Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummer: CUR202303402 – CUR2024H00245
Uitspraak: 24 februari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
VONNIS
In de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk eiser,
thans appellant,
gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,
tegen
de besloten vennootschap
ESPERAMOS B.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. D.A. Piar en L. Sluiter.
De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk Esperamos genoemd.
De zaak in het kort
[appellant[ was in dienst van Esperamos. Zijn werkzaamheden bestonden uit het afwisselend rondlopen door de winkel en posten bij de in- en uitgang ter voorkoming van diefstal. [appellant] stelt dat hij als gevolg van een geweldsincident in de winkel, waarbij hij een klap op zijn linkeroor heeft gekregen, letsel heeft opgelopen en schade heeft geleden. Hij stelt Esperamos daarvoor aansprakelijk op de grond dat zij onvoldoende zorg heeft betracht om de veiligheid van [appellant] op de werkvloer te waarborgen. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen op grond van de overweging dat van schending van een zorgplicht geen sprake is geweest. Het Hof komt ook tot een afwijzing maar op een andere grond, namelijk dat de door [appellant] gestelde klap niet is bewezen.
1. Het verloop van de procedure
Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 2 september 2024 door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) uitgesproken.
Bij akte van hoger beroep, op 8 oktober 2024 ingediend ter griffie, is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis.
Bij op 21 november 2024 ter griffie ingekomen memorie van grieven met een productie heeft [appellant] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen.
Esperamos heeft op 15 januari 2025 een memorie van antwoord met producties ingediend en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.
Op 6 mei 2025 hebben partijen pleitnota’s met producties ingediend.
Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
Esperamos exploiteert een supermarkt. Zij heeft de beveiliging in het verleden enige tijd uitbesteed aan een extern beveiligingsbedrijf. [appellant] was in dienst bij dit bedrijf. Na faillissement van dit bedrijf heeft Esperamos de beveiliging in oktober 2017 uitbesteed aan Operationele Beveiligingsdienst (OBD).
Per 1 november 2017 heeft Esperamos [appellant] in dienst genomen voor de duur van een jaar.
De werkzaamheden van [appellant] bestonden uit het afwisselend rondlopen door de supermarkt en posten bij de in- en uitgang van de supermarkt ter voorkoming van diefstal.
Na de uitbraak van de coronacrisis in Curaçao in maart 2020 zijn van overheidswege maatregelen doorgevoerd, waardoor slechts een beperkt aantal klanten in de supermarkt mochten worden toegelaten. In verband met die maatregelen heeft Esperamos het bedrijf T-experience, gespecialiseerd in crowd management, ingeschakeld om te assisteren bij het toezicht op het naleven van de maatregelen. Per april 2020 waren er dagelijks twee beveiligers van dit bedrijf aanwezig in de supermarkt om alles in goede banen te leiden. Daarnaast heeft Esperamos gezorgd voor een tent en dranghekken.
Op 25 april 2020 heeft zich in de supermarkt een voorval voorgedaan tijdens de dienst van [appellant]. Een klant betrad tegen de instructies van de bewaking de winkel via de uitgang. [appellant] heeft deze klant gevolgd. Ook medewerkers van OBD volgden de klant. Er ontstond discussie en een handgemeen.
Bij brief van 6 september 2021 heeft Head and Neck Center Curaçao de KNO-geschiedenis van [appellant] weergegeven. Daarin worden de volgende data genoemd waarop [appellant] door een van de KNO-artsen is gezien: 2 februari 2011, 4 april 2020, 9 november 2020, 13 april 2021 en 6 juli 2021.
Bij 4 april 2020 staat het volgende:
Op 04-04-2020 werd patiënt wederom met spoed gezien op de polikliniek. Na een mishandeling (een klap tegen het linker oor) is er een trommelvlies perforatie ontstaan. (…). Daar de perforaties niet spontaan sloten, werd in overleg met en op verzoek van de patiënt besloten om een myringoplatiek AS te verrichten, hetgeen op 05-10-2020 plaatsvond.
Uit het overzicht blijkt verder dat [appellant] ook daarna klachten heeft behouden.
Tussen 25 april 2020 en 5 oktober 2020 (de datum van voormelde ingreep) heeft [appellant] zijn werkzaamheden gewoon verricht. Na 5 oktober 2020 heeft [appellant] geen werkzaamheden meer verricht voor Esperamos.
Per 1 november 2020 liep de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege af.
Bij brief van 19 april 2022 heeft de gemachtigde van [appellant] Esperamos aansprakelijk gesteld voor de schade die hij door het voorval van 4 april 2020 (moet zijn: 25 april 2020) heeft opgelopen, omdat Esperamos onvoldoende zorg heeft betracht om een voorval te voorkomen en [appellant] daardoor is blootgesteld aan gevaar.
Partijen hebben zowel dr. M.I. Badloe en Sedgwick verzocht om medisch advies. Beiden hebben een rapport opgesteld.
3. De procedure in eerste aanleg
In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat “(de werkgeefster) gehouden is te handelen overeenkomstig het rapport van de eerder door haar ingeschakelde arts Badloe en derhalve de schade van (de werknemer), nader vast te stellen bij staat en verhoogd met rente, moet voldoen”, met veroordeling van Esperamos in de proceskosten.
Subsidiair, voor het geval het Gerecht het causaal verband tussen het incident en de klachten niet bewezen acht, heeft [appellant] gevorderd Esperamos te veroordelen tot het instellen van een onafhankelijk medisch onderzoek.
Het Gerecht heeft de vordering afgewezen.
Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat van schending van de zorgplicht geen sprake is geweest en dat Esperamos daarom niet aansprakelijk is voor eventueel door [appellant] geleden schade.
4. De beoordeling
In eerste aanleg heeft [appellant] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat zich op 4 april 2020 een incident in de supermarket heeft voorgedaan waarbij hij van een klant een klap tegen zijn linkeroor heeft gekregen. [appellant] stelt dat hij als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen en schade heeft geleden. Esperamos heeft in hoger beroep onder verwijzing naar door haar overgelegde camerabeelden aangevoerd dat het incident niet op 4, maar op 25 april 2020 heeft plaatsgevonden en betwist dat [appellant] daarbij van de klant een klap op zijn linkeroor heeft gekregen. [appellant] heeft erkend dat het incident heeft plaatsgevonden op 25 april 2020, zodat ook het Hof van die datum uitgaat.
Vast staat dat op 25 april 2020 een klant via de uitgang de supermarket binnenliep. [appellant] en medewerkers van OBD liepen achter de klant aan om hem daarop aan te spreken. De vraag is of [appellant] van die klant een klap op zijn linkeroor heeft gekregen. Esperamos heeft dat gemotiveerd betwist. Esperamos heeft daarbij verwezen naar voormelde camerabeelden en gesteld dat uit de beelden niet volgt dat [appellant] op de bewuste dag een klap op zijn linkeroor heeft gekregen.
Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [appellant] in hoger beroep zijn stelling dat hij op de bewuste dag een klap op zijn linkeroor heeft gekregen niet nader onderbouwd. [appellant] heeft volstaan met te stellen dat de feiten en het in deze zaak overgelegde bewijsmateriaal duidelijk laten zien dat een klant [appellant] een klap geeft. [appellant] heeft niet nader toegelicht om welke feiten en bewijsmateriaal het precies gaat. Voor zover [appellant] doelt op de door Esperamos overgelegde videobeelden had het op zijn weg gelegen om precies aan te geven op welke opname en welk moment dat volgens hem is te zien. Het Hof heeft alle in het geding gebrachte beelden bekeken. Het Hof heeft geconstateerd dat daarop weliswaar is te zien dat de bewuste klant is gevolgd door [appellant] en medewerkers van de OBD en dat daarbij een handgemeen heeft plaatsgevonden, maar dat op geen van de beelden is waar te nemen dat de klant [appellant] een klap op zijn linkeroor geeft.
Ook voor het overige kan niet worden aangenomen dat het voorval van 25 april 2020 aangemerkt moet worden als een bedrijfsongeval dat voor Esperamos aanleiding had moeten zijn om een ongevalsrapportage op te maken (vergelijk: HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9051, 3.5). Bij dit oordeel weegt mee dat [appellant] tussen 25 april 2020 en 5 oktober 2020 zijn werkzaamheden gewoon heeft verricht, dat hij pas op 19 april 2022 Esperamos aansprakelijk heeft gesteld, dat hij aanvankelijk een verkeerde datum van het voorval heeft genoemd en dat de door het Hof bekeken beelden niets tonen van zodanige aard dat daaruit een plicht voor Esperamos zou voortvloeien om een ongevalsrapportage op te maken.
Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [appellant] op 25 april 2020 gedurende voormeld incident in de supermarkt van de klant een klap op zijn linkeroor heeft gekregen of anderszins schade heeft opgelopen bij een bedrijfsongeval. Nu [appellant] zijn vordering tegen Esperamos grondt op schade geleden als gevolg van een klap op zijn linkeroor, komt die vordering reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking en is deze terecht door het Gerecht afgewezen.
De slotsom op grond van het voorgaande is dat het bestreden vonnis wordt bevestigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
BE S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Esperamos in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Cg 601,45 aan verschotten en Cg 5.000,- aan gemachtigdensalaris;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en J.A van Voorthuizen , leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 februari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.