GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
1. [appellante 1],
2. [appellant 2],
in de zaak van:
beiden wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagden, thans appellanten,
aanvankelijk procederende in persoon in hoger beroep, daarna als gemachtigden achtereenvolgens mrs. S.C. Larmonie en M. Becher, gemachtigde thans: mr. E. Kleist,
tegen
de naamloze vennootschap PSB Bank N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.A. van den Berg.
Partijen worden hierna [appellanten] en PSB Bank genoemd.
Het verdere verloop van de procedure
Bij vonnis van 15 april 2025 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen om PSB Bank gelegenheid te bieden om een akte te nemen.
PSB Bank heeft op 15 september 2025 een akte genomen en daarbij producties ingediend. Bij akte van 28 oktober 2025 hebben PSB Bank daarop gereageerd.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
Verdere beoordeling door het Hof
Het beroep van [appellanten] op dwaling moet worden verworpen. Zij hebben niet betwist dat zij, zoals PSB Bank heeft aangevoerd, bij het aangaan van de consolidatielening op de hoogte waren van de bedragen aan rente die deel uitmaakten van de schulden die zij via de consolidatielening konden aflossen. In zoverre was er dan ook geen sprake van dat zij de consolidatielening onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken hebben afgesloten.
Dat PSB Bank [appellanten] er daarbij niet op heeft gewezen dat bij twee van de aldus afgeloste schulden sprake was van woekerrente, brengt niet mee dat PSB Bank in haar onderzoeks-, zorg- of informatieplicht is tekortgeschoten, want die verplichtingen strekken ertoe klanten van een bank te beschermen bij het aangaan van verplichtingen tegenover die bank, terwijl de gestelde woekerrente zag op reeds eerder door [appellanten] bij derden aangegane verplichtingen.
Ook het beroep van [appellanten] op partiële nietigheid van de consolidatieleningsovereenkomst moet worden verworpen. [appellanten] hebben weliswaar gesteld dat de hoogte van de rente bij twee geconsolideerde leningen is strijd is met de openbare orde en goede zeden, maar hebben geen stellingen aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat dat ook zou gelden voor de voorwaarden waaronder zij de consolidatielening met PSB Bank zijn aangegaan.
Het verwijt aan het adres van PSB Bank dat zij heeft nagelaten om [appellanten] te informeren dat zij in verband met de corona-epidemie over de maanden maart 2020 tot en met oktober 2020 alleen uitstel van betaling verleende voor betaling van aflossingen en niet voor de rente, kan evenmin tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg leiden. [appellanten] hebben niet betwist dat het beleid dat PSB Bank op dit punt hanteerde tijdens een bijeenkomst op het kantoor van PSB Bank aan hen is uitgelegd en evenmin dat, los daarvan, een op dit punt al dan niet gedane mededeling niet van invloed is geweest op de hoogte van de uitstaande schuld van Baron c.s. Bovendien hebben [appellanten] geen rechtsgevolg verbonden aan het gestelde tekortschieten door PSB Bank. Zij hebben immers geen tegenvordering in verband met de gestelde schade ingediend.
Ten slotte gaat het Hof voorbij aan het verzoek van [appellanten] om aan hen uitstel van betaling te verlenen opdat zij met PSB Bank een betalingsregeling kunnen treffen, omdat een rechtsgrond voor toewijzing voor dit verzoek ontbreekt.
Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- bevestigt het vonnis waarvan beroep;
- veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van PSB Bank gevallen en tot op heden begroot op op Cg 354,73 aan verschotten en Cg 16.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.W.A. Vonk en P.J. Duinkerken, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.