het Hof dat de verklaringen van [schoolbegeleider], [broer van het slachtoffer] en [zus van het slachtoffer] steun bieden aan de verklaring van [slachtoffer] voor wat betreft de onder 1 genoemde ontuchtige handelingen. Het Hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, zoals hieronder nader omschreven, bij een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed, als behorende bij zijn gezin.
Het Hof merkt ten overvloede op dat het Hof het gelet op de inhoud van het dossier aannemelijk acht dat de ontuchtige handelingen ook na [slachtoffer] haar twaalfde verjaardag nog hebben plaatsgevonden. De opsteller van de tenlastelegging heeft er echter voor gekozen de ontucht alleen ten laste te leggen onder feit 1 (tot aan haar twaalfde verjaardag).
Bewezenverklaring
Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
Primair
hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 28 maart 2019 te Sint Maarten,
door een andere feitelijkheid, een kind dat hij heeft verzorgd of opgevoed als behorend tot zijn gezin, te weten: [slachtoffer], geboren [2007],
heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, die hierin bestonden dat hij verdachte, meermalen,
en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, telkens opzettelijk,
Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 primair bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:201 juncto artikel 2:210 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind, dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf en maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf let het Hof op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten door de rechter worden opgelegd.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij een kind dat hij heeft verzorgd en opgevoed als behorend tot zijn gezin. Dit is een omstandigheid die strafverhogend werkt. Het misbruik is begonnen toen het slachtoffer nog geen elf jaar oud was. Het misbruik vond bovendien plaats in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen. De verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van zijn positie als volwassene en de afhankelijkheidsrelatie waarin het slachtoffer zich bevond.
De verdachte heeft hierdoor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en inbreuk gemaakt op haar recht om beschermd te worden tegen seksuele handelingen, van welke aard dan ook. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik hiervan lange tijd lichamelijke, emotionele en psychologische gevolgen ondervinden, met name als dergelijk misbruik in de kinderjaren gebeurt. De seksuele ontwikkeling van een kind wordt er ernstig door belemmerd zoals ook blijkt uit hetgeen het kind zelf, maar ook anderen, over haar seksuele ontwikkeling hebben verteld.
Misbruik van een jong en kwetsbaar kind kan naar het oordeel van het Hof niet anders worden bestraft dan met een andere of lichtere straf dan een die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Hof heeft acht geslagen op de strafkaart van de verdachte en op de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte nopen naar het oordeel van het Hof niet tot de oplegging van een lagere of een andere straf.
Het Hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van twee jaar passend en geboden.
Vordering benadeelde partij
De [benadeelde partij] heeft zich in eerste in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van Cg 49.988,-. De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van Cg 21.188,-, bestaande uit materiële schade (kosten therapiesessies bij een psycholoog) voor een bedrag van (omgerekend) Cg 1.188,- en immateriële schade voor een bedrag van
Cg 20.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vordering is toegewezen.
De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag. Het Hof acht aannemelijk geworden dat [benadeelde partij] therapiesessies heeft gevolgd verband houdende met het bewezenverklaarde feit, tot een bedrag van Cg 1.188,-. Daarnaast is het Hof van oordeel dat het bewezenverklaarde feit (de herhaaldelijke ontucht) een (herhaaldelijke) aantasting van de fysieke en geestelijke integriteit van [benadeelde partij] oplevert en dat naar billijkheid een bedrag van Cg 20.000,- ter vergoeding van geleden immateriële schade kan worden toegewezen. De verdachte is tot vergoeding van die totale schade (Cg 21.188,-) gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:78 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van de bewezenverklaring.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 2 (twee) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 21.188,- (eenentwintig duizend honderdachtentachtig gulden) om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
veroordeelt de verdachte in de kosten door [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 21.188,- (eenentwintig duizend honderdachtentachtig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.A. Angela, voorzitter,
mr. J.A.W. van ’t Westeinde en mr. P.P.C.M. Waarts, leden van het Hof, bijgestaan door mr. J. Mulder, griffier, en is op 29 mei 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.