BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 10 februari 2026
ZAAKNRS: AUA202302681 – AUA2024H00018
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[WERKNEMER],
wonend in Aruba,
in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,
gemachtigde: mr. A.E.A. Hernandez,
-tegen-
[WERKGEVER],
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd.
Partijen zullen hierna (ook) worden aangeduid met [Werknemer] en [Werkgever].
De zaak in het kort
[Werknemer] werkt als massagetherapeute in dienst van [Werkgever]. [Werknemer] verzoekt onder meer achterstallig loon, wegens ten onrechte doorgelopen covid-korting, onbetaalde reparatietoeslag en gewerkte feestdagen. Het Gerecht heeft de verzoeken afgewezen. Het Hof komt na een tussenbeschikking en daarna overgelegde informatie uit de administratie van [Werkgever] nu tot een einduitspraak.
1. Het verdere verloop van de procedure
Voor het procesverloop tot 30 juli 2024 verwijst het Hof naar zijn tussenbeschikking van die datum, ECLI:NL:OGHACMB:2024:128.
Op de rol van 1 april 2025 heeft [Werknemer] een akte uitlating (houdende vermindering van het verzoek) genomen en heeft [Werkgever] een akte inbreng stukken tevens uitlating genomen.
Op de rol van 16 september 2025 hebben partijen elk een antwoordakte genomen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Reparatietoeslag
Bij de tussenbeschikking, waarbij het Hof volhardt, heeft het Hof [Werknemer] verzocht in te gaan op het oordeel van het Hof dat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waardoor er voor de civiele rechter op dit punt geen plaats is.
Bij haar akte uitlating van 1 april 2025 heeft [Werknemer] meegedeeld dat haar verzoek voor wat betreft de achterstallige reparatietoeslag wordt ingetrokken c.q. wordt verminderd tot nihil.
De tussenconclusie op dit punt luidt dat het Hof daarover niet meer hoeft te oordelen.
Gewerkte feestdagen
Bij de tussenbeschikking heeft het Hof [Werkgever] verzocht om de arbeidslijsten over 2018, 2019 en 2021 dan wel andere delen uit haar administratie over te leggen, waaruit blijkt wanneer [Werknemer] was ingeroosterd en dat [Werknemer] op de door haar genoemde feestdagen niet heeft gewerkt c.q. wie wel heeft gewerkt op voorkomende feestdagen. Dit naar aanleiding van het verweer van [Werkgever] dat geen van de vaste werknemers, inclusief [Werknemer], wordt ingezet op zon- en feestdagen omdat de spa dan dicht is, en alleen oproepkrachten worden ingezet wanneer op zo’n dag zich toch klanten aandienen (in plaats van vast personeel zoals [Werknemer]).
Werkgever] heeft bij haar akte van 1 april 2025 excel sheets van haar salarisadministrateur [naam] overgelegd met overzichten (per maand en totaal) op welke dagen [Werknemer] in 2018 en 2019 gewerkt zou hebben. Over 2021 zijn geen gegevens overgelegd.
In de totaaloverzichten over 2018 en 2019 is vermeld dat [Werknemer] in elk van die jaren op vijf feestdagen gewerkt heeft. Daaruit volgt dat [Werkgever] in ieder geval ook zelf ervan uitgaat dat [Werknemer] op tien van de twaalf door [Werknemer] aangeduide feestdagen gewerkt heeft. Voor wat betreft de twee overige door [Werknemer] genoemde feestdagen in 2018 (Koningsdag) en 2019 (op welke door haar genoemde feestdag [Werknemer] al dan niet gewerkt zou hebben volgt niet uit de overzichten), geldt dat [Werkgever] haar verweer onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. De overzichten vermelden namelijk alleen gegevens over [Werknemer] en niet – zoals door het Hof verzocht – over andere werknemers of oproepkrachten die op de betreffende feestdagen wel gewerkt zouden hebben volgens de (aanvankelijke) stellingen van [Werkgever]. Ten aanzien van de twee feestdagen in 2021 die [Werknemer] stelt gewerkt te hebben (Nieuwjaardag en Dia di Betico), heeft [Werkgever] haar daartegen gerichte verweer niet onderbouwd nu zij over 2021 geen gegevens heeft overgelegd. Het Hof gaat er daarom van uit dat [Werknemer] in 2018, 2019 en 2021 op veertien feestdagen gewerkt heeft, zoals zij heeft gesteld.
Werkgever] heeft bij haar akte van 1 april 2025 een ander, nieuw verweer gevoerd. Dat komt erop neer dat [Werknemer] überhaupt geen recht heeft op een overwerkvergoeding voor gewerkte feestdagen omdat zij nooit aan 40 werkuren per week kwam en haar salaris op grond van de arbeidsovereenkomst telkens werd aangevuld tot het minimumloon bij een 40-urige werkweek. Van overwerk is pas sprake wanneer meer uren arbeid wordt verricht dan het afgesproken aantal werkuren, in casu 40, aldus steeds [Werkgever].
Dit verweer gaat niet op. Ingevolge art. 1 Arbeidsverordening 2013 (de definities van overwerk en rusttijd) in verbinding met art. 10 lid 1, aanhef en onder d, Arbeidsverordening 2013 in verbinding met art. 16 lid 2, aanhef en onder c, Arbeidsverordening 2013, blijkt dat de werknemer, los van de arbeidsduur, recht heeft op een overwerkvergoeding van 100% indien arbeid wordt verricht op een feestdag. Verder blijkt uit de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst (zie rov. 3.1.2 van de tussenbeschikking) niet dat bij de afspraak over het aanvullen van het salaris tot het minimumloon (wanneer het bedrag aan commissie daaronder blijft), in dat geval wordt uitgegaan van een fictief aantal gewerkte uren van 40.
Uit het voorgaande volgt dat de klacht over de gewerkte, maar niet als overwerk betaalde feestdagen opgaat en de bestreden beschikking in zoverre niet in stand kan blijven. Nu [Werkgever] tegen de berekening van het verzochte bedrag geen verweer heeft gevoerd, zal zij alsnog worden veroordeeld om Afl. 1.014,24 aan achterstallig loon te betalen in verband met niet correct uitbetaalde gewerkte feestdagen over 2018, 2019 en 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, die wordt gematigd tot een eenmalig bedrag van 10% van het verschuldigde bedrag. Verder zullen de respectieve deelbedragen vermeerderd worden met de wettelijke rente, zoals in het dictum weergegeven.
Verlaging loon
Het Hof heeft bij zijn tussenbeschikking (in rov. 3.5) reeds geoordeeld dat [Werknemer] met het blijven voortduren van de loonkorting akkoord is gegaan, althans dat [Werkgever] dat redelijkerwijs mocht afleiden uit het uitblijven na juni 2021 van bezwaren of vragen van de zijde van [Werknemer], althans dat gezien de gewijzigde omstandigheden ten gevolge van de covid-situatie ook na juni 2021 sprake was van een redelijk voorstel tot (tijdelijke) wijziging van de arbeidsovereenkomst dat [Werknemer] in redelijkheid diende te aanvaarden.
Hieruit volgt dat het verzoek van [Werknemer] voor wat betreft het bedrag van Afl. 3.510,- aan achterstallig loon over de periode juli tot en met december 2021, door het Gerecht terecht is afgewezen en dat het hoger beroep in zoverre tevergeefs is voorgesteld.
Slotsom
De slotsom luidt dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft het verzoek tot betaling van achterstallig loon in verband met gewerkte feestdagen, en voor het overige faalt. Voor de duidelijkheid en leesbaarheid wordt de bestreden beschikking (voor zover aan hoger beroep onderworpen) integraal vernietigd en wordt het verzoek alsnog gedeeltelijk toegewezen. Omdat [Werknemer] tot in twee instanties heeft moeten procederen om haar overwerkvergoeding te krijgen, wordt [Werkgever] veroordeeld in de proceskosten van [Werknemer], die berekend worden over het toe te wijzen bedrag.
BESLISSING
Het Hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:
veroordeelt [Werkgever] tot betaling aan [Werknemer] van Afl. 1.014,24, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% over dat bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de deelbedragen met ingang van elke laatste dag van de maand waarin het respectieve deelbedrag voor de in die maand gewerkte feestdag viel;
veroordeelt [Werkgever] in de proceskosten van [Werknemer], tot op heden begroot op:
in eerste aanleg: Afl. 50,- aan griffierecht en Afl. 500,- (2 x tarief 2) aan gemachtigdensalaris;
in hoger beroep: Afl. 900,- aan griffierecht en Afl. 625,- (2½ x tarief 2) aan gemachtigdensalaris;
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, E.A. Saleh en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 10 februari 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.