Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummer: CUR202501097 – CUR2025H00206
Uitspraak: 10 maart 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
BESCHIKKING
in de zaak van:
[appellant],
wonend in [woonplaats],
oorspronkelijk verzoekster,
thans appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,
hierna te noemen: [appellant],
gemachtigden: mrs. M.F. Bonapart en L.J.C. Frias,
tegen
de naamloze vennootschap
SPIGT DUTCH CARIBBEAN N.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk verweerster,
thans geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,
hierna te noemen: Spigt,
gemachtigde: mr. K. de L’Isle.
De zaak in het kort
[Appellant] is op 1 november 2007 bij Spigt in dienst getreden in de functie van secretaresse. De arbeidsovereenkomst bevat de bepaling dat deze zal eindigen op 23 maart 2020, in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [appellant]. Ten tijde van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst was de pensioengerechtigde leeftijd 60 jaar, later is dat gewijzigd in 65 jaar. In dit geding staat de vraag centraal of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op het moment dat [appellant] 65 jaar werd, op 23 maart 2025. Het Gerecht heeft geoordeeld in bevestigende zin en het verzoek van [appellant] tot ontbinding afgewezen. Spigt heeft voorwaardelijk ontbinding verzocht wegens gewichtige redenen, voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet al van rechtswege is geëindigd. Het Gerecht is aan de behandeling daarvan niet toegekomen. Het Hof acht [appellant] ontvankelijk in het hoger beroep en beoordeelt de verzoeken opnieuw.
1. Het verloop van de procedure
Bij beroepschrift, ingediend ter griffie op 25 juli 2025 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 16 juni 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).
Spigt heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift tevens incidenteel appel ingediend.
Op 13 januari 2026 heeft in het gerechtsgebouw te Curaçao een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn [appellant], bijgestaan door haar gemachtigden en namens Spigt, mevrouw [betrokkene 1], bijgestaan door de gemachtigde van Spigt. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd en vragen van het Hof beantwoord. De gemachtigde van [appellant] heeft een pleitnota overgelegd. Aan het eind van de behandeling is afgesproken dat partijen het Hof uiterlijk 27 januari 2026 laten weten of zij tot een minnelijke regeling zijn gekomen. Beschikking is aangezegd, voor het geval partijen geen minnelijke regeling bereiken, waarvan de uitspraak is bepaald op vandaag.
Bij e-mail van 23 januari 2026 heeft de gemachtigde van [appellant] het Hof bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt. De gemachtigde van Spigt heeft zich hierbij bij e-mail van gelijke datum aangesloten en het Hof verzocht om uitspraak te doen.
2. De feiten
appellant], geboren in [geboortedatum], is op 1 november 2007 bij Spigt in dienst getreden in de functie van secretaresse.
In artikel 3.4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
“In alle gevallen zal de arbeidsovereenkomst eindigen op 23 maart 2020, in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.”
Met ingang van 1 maart 2013 is de wettelijke pensioenleeftijd in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering verhoogd van 60 jaar naar 65 jaar.
appellant] is na 23 maart 2020 bij Spigt blijven werken. Op 27 november 2024 stuurde de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) de volgende e-mail aan [appellant]:
“Zullen wij een dezer dagen een afspraak inplannen? De aanleiding is dat jij volgend jaar 65 wordt, en dat is de pensioengerechtigde leeftijd.”
Bij e-mail van 7 januari 2025 heeft [betrokkene 2] [appellante] als volgt bericht:
“Dank voor ons gesprek. We spraken af dat je in je laatste maanden bij ons 4 dagen per week gaat werken, met behoud van je huidige salaris, en dat je arbeidsovereenkomst 31 maart as. eindigt. (…)
Jij zou ook nog nadenken over wat jij een leuk afscheid van kantoor zou vinden.Zullen we daar eind deze week of begin volgende week nog even contact over hebben?”
Op 20 januari 2025 heeft [appellant] gereageerd op de e-mail van 7 januari 2025. Zij heeft onder meer geschreven:
“Je begrijpt hopelijk dat ik een en ander goed moet uitzoeken en me goed wil laten voorlichten over mijn juridische en financiële positie voordat ik een beslissing kan nemen over jouw voorstel. (…)
Gaarne word ik ook geïnformeerd omtrent mijn recht op cessantia en de eindafrekening, indien de arbeidsovereenkomst eindigt zoals wordt voorgesteld.
(…)”
3. De procedure in eerste aanleg
appellant] heeft in eerste aanleg verzocht -samengevat- dat het Gerecht de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbindt wegens gewichtige redenen met veroordeling van Spigt tot betaling van een billijke vergoeding.
Spigt heeft verzocht dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet reeds op 23 maart 2025 van rechtswege is geëindigd.
Het Gerecht heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en overwogen dat het niet toekomt aan de behandeling van het ontbindingsverzoek van Spigt, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan.
Het Gerecht heeft onder meer overwogen dat het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat met pensioengerechtigde leeftijd de thans geldende (in de loop van de arbeidsovereenkomst gewijzigde) pensioengerechtigde leeftijd wordt bedoeld. Dit sluit immers aan op de leeftijd waarop [appellant] in aanmerking komt voor pensioenvoorzieningen (r.o.v. 5.5). Partijen hebben zich ook naar deze uitleg gedragen (r.o.v. 5.7). Omdat de arbeidsovereenkomst al is geëindigd wordt het ontbindingsverzoek en de billijke vergoeding afgewezen (r.o.v. 5.9).
4. De beoordeling in hoger beroep
Partijen zijn ontvankelijk in het hoger beroep
Op het beroep van Spigt op niet-ontvankelijkheid van [appellant] overweegt het Hof als volgt. Het betreft een beschikking op een verzoek van [appellant] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding op de voet van artikel 7A:1615w BW en een verzoek van Spigt tot ontbinding voor zover vereist. Het Gerecht heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en geoordeeld dat het niet toekomt aan de behandeling van het verzoek van Spigt, omdat aan de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan niet is voldaan.
Op grond van artikel 7A:1615w lid 8 kan geen hoger beroep of cassatie worden ingesteld tegen een beschikking krachtens dat artikel. Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van het rechtsmiddelenverbod mogelijk onder meer indien de rechter artikel 7A:1615 BW ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Spigt betoogt dat het Gerecht ten onrechte niet heeft beslist op haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist. Dat betoog houdt een beroep op een doorbrekingsgrond in, want het houdt in dat de rechter ten onrechte artikel 7A:1615 BW buiten toepassing heeft gelaten. Daarom is Spigt ontvankelijk in het incidenteel appel. Het betoog slaagt: het Gerecht had het verzoek moeten beoordelen. Het oordeel van het Gerecht dat de arbeidsovereenkomst reeds van rechtswege was geëindigd, behoorde daaraan niet in de weg te staan, omdat rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat in hoger beroep anders zou worden geoordeeld en Spigt met oog daarop belang hield bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist. Daarom acht het Hof de doorbrekingsgrond aanwezig en zal het overgaan tot behandeling van de zaak zelf. Dat geeft aanleiding om ook het principaal appel ontvankelijk te achten (zie HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614).
De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd.
Het Hof stelt voorop dat bij de beoordeling van het (onvoorwaardelijk) verzoek van [appellant] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst centraal staat de vraag of de arbeidsovereenkomst op 23 maart 2025 van rechtswege is geëindigd. Anders dan [appellant] meent moet deze vraag in deze procedure worden beantwoord, voordat haar verzoek tot ontbinding kan worden beoordeeld. Als de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 23 maart 2025, is er immers geen grond tot ontbinding. Hierbij geldt dat het in een ontbindingsprocedure gegeven oordeel over de vraag of de arbeidsovereenkomst nog bestaat, geen gezag van gewijsde heeft in een andere procedure.
Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst (naar de Haviltex-maatstaf, en met inachtneming van het gezichtspunt dat het door de werkgever als sterkere contractspartij is opgesteld) zo moet worden uitgelegd dat met pensioengerechtigde leeftijd de thans geldende (gewijzigde) pensioengerechtigde leeftijd wordt bedoeld. Het Hof sluit zich aan bij r.o.v. 5.3-5.8 van de bestreden beschikking. Het Hof voegt daar het volgende aan toe. De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd op het moment dat [appellant] de 60 jarige leeftijd heeft bereikt (maart 2020). De pensioengerechtigde leeftijd is immers na totstandkoming van de arbeidsovereenkomst (en vóór maart 2020) verhoogd tot 65 jaar. Van een na de einddatum (stilzwijgend) voortgezette arbeidsovereenkomst is dan ook, anders dan [appellant] stelt, geen sprake. De op 1 november 2007 aangegane arbeidsovereenkomst liep na 1 maart 2020 door en kwam op grond van artikel 3.4 bij het bereiken van de (gewijzigde) pensioengerechtigde leeftijd, op 23 maart 2025 tot een einde. Partijen hebben zich daar ook naar gedragen. Gesteld noch gebleken is dat het pensioenontslagbeding op of omstreeks 20 maart 2020 door [appellant] ter sprake is gebracht. Gelet hierop mocht Spigt er in redelijkheid van uitgaan dat ook [appellant] ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd niet in maart 2020 was geëindigd, maar doorliep tot maart 2025. Dat [appellant] in 2025 wel is gaan protesteren maakt dat niet anders. Dat de wettelijke pensioenleeftijd in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering is verhoogd maakt, anders dan [appellant] meent, niet dat sprake is van een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst door Spigt.
Nu de arbeidsovereenkomst in maart 2025 van rechtswege is geëindigd, heeft het Gerecht het verzoek van [appellant] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst terecht afgewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden voor zover vereist
Het Hof zal het verzoek van Spigt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist toewijzen op grond van gewichtige redenen, namelijk het bereiken van de pensioenleeftijd door [appellant]. De arbeidsovereenkomst wordt per de datum van deze beschikking ontbonden voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet reeds op 23 maart 2025 van rechtswege is geëindigd. Voor het toekennen van een billijke vergoeding aan [appellant] ten laste van Spigt ziet het Hof onder deze omstandigheid geen aanleiding. Het verzoek tot matiging van een eventuele loonvordering wordt afgewezen omdat een dergelijk verzoek aan de orde dient te komen in een (eventuele) door [appellant] te starten loonvorderingsprocedure.
Slotsom
De bestreden beschikking zal worden bevestigd en aangevuld met de beslissing dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden voor het geval dat deze niet al van rechtswege is geëindigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
5. Beslissing
Het Hof:
Principaal en incidenteel appel
bevestigt de bestreden beschikking;
ontbindt de arbeidsovereenkomst op de dag van uitspraak van deze beschikking, voor het geval deze niet al eerder van rechtswege is geëindigd;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Spigt in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Cg 6.000,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en J.A. van Voorthuizen, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026 in Curacao, in tegenwoordigheid van de griffier.