ECLI:NL:OGHACMB:2026:238

ECLI:NL:OGHACMB:2026:238

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer CUR2025H00133
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Werkneemster heeft in whatsapp communicatie met haar werkgever de arbeidsrelatie beëindigd. Later komt zij daarop terug. Op basis van de wettelijke uitgangspunten en de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaven oordeelt het Hof dat de arbeidsovereenkomst door opzegging van de werkneemster is beëindigd.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202404720 – CUR2025H00133

Uitspraak: 28 juli 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonend in Curaçao,

in eerste aanleg verzoekster, thans appellante,

gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam,

tegen

[GEÏNTIMEERDE]

h.o.d.n. OVERVAL PREVENTIE TEAM (OPT),

zaakdoende in Curaçao,

in eerste aanleg verweerder, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.M. Tromp.

Partijen worden hierna [appellante] en OPT, dan wel [geïntimeerde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Bij op 20 mei 2025 ingekomen beroepschrift, met twee producties, is [appellante] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 8 april 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). Hierbij heeft [appellante] drie grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en haar gewijzigde (zie 4.1 hierna) verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van OPT – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties, waaronder eventuele nakosten.

Op 16 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden door het Hof met als leden mrs Van der Bunt, Lewin en Vonk. Daarbij is OPT in de gelegenheid gesteld als productie een print van een whatsappconversatie tussen partijen over de periode 4 december 2023 tot en met 1 februari 2024 over te leggen. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is verwezen voor akte uitlating producties door beide partijen.

Partijen hebben ieder op 13 januari 2026 een akte uitlating ingediend; van de zijde van OPT onder de titel “Memorie van Antwoord”, met daaraan gehecht de hiervoor genoemde whatsappconversatie.

Een nieuwe mondelinge behandeling door het Hof (met als leden mrs. Vonk, Lewin en Ter Veer) heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Verschenen is [appellante], bijgestaan door haar gemachtigde. Namens OPT is verschenen zijn gemachtigde.

Beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

[appellante] is op 5 oktober 2022 in dienst getreden van OPT voor onbepaalde tijd, tegen een salaris van (toen NAf, nu) Cg 10,70 per uur. Zij werkte op oproepbasis als beveiliger bij onder andere De Visserij, Mambo en Pirate Bay. Bij haar werkzaamheden droeg zij een door OPT ter beschikking gesteld uniform.

Het salaris van [appellante] werd door OPT maandelijks overgemaakt op de bankrekening van de zus van [appellante]. Volgens salarisspecificaties bedroeg het salaris in november 2023 Cg 3.456,33 netto en in december Cg 769,15 netto.

Vanaf 5 december 2023 heeft [appellante] niet meer voor OPT gewerkt, met als opgegeven reden dat ze haar salaris van november 2023 niet gestort heeft gekregen.

[appellante] en [geïntimeerde] hebben over en weer whatsappberichten aan elkaar gestuurd. In de periode van 4 december 2023 tot en met 1 februari 2024 hebben zij – voor zover hier van belang, vrij vertaald en samengevat – het volgende bericht:

Op 5 december 2023 heeft [appellante] een aantal berichten aan [geïntimeerde] met boze verwijten gestuurd en daarnaast onder meer aan [geïntimeerde] bericht (20:26:13u): “Ik zal Jay jouw uniforms geven”. Hierna heeft [geïntimeerde] [appellante] geblokkeerd.

Op 18 december 2023 heeft [geïntimeerde] [appellante] gedeblokkeerd en haar bericht (18:10:29u): “Zeg me, wat wil je ten opzichte van OPT doen? Sociale Zaken heeft mij gezegd om contact op te nemen.” Waarop [appellante] aan [geïntimeerde] bericht: “goedemiddag meneer [geïntimeerde], met het Overval Preventie Team wil ik niet meer doorgaan, weet u waarom?” en zich in de daaropvolgende berichten beklaagt over onder meer het management en de manier van leidinggeven van [geïntimeerde].

[geïntimeerde] bericht vervolgens aan [appellante] (19.15.36u): “ik heb gezegd dat als je aangeeft dat je niet blij bent met het bedrijf, lever dan je uniform in bij de supervisor en dat is wat je ook gedaan hebt, dat betekent voor mij dat je akkoord ging dat het zo was.

(19:16:10u) Ik dacht dat je terug wilde keren naar het werk, dat is wat je hebt aangegeven bij het SOAW.

(19:16:56) Maar nu begrijp ik dat het anders is, dat wil zeggen dat je niet meer wilt werken”.

Eind januari, begin februari 2024 zijn er whatsappberichten tussen partijen waarvan de inhoud, kort samengevat, gaat over het inleveren van het uniform door [appellante] en de betaling van het achterstallige salaris door OPT.

Bij brief van 20 maart 2024 schrijft [appellante] aan OTP, kort samengevat, dat haar is verteld vanaf 27 december 2023 rust te nemen en dat haar salaris van november 2023 in januari 2024 zou worden betaald en haar salaris van december 2023 in februari 2024. De salarissen zijn niet betaald en [appellante] is niet meer opgeroepen voor het werk. Zij wil graag weer aan het werk en zij wil weten wanneer zij betaling van de salarissen kan verwachten.

Bij brief van 21 juni 2024 roept de gemachtigde van [appellante] de nietigheid in van een eventueel verleend ontslag en sommeert hij OPT het salaris van [appellante] vanaf november 2023 te betalen.

3. De procedure bij het Gerecht

[appellante] heeft (na intrekking van een subsidiair verzoek) in eerste aanleg uiteindelijk verzocht – samengevat – dat het Gerecht het ontslag nietig verklaart en OPT veroordeelt om [appellante] weer toe te laten tot het werk, met uitbetaling van het (achterstallige) loon met emolumenten en vermeerderd met de wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging.

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de verzoeken van [appellante] afgewezen, met uitzondering van het gevorderde achterstallig salaris tot 18 december 2023 met de wettelijke verhoging. De proceskosten zijn gecompenseerd.

Het Gerecht heeft, kort samengevat, als volgt overwogen. Niet is gebleken dat OPT de arbeidsovereenkomst met [appellante] heeft opgezegd. Vanaf 5 december 2023 heeft [appellante] niet meer gewerkt. Op 18 december 2023 heeft [appellante] aan OPT een bericht gestuurd, waarin ze aangeeft niet meer bij OPT te willen werken en de redenen waarom. OTP heeft dit bericht opgevat als een ontslagname (ro. 3.1 – 3.3). OTP mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [appellante] wilde opzeggen. Zij heeft het bericht verstuurd toen ze al enkele weken thuis was, heeft genoeg tijd gehad om na te denken wat zij wilde en is daar niet van teruggekomen. Pas na drie maanden (20 maart 2024) stuurt zij een bericht met de vraag wanneer ze weer kan werken en nog later (december 2024) start ze een gerechtelijke procedure. Door zoveel tijd te laten verstrijken mocht OPT erop vertrouwen dat [appellante] de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen (ro. 3.7). Dat brengt mee dat alleen de vordering tot betaling van het achterstallige salaris – door OPT niet betwist – kan worden toegewezen (ro. 3.8).

4. De beoordeling

In hoger beroep heeft [appellante] haar eis gewijzigd in die zin dat zij nu geen nietigheid van het ontslag meer inroept maar in plaats daarvan een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en OPT niet rechtsgeldig is beëindigd. Voor het overige handhaaft zij haar verzoeken in eerste aanleg. Het Hof zal op dit gewijzigde verzoek beslissen, nu dit niet in strijd is met de goede procesorde en OPT hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

De eerste twee grieven van [appellante] zijn gericht tegen het oordeel dat OPT erop mocht vertrouwen dat [appellante] de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen en tegen het oordeel over de gevolgen daarvan voor de verzoeken tot wedertewerkstelling en het doorbetalen van haar salaris. [appellante] stelt dat sprake was van een wilsgebrek en dat het niet haar bedoeling was om haar baan op te zeggen. Zij was financieel afhankelijk van OPT en boos dat zij haar salaris niet betaald kreeg. In haar boosheid heeft zij uitlatingen gedaan, met als doel druk op OPT uit te oefenen, zodat haar salaris betaald zou worden. Het was niet haar wil om ontslag te nemen en zij heeft dat ook niet ondubbelzinnig verklaard. OPT mocht dat dan ook niet zomaar aannemen, aldus [appellante].

Het Hof neemt, net als het Gerecht onder ro. 3.5 van de bestreden beschikking, tot uitgangspunt dat een werkgever er in principe op mag vertrouwen dat een verklaring van een werknemer overeenstemt met zijn wil, waarbij de vraag of het vertrouwen van de werkgever gerechtvaardigd is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

Bij opzegging van een arbeidsovereenkomst kan het vertrouwen van de werkgever alleen dan gerechtvaardigd zijn, indien sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Deze strenge maatstaf moet de werknemer behoeden voor ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor de werknemer kan hebben, zoals mogelijk verlies van ontslagbescherming, het verlies van inkomen en aanspraken op eventuele uitkeringen. Gelet op deze grote gevolgen voor de werknemer mag de werkgever niet snel aannemen dat een verklaring van een werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder omstandigheden heeft de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wil opzeggen en een verplichting om de werknemer voor te lichten over de gevolgen van de opzegging.

Vast staat dat [appellante] vanaf 5 december 2023 niet meer heeft gewerkt en dat er discussie was tussen partijen over het salaris van [appellante] over de maand november 2023. Ze appt op die datum aan [geïntimeerde] dat ze Jay haar uniform zal geven. Uit het vervolg van de whatsappberichten (zie 2.1.4) leidt het Hof af dat zij dit zei in verband met het uitblijven van betaling van wat OPT haar aan salaris verschuldigd is. Na nog een aantal berichten van [appellante] op 5 december 2023 heeft [geïntimeerde] haar geblokkeerd tot 18 december 2023. Op die datum stuurt [geïntimeerde] een bericht aan [appellante] en vraagt wat hij voor haar kan doen. Daarop antwoordt [appellante] dat ze niet langer wil doorgaan, met een uitleg waarom niet. Uit de reactie daarop van [geïntimeerde] in de whatsapp berichten van 18 december 2023 leidt het Hof af dat OPT (net als [appellante]) contact heeft gehad met het ministerie van Sociale Ontwikkeling Arbeid en Welzijn (SOAW) en dat hij op basis daarvan dacht dat [appellante] graag terug wilde keren naar het werk (ook al had [geïntimeerde] eerder uit het teruggeven van het uniform afgeleid dat [appellante] niet meer voor OPT wilde werken). Echter, uit haar laatste whatsappberichten leidt OPT af dat het nu anders is en dat [appellante] niet wil terugkeren. OPT heeft deze mededeling van 18 december 2023 opgevat als een expliciete bevestiging van een op 5 december 2023 impliciet gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst door [appellante]. In de whatsapp gesprekken na 18 december 2023 tot begin februari 2024 komt [appellante] hier niet van terug.

De uitlatingen van [appellante] van 5 december 2023 zijn onvoldoende ondubbelzinnig, maar onder de omstandigheden van dit geval mocht OPT wel erop vertrouwen dat [appellante] met haar expliciete mededeling op 18 december 2023 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Zij schrijft ondubbelzinnig dat zij niet langer wil doorgaan en legt vervolgens uit dat dit is vanwege het management en de wijze van leidinggeven van [geïntimeerde]. Op de reactie van [geïntimeerde] dat hij hieruit afleidt dat [appellante] niet wil terugkeren naar OPT komt geen ontkennende reactie van [appellante]. Het gaat in de whatsapp berichten na 18 december 2023 over het achterstallig salaris en over het teruggeven van het uniform.

De stelling van [appellante] – zo begrijpt het Hof – dat zij in een emotionele gemoedstoestand heeft gehandeld, dat haar berichten slechts bedoeld waren om OPT onder druk te zetten alsnog te betalen, en dus niet kunnen worden opgevat als een ondubbelzinnige en duidelijke verklaring, kan haar in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet baten. Op het moment dat [appellante] op 18 december 2023 het bericht verstuurde was zij bijna twee weken thuis. [geïntimeerde] mocht ervan uitgaan dat zij op die datum voldoende gekalmeerd was om te kunnen overzien dat [geïntimeerde] een bevestiging van [appellante] dat zij niet wilde terugkeren, serieus zou nemen.

Van belang is dat zowel [appellante] als OPT contact heeft gehad met SOAW. Op basis van dat contact verkeerde OPT aanvankelijk in de veronderstelling dat [appellante] mogelijk wilde terugkeren naar het werk. OPT heeft vervolgens contact met [appellante] gezocht. In het bericht van 18 december 2023 heeft [appellante] daarop laten weten dat zij niet langer wilde doorgaan. Uit deze gang van zaken volgt dat OPT heeft onderzocht of [appellante] wilde terugkeren, dan wel de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. Gelet op het tijdsverloop en het verdere verloop van de whatsappcorrespondentie hoefde van OPT geen nader onderzoek te worden verlangd. Na 18 december 2023 ging die correspondentie immers over het achterstallige salaris en het inleveren van het uniform, en niet over beschikbaarheid voor arbeid. Omdat OPT bovendien wist dat [appellante] contact had met SOAW, was er voor OPT ook geen aanleiding om haar voor te lichten over de gevolgen van de opzegging. Voor zover [appellante] zich in grief drie erop heeft beroepen dat OPT, vanwege de mogelijke financiële gevolgen van vrijwillige beëindiging van het dienstverband, als werkgever een onderzoeksplicht had en niet te snel mocht aannemen dat [appellante] de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen, stuit dat op af op het oordeel dat OPT in dit geval voldoende onderzoek heeft gedaan.

De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en OPT door opzegging van [appellante] met ingang van 18 december 2023 is beëindigd. Dat betekent dat het Gerecht de verzoeken tot wedertewerkstelling en doorbetaling van het salaris na 18 december 2023 op goede gronden heeft afgewezen.

De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van OPT gevallen en tot op heden begroot op Cg 4.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.W.A. Vonk, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand