1. [Appellante 1],
2. [Appellante 2],
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR202302684 en CUR2024H00149
Uitspraak: 28 juli 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. A.C. Herrera,
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
thans appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
procederend in persoon,
tegen
[Geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna bij hun voornaam aangeduid: [Appellant 1], [Appellant 2] en [geïntimeerde]. [Appellant 1] en [Appellant 2] worden gezamenlijk ook wel [appelanten c.s.] genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de afwikkeling van een nalatenschap. [Appellanten c.s.] vorderen afdracht daarin door [geïntimeerde] van een aan de nalatenschap toekomend bedrag. [Geïntimeerde] voert het verweer dat [appellanten c.s.] niet-ontvankelijk zijn omdat de vordering in de verdeling tussen alle (en niet slechts de drie in deze procedure optredende) erfgenamen kan en moet worden betrokken. Dat verweer is door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) verworpen.
Het Hof beslist anders: eisers zijn niet-ontvankelijk. Het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 21 juni 2024 ingekomen akte zijn [appellanten c.s.] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 mei 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht.
Bij op 2 augustus 2024 ingekomen memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van het Gerecht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en alsnog de vorderingen van [appellant 1] toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, vermeerderd met moratoire en wettelijke rente.
geïntimeerde] heeft op 25 september 2024 een memorie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep (met producties) ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van het Gerecht vernietigt, [appellanten c.s.] alsnog niet-ontvankelijk verklaart, althans op de huurpenningen de kosten van onderhoud en beheer in mindering brengt en [appellant 1] veroordeelt een gebruiksvergoeding te betalen, met veroordeling van [appellant 1] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.
appellant 1] heeft op 4 juni 2025 een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep ingediend (met producties). Hij concludeert tot afwijzing van de grieven van [geïntimeerde].
Op de daarvoor bepaalde dag (30 september 2025) hebben [appellant 1] en [geïntimeerde] pleitnotities ingediend.
appellant 2] heeft geen memories ingediend. Ook zijn van haar geen pleitnotities ontvangen.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Kosteloos procederen
Uit het overgelegde bewijs van onvermogen blijkt genoegzaam van het
onvermogen van [appellant 1], zodat hem toestemming zal worden verleend om kosteloos
te procederen.
De ontvankelijkheid
appellant 1], [appellant 2] en [geïntimeerde] zijn broers en zus. Zij zijn, samen met anderen, deelgenoten in de nalatenschappen van [naam overledene 1], overleden op [datum] 1992 in [land] en [naam overledene 2], overleden op [datum] 2007 in [land].
Artikel 3:170 BW neemt tot uitgangspunt dat het beheer van een gemeenschap in beginsel door de deelgenoten tezamen (dus: alle erfgenamen) geschiedt, tenzij een regeling anders bepaalt. Gesteld noch gebleken is dat er een regeling is die anders bepaalt.
Art. 3:171, eerste volzin, BW bevat de regel dat, tenzij een regeling anders bepaalt (maar, zoals in de vorige overweging vastgesteld, een dergelijke regeling is er dus niet), iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Deze regel ziet in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. Laatstgenoemde vorderingen en verzoeken dienen immers op de voet van de artikelen 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken. Aan de verdeling dienen alle deelgenoten deel te nemen.
Een uitzondering op het vorenstaande is gerechtvaardigd indien een vordering of een verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich niet ervoor leent in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken (vgl. HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, rov. 3.6.). In een dergelijk geval kan de vordering of het verzoek tegen de deelgenoot wel op de voet van art. 3:171 BW worden ingesteld, respectievelijk ingediend (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:535).
Appellanten c.s.] vorderen in deze procedure de afdracht aan de boedelnotaris van, tot de gemeenschap behorende, door [geïntimeerde] geïncasseerde huurpenningen.
Uit de vordering blijkt dat het gaat om vorderingen ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. [Appellanten c.s.] willen immers dat de door hen gevorderde huurpenningen aan de boedelnotaris worden afgedragen opdat deze vervolgens verdeeld kunnen worden tussen de erfgenamen. Uitgangspunt is dus dat deze vordering op de voet van de artikelen 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap wordt betrokken. Alle erfgenamen moeten daarbij betrokken worden, dus niet slechts de drie erfgenamen die partij zijn in deze procedure.
Een uitzonderingssituatie als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018 doet zich niet voor. De vordering leent zich ervoor in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken. In die verdeling zal immers kunnen en moeten worden vastgesteld of [geïntimeerde] uit hoofde van door hem geïncasseerde, maar aan de gemeenschap toebehorende, huurpenningen per saldo nog enig bedrag verschuldigd is, daarbij rekening houdend met door hem eventueel gemaakte kosten van onderhoud en beheer. Indien en zodra die vaststelling heeft plaatsgevonden kan worden bepaald hoe de gemeenschap (in zoverre nog) moet worden verdeeld. Dat eerder al onderdelen van de gemeenschap zijn verdeeld (waarvan het Gerecht kennelijk is uitgegaan) doet hieraan niet af: op de nu besproken onderdelen is dat nog niet gebeurd. Het ontvankelijkheidsverweer slaagt.
Het Hof gaat er vanuit dat [geïntimeerde] in eerste aanleg in reconventie een vordering (gebruiksvergoeding) heeft ingesteld voor het geval het door hem gevoerde ontvankelijkheidsverweer niet slaagt. Uit het voorgaande blijkt dat die voorwaarde niet is vervuld. Aan beoordeling van de vordering in reconventie wordt dus niet toegekomen. Overigens geldt voor die vordering hetzelfde als voor die van [appellanten c.s.], zoals [geïntimeerde] zelf ook stelt. [Geïntimeerde] vordert immers betaling door [appellant 1] aan de gemeenschap van een gebruiksvergoeding voor de periode dat [appellant 1] een tot de gemeenschap behorende woning bewoonde. Ook die vordering hoort dus in de verdeling te worden betrokken en kan slechts door alle (andere) deelgenoten worden ingesteld.
Slotsom
Het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd. Nu [appellanten c.s.] hun vordering niet op de juiste wijze hebben ingesteld zullen zij daarin, alsnog, niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan beoordeling van de, voorwaardelijk ingestelde, reconventionele vordering wordt dan niet toegekomen.
Vanwege de familiebetrekking tussen partijen worden in eerste aanleg en in hoger beroep de proceskosten gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verleent [appellant 1] toelating om kosteloos te procederen;
vernietigt het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 13 mei 2024 en
doet opnieuw recht als volgt:
verklaart [appellanten c.s.] niet-ontvankelijk in hun vordering;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt in eerste aanleg en in hoger beroep.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.