Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202100797 en SXM2024H00101
Uitspraak: 28 juli 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
nu appellante,
gemachtigde: [gemachtigde appellante],
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser in conventie en verweerder in reconventie,
nu geïntimeerde,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx.
Partijen worden verder [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 12 augustus 2024 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 6 augustus 2024 uitgesproken eindvonnis en het op 28 juni 2022 uitgesproken tussenvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht).
Bij op 27 augustus 2024 ingekomen memorie van grieven tevens vermeerdering van eis in reconventie, met vier producties, heeft [appellante] tien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en in reconventie een verklaring voor recht zal geven, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
Bij op 16 oktober 2024 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties.
Op 22 oktober 2025 heeft [geïntimeerde] een pleitnota ingediend. [appellante] heeft geen pleitnota ingediend.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling in hoger beroep
Feitelijke uitgangspunten
Het gaat in deze zaak om de rechten op de huuropbrengsten van een perceel groot 4.632 m2 gelegen in [wijk] in Sint Maarten (verder: het perceel).
Het perceel maakt deel uit van een groter stuk grond dat op 10 juni 1885 is gesteld op naam van [erflaatster 1] (verder: [erflaatster 1]). [geïntimeerde] is een nakomeling van [erflaatster 1] en als zodanig rechthebbende in de gemeenschap (hierna ook: de boedel) die wordt gevormd door haar onverdeelde nalatenschap. Aldus is vastgesteld door het Hof bij inmiddels onherroepelijk vonnis van 29 januari 2016, gewezen in hoger beroep van het vonnis van het Gerecht van 9 april 2013, tussen [appellante] als appellante en [geïntimeerde] en [persoon 3] (verder: [persoon 3]) als geïntimeerden:
Het Hof gaat uit van het navolgende:
(…)
e. [geïntimeerde] is kennelijk nakomeling van [erflaatster 1] en deelgenoot in de desbetreffende gemeenschap.
Aldus heeft het Gerecht ook geoordeeld in rov. 2.1 van het bestreden vonnis; tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht:
Gelet op hetgeen naar voren is gebracht door partijen is het Gerecht van oordeel dat [geïntimeerde] dient te worden beschouwd als erfgenaam in de lijn van respectievelijk [erflaatster 1] (betovergrootmoeder van [geïntimeerde]), [voorouder 1] (overgrootvader van [geïntimeerde]), [voorouder 2] (grootvader van [geïntimeerde]) en [naam moeder] (moeder van [geïntimeerde]). [geïntimeerde] heeft dit inmiddels voldoende onderbouwd. Daarmee geldt hij als deelgenoot van de boedel.
Het is in deze procedure niet komen vast te staan wie, naast [geïntimeerde], de deelgenoten in de boedel zijn. Van pogingen van [geïntimeerde] om hen op te sporen is niet gebleken. Aannemelijk is dat er vele deelgenoten zijn en dat de waarde van het aandeel van [geïntimeerde] gering is, alleen al gelet op het vermoedelijk grote aantal andere afstammelingen van zijn overgrootvader [voorouder 1], die zes kinderen en zeven kleinkinderen had.
Het perceel is ruim 40 jaar lang, tot haar overlijden op [datum] 2004, gehouden en beheerd door [erflaatster 2] (verder: [erflaatster 2]). [erflaatster 2] heeft het perceel in 19 stukken (“kavels”) verdeeld die zij heeft verhuurd aan derden. [erflaatster 2] inde de huur van die derden. De kavels zijn, merendeels door de huurders, bebouwd met opstallen, door partijen en hierna appartementen genoemd.
[erflaatster 2] heeft in haar testament [appellante] als haar enige erfgenaam benoemd en aan haar enige kind [persoon 4] (verder: [persoon 4]) het vruchtgebruik over haar goederen gelegateerd. [persoon 4] was tot zijn overlijden, op [datum] 2010, gehuwd met [persoon 3]. In de periode tussen het overlijden van [erflaatster 2] in 2004 en zijn overlijden in 2010 heeft [persoon 4] het perceel gehouden en de huren geïnd. Als gevolg van zijn overlijden is het vruchtgebruik van [persoon 4] vervallen. Vervolgens is [appellante], als erfgename van [erflaatster 2], het perceel gaan houden en beheren, in elk geval de huren gaan innen.
appellante] is definitief enig erfgenaam van [erflaatster 2]. Bij het genoemde, onherroepelijke vonnis van 29 januari 2016 heeft het Hof namelijk overwogen en beslist:
Het GEA heeft overwogen dat [appellante] ingevolge artikel 4:933 lid 1 (oud) BW geen voordeel kan trekken uit het testament van [erflaatster 2]. De tegen dit oordeel gerichte grief van [appellante] slaagt. [appellante] is verpleegkundige en niet staat vast dat zij is begrepen onder ‘geneesheren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde uitoefenende die [erflaatster 2] gedurende de ziekte waaraan zij is overleden ‘bediend hebben’. De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat zij de enige erfgenaam is van [erflaatster 2] is derhalve toewijsbaar.
Het Hof heeft verklaard voor recht dat [appellante] de enige erfgenaam is van [erflaatster 2]. Het Hof heeft afgewezen de vorderingen in reconventie van [persoon 3] om het testament van [erflaatster 2] waardeloos te verklaren en om voor recht te verklaren dat [persoon 4] [erflaatsters 2] enige erfgenaam is, gerechtigd was tot haar hele nalatenschap en door verjaring de eigendom van het perceel heeft verkregen.
Het Hof heeft ook afgewezen de vordering in reconventie van [geïntimeerde] om [appellante] te verbieden inbreuk te maken op zijn eigendomsrechten op het perceel.
Bij het vonnis van 29 januari 2016 heeft het Hof voorts overwogen:
appellante] stelt dat de voorgangers van [erflaatster 2] de desbetreffende grond langdurig in bezit hadden en dat door verjaring de eigendom is overgegaan. Het gaat hier om een langdurig onverdeelde boedel. In eerdere zaken heeft het Hof dienaangaande geoordeeld dat het gebruik van de grond - al dan niet door een deelgenoot - in het algemeen naar verkeersopvattingen niet geldt als bezit maar als
houderschap voor de boedel.
(…)
Hetgeen door [appellante] is gesteld is onvoldoende om in de onderhavige zaak anders te oordelen.
Het Hof heeft de vorderingen van [appellante] om voor recht te verklaren dat zij, door verkrijgende verjaring en/of door erfopvolging, de eigendom van het perceel heeft verkregen, afgewezen.
Vorderingen
[geïntimeerde] vordert de ontruiming van het perceel door [appellante] met alle daar aanwezige personen en zaken, en haar veroordeling tot betaling aan hem van de geïnde huren van mei 2013 tot en met juni 2021 ten bedrage van USD 196.000 en de te innen huren van in totaal USD 2.000 per maand vanaf juli 2021 tot de dag van ontruiming, met nevenvorderingen. Aan de vorderingen legt [geïntimeerde] ten grondslag dat [appellante] de huur onrechtmatig int en aan [geïntimeerde] moet doorbetalen, terwijl de huurachterstand de veroordeling tot ontruiming rechtvaardigt.
appellante] vordert in reconventie toekenning aan haar van het perceel als bedoeld in art. 3:200a BW. Na vermeerdering van eis vordert [appellante] tevens verklaring voor recht dat zij als erfgename van [erflaatster 2] haar rechten uit de bestaande verhoudingen met de huurders heeft geërfd en als zodanig heeft voortgezet en derhalve de enige is die recht heeft tot inning en ontvangst van de huurpenningen van huurders.
Beslissingen van het Gerecht
Het Gerecht heeft in conventie [appellante] veroordeeld tot ontruiming van het perceel met alle daarop aanwezige personen en goederen, met bepaling dat dit niet geldt voor de huurders van de appartementen. Het Gerecht heeft voorts [appellante] veroordeeld om de niet afgedragen huurpenningen over mei 2013 tot en met juni 2021 ten bedrage van USD 196.000, de niet afgedragen huurpenningen over juli 2021 tot en met juni 2024 ten bedrage van USD 72.000 en de huurpenningen vanaf juli 2024 tot de datum van ontruiming ten bedrage van USD 2.000 per maand te betalen aan een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris. Het Gerecht heeft verstaan dat die notaris de door [appellante] betaalde bedragen onder zich houdt totdat door de notaris dan wel in rechte is vastgesteld welke personen deelgenoot zijn in de boedel, waarna de notaris tot verdeling overgaat.
Het Gerecht heeft de vordering van [appellante] in reconventie, om het perceel aan haar toe te kennen, afgewezen.
Beoordeling door het Hof
In conventie
Gezag van gewijsde en ne bis in idem
[appellante] werpt als eerste grief op dat het Gerecht in het bestreden vonnis ten onrechte voorbij is gegaan aan het gezag van gewijsde van het vonnis van het Gerecht van 9 april 2013 en het vonnis van het Hof van 29 januari 2016, en in strijd met het beginsel ne bis in idem heeft beslist.
2.4.1.1 Dit beginsel houdt in het burgerlijk procesrecht in dat een vordering waarop de rechter heeft beslist – behalve in het geval van ‘nieuwe feiten’ – niet nogmaals kan worden ingesteld bij een rechter van dezelfde rang. Dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan: hij vordert nu ontruiming en betaling van de huren, hij vorderde destijds een (algemeen) verbod van [appellante] om inbreuk op zijn eigendomsrecht te maken.
2.4.1.2 Het gezag van gewijsde houdt in dat een onherroepelijke (in kracht van gewijsde gegane) beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil, in een volgend geding tussen dezelfde partijen bindende kracht heeft. Het antwoord op de vraag of eerder sprake is geweest van een dergelijke beslissing, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissing. In de genoemde, onherroepelijke eerdere vonnissen tussen partijen is niet beslist op het geschilpunt in deze zaak: de vraag of het door [geïntimeerde] gepretendeerde eigendomsrecht betekent dat [appellante] onrechtmatig de huren heeft geïnd. De grondslagen van de vorderingen in die zaken en het debat tussen partijen waren ook niet hetzelfde als in deze zaak. In zijn algemeenheid staan de beslissingen in die vonnissen niet aan een oordeel in deze zaak in de weg. In hoeverre die eerdere beslissingen op onderdelen het oordeel in deze zaak bepalen, wordt hierna onder 2.4.4 beoordeeld.
De grief slaagt niet.
Aanspraak op betaling van de huren
De grieven 2 t/m 6 klagen vanuit verschillende gezichtspunten over de beslissing van het Gerecht dat de vanaf mei 2013 voor de kavels en appartementen betaalde en nog te betalen huren aan de boedel toekomen en door [appellante] moeten worden betaald aan een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris (vooruitlopend op de vaststelling wie de deelgenoten zijn en de verdeling onder die deelgenoten).
In dit geding komt gezag van gewijsde toe aan de verklaring voor recht van het Hof dat [appellante] de enige erfgenaam is van [erflaatster 2], en aan het oordeel dat [appellante] niet de eigendom van het perceel heeft verkregen. Het laatste (het ontbreken van eigendomsrecht) betekent niet dat [appellante] aan het eerste (de hoedanigheid van enig erfgenaam) geen rechten kan ontlenen. Indien [erflaatster 2] het recht had de huren van de appartementen te innen, is dat recht immers aan [appellante] als haar erfgenaam toegevallen. Het recht op betaling van de huur komt daarentegen niet vanzelf en uitsluitend toe aan (iemand die blijkt te zijn) één van de deelgenoten in de eigendom van het gehuurde.
Vast staat dat [erflaatster 2] gedurende 40 jaren het perceel heeft gehouden en de huren heeft geïnd. Vast staat dat de betrokken huurders van haar bevoegdheid tot verhuur uitgingen; zij hebben steeds aan haar betaald. [erflaatster 2] heeft daar tegenover kennelijk al die tijd het huurgenot verschaft, en aannemelijk is dat zij kosten van onderhoud en instandhouding heeft gemaakt. Het Hof gaat ervan uit dat het houderschap van [erflaatster 2] de bevoegdheid tot verhuur heeft meegebracht. Het is, gelet op art. 3:200b lid 1 BW, goed denkbaar dat [erflaatster 2] en haar rechtsopvolger [appellante] ook als gebruiker van het perceel in de zin van art. 3:200a e.v. BW moeten gelden.
Van de deelgenoten in de boedel van de nalatenschap van [erflaatster 1] is gesteld noch gebleken dat zij meer zijn dan dat. De afwijzing van de vordering van [appellante] om voor recht te verklaren dat zij eigenaar is geworden van het perceel, brengt niet vanzelf mee dat de (in die procedure niet betrokken) deelgenoten de eigenaren zijn. Ook wanneer de gezamenlijke deelgenoten wel als (enige) eigenaar moeten worden beschouwd, geldt dat zij in die hoedanigheid niet vanzelf en met uitsluiting van [appellante] verhuurder van de kavels en rechthebbende op betaling van de huren zijn.
Aanspraken van [geïntimeerde]
De aanspraak op (door)betaling van de huren komt in elk geval niet toe aan alleen [geïntimeerde]. De inning van de huren en het vorderen van betaling van [appellante] is niet een handeling dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van het perceel als bedoeld in art. 3:170 lid 1 BW, die [geïntimeerde] zelfstandig zou kunnen verrichten. Er is ook niet sprake van een rechtsvordering ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap als bedoeld in artikel 3:171 BW. Van enige machtiging van de andere deelgenoten aan [geïntimeerde] - zelfs van een poging van [geïntimeerde] om die te
krijgen - is immers niet gebleken. Krachtens artikel 3: 170 leden 2 en 3 BW waren alleen de deelgenoten gezamenlijk bevoegd om [appellante] tot betaling aan te spreken en de vordering in te stellen. Ook daarom moet [geïntimeerde]’s betalingsvordering worden afgewezen.
Ontruiming
appellante] is veroordeeld tot ontruiming maar zij woont niet op het perceel en heeft geen (huur)schuld die de veroordeling tot ontruiming rechtvaardigt. Zij kan het perceel niet ontruimen, laat staan met alle daarop aanwezige personen en goederen. Deze veroordeling kan niet in stand blijven.
Grenzen van de rechtsstrijd
Het Gerecht is buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd getreden door, als zou [geïntimeerde] zijn betalingsvordering hebben ingesteld ten behoeve van de gemeenschap, te beslissen dat [appellante] de sinds 2013 geïnde en de nog te innen huren moet betalen aan een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris ter latere verdeling onder de, vooralsnog onbekende, deelgenoten. Dat was niet gevorderd en kan in [geïntimeerde]’s vorderingen niet gelezen worden. [appellante] hoefde dit oordeel niet te verwachten; in zoverre bevat het vonnis een verrassingsbeslissing.
De door het Gerecht gekozen weg lijkt het Hof overigens een doodlopende of juist eindeloze. Het Hof ziet althans niet dat een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris op grond van het vonnis verplicht is, of er ambtshalve toe zal overgaan, om vast te stellen welke personen deelgenoot zijn en de ontvangen gelden over hen te verdelen. Ook vaststelling in rechte wie de deelgenoten zijn, is in dit geschil niet gevorderd maar wel (als alternatief voor de notaris) toegewezen. Ook daarom kan het vonnis niet in stand blijven.
Slotsom in conventie
De grieven 2 t/m 6 slagen. De grieven 7 t/m 10 hebben betrekking op de toewijzing van de nevenvorderingen van [geïntimeerde] en missen zelfstandige betekenis. Het vonnis wordt in conventie vernietigd. [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellante] in beide instanties, als hieronder gespecificeerd.
In reconventie
Zoals overwogen onder 2.4.5 moeten [erflaatster 2] en haar rechtsopvolger [appellante] gelden als verhuurder van de kavels en is goed denkbaar is dat zij daarom ook hebben te gelden als gebruiker van het perceel in de zin van art. 3:200a e.v. BW. De vordering van [appellante] om haar op die grond de eigendom van het perceel toe te kennen, kan echter niet worden toegewezen. Daarvoor is een eis in reconventie tegen [geïntimeerde] niet de aangewezen weg en daarvoor moeten voorwaarden zijn vervuld. Verwezen wordt naar rov 2.4.15 en 2.4.16 hierna. Goed denkbaar is overigens dat ook de deelgenoten in de boedel, waaronder [geïntimeerde], als gebruiker van het perceel in de zin van art. 3:200a e.v. BW moeten gelden.
Uit het vaststaande feit dat [appellante] de enige erfgenaam van [erflaatster 2] is vloeit voort dat zij is getreden in [erflaatster 2]s rechten uit overeenkomsten met de huurders, zoals hiervoor onder 2.4.4 is overwogen en beslist. Bij een (nieuwe) verklaring voor recht daarover heeft [appellante] geen belang. [appellante] heeft wellicht belang bij het onderdeel van de gevorderde verklaring voor recht dat zij ‘de enige is die recht heeft tot inning en ontvangst van de huurpenningen van huurders’. Of [appellante] inderdaad de enige is die dat recht heeft kan het Hof niet vaststellen, zodat ook in dit opzicht de vordering wordt afgewezen.
Slotsom in reconventie
Het vonnis wordt in reconventie bevestigd en de vermeerderde eis wordt afgewezen. [appellante], de in het ongelijk gestelde partij, wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep, als hierna gespecificeerd.
Over langdurig onverdeelde boedels in het algemeen
De onderhavige zaak illustreert dat gevallen van een onroerende zaak met veel deels onbekende deelgenoten, waarvan gezegd kan worden dat de onroerende zaak ‘zolang onverdeeld is gebleven dat aannemelijk is geworden dat de deelgenoten niet meer kunnen worden opgespoord of dat de waarde van de aandelen der deelgenoten zeer gering is’, op de gewone wijze niet oplosbaar zijn. Om die reden heeft de wetgever in 2007 de regeling van afdeling 4 van titel 7 van Boek 3 BW (Langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap, bestaande uit een onroerende zaak: artikelen 3:200a-200h BW) ingevoerd als lex specialis.
en in het bijzonder in deze zaak
Voorlopig oordelend kwalificeren zowel [geïntimeerde]t als [appellante] als ‘gebruiker’ in de zin van artikel 3:200b BW. Zij kunnen het Gerecht in eerste aanleg vragen (in een EJ-procedure) hun een deel van de onroerende zaak in eigendom toe te kennen (artikel 3:200a lid 1 BW). Nodig is wel een openbare oproep zodat ook andere deelgenoten dan [geïntimeerde]t zich kunnen melden (artikel 3:200f lid 5 BW). De rechter zal als ‘social engineer’ trachten een redelijk resultaat te bereiken. De wetgever verlangt dat de toe te kennen delen van de zaak ‘ontwikkeld’ zijn (bouwvergunning, behoorlijke aansluiting van water en electra enz.), waarover de desbetreffende minister geconsulteerd wordt (artikel 3:200d BW).
B E S L I S S I NG
Het Hof:
in conventie:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg begroot op Cg 10.500 aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op Cg 5.500 aan salaris gemachtigde ;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, tot de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op Cg 2.000 aan salaris gemachtigde;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, M.A. Loth en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.