ECLI:NL:OGHACMB:2026:243

ECLI:NL:OGHACMB:2026:243

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer CUR2025H00186
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curacao; loonvordering cardioloog op grond van BMS-systeem (Beloning Medisch Specialisten)

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202500979- CUR2025H00186

Uitspraak: 18 augustus 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

de stichting

STICHTING ANTILLIAANS ADVENT ZIEKENHUIS,

gevestigd in Curaçao,

hierna te noemen: Advent,

in eerste aanleg verweerster,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en E. Frins.

tegen

[Geïntimeerde],

wonende in [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde],

in eerste aanleg verzoeker,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.J. Tromp.

1. Samenvatting

In de arbeidsovereenkomst van een cardioloog met Advent is vermeld dat zijn salaris per 1 februari 2024 zal worden verhoogd met toepassing van het BMS-systeem (Beloning Medisch Specialisten). Advent is niet tot uitbetaling van deze verhoging overgegaan, omdat volgens haar daaraan een voorwaarde was verbonden. Het Gerecht heeft het verzoek van de cardioloog tot uitbetaling van het verhoogde salaris toegewezen op grond van het oordeel dat niet is gebleken dat deze voorwaarde was overeengekomen. Het Hof komt tot dezelfde conclusie en bevestigt de beschikking van het Gerecht.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het Hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- een op 7 juli 2025 ingekomen incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring/beroepschrift (met producties), waarbij Advent in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gegeven en op 26 mei 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht);

- een verweerschrift van [geïntimeerde];

- een mailbericht van Advent van 28 mei 2026 met een productie;

- een mailbericht van [geïntimeerde] van 29 mei 2026 met een productie (de arbeidsovereenkomst);

- een mailbericht van Advent van 1 juni 2026 met producties.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Verschenen zijn partijen met hun gemachtigden, die aan beide zijden pleitnotities hebben gehanteerd.

Beschikking is nader bepaald op vandaag.

3. De feiten

[Geïntimeerde] is sinds 1996 cardioloog en is in die functie per 1 januari 2024 in dienst getreden bij Advent voor een periode van 2 jaar, op grond van een arbeidsovereenkomst gedateerd 20 december 2023.

In de arbeidsovereenkomst is over het salaris onder meer het volgende bepaald:

Article 4 Salary and holiday allowance

The gross monthly salary is ANG.17.500 for the period of December 18,2023 until we shall switch to the BMS remuneration system which starts February 1, 2024.

[Geïntimeerde] heeft bij brief van 12 juli 2024de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 12 augustus 2024. In diezelfde brief heeft hij verzocht zijn salaris vanaf 1 februari 2024 aan te vullen overeenkomstig het BMS (Beloning Medisch Specialisten) -systeem. Advent heeft dat niet gedaan, ondanks meerdere aanmaningen.

[Geïntimeerde] is per 1 september 2024 in dienst getreden bij Curaçao Medical Center (CMC) als cardioloog tegen een salaris conform het BMS-systeem.

4. De procedure bij het Gerecht

[Geïntimeerde] heeft verzocht Advent te veroordelen tot betaling primair Cg 80.468,12 en subsidiair Cg 77.217,60 aan achterstallig salaris dan wel een ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het primaire verzoek toegewezen, met daarover een wettelijke verhoging van 50%, wettelijke rente en met veroordeling van Advent in de proceskosten.

5. De beoordeling

verstek en vrijwaring niet van toepassing

Advent voert aan dat het Gerecht verstek had moeten verlenen (omdat Advent en gemachtigde niet verschenen zijn op de zitting). Als dit was gebeurd had Advent het verstek kunnen zuiveren en bovendien een derde in vrijwaring kunnen oproepen. Die mogelijkheid is Advent in de procedure bij het Gerecht ontnomen en daarom verzoekt zij om in hoger beroep [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in vrijwaring te mogen oproepen.

Dit betreft een procedure over een arbeidsovereenkomst, waarin een beschikking wordt gegeven (art. 429b lid 2 Rv). Op dergelijke procedures is titel 10 Rv van toepassing en niet titel 1 Rv, waarin de artikelen over verstek (afdeling 6 Rv) en vrijwaring (afdeling 5) staan. Hierop stuit het verzoek tot oproeping in vrijwaring af. [Betrokkene] kan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 429q lid 1 Rv, zodat het Hof ook op die grond [betrokkene] niet zal doen oproepen.

BMS-systeem-stellingen van partijen

Advent heeft het volgende aangevoerd. Het BMS-systeem is alleen van toepassing op medisch specialisten die als medewerker ingeschreven zijn bij SVB (de Sociale Verzekeringsbank). De reden daarvoor is dat SVB een groot deel bekostigt van de werkgeverskosten van het ziekenhuis voor deze specialisten. SVB beoordeelt of een specialist in aanmerking komt voor beloning volgens het BMS-systeem, waarbij in aanmerking genomen wordt hoeveel medisch specialisten, in dit geval cardiologen, nodig zijn in Curaçao en of dat maximum is bereikt.

In dit geval is [geïntimeerde] door SVB niet ingeschreven als medewerker, omdat in 2024 al het door SVB toegestane maximumaantal cardiologen werkzaam was in Curaçao. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] is Advent ervan uitgegaan dat er een plaats voor een cardioloog zou openvallen. [Betrokkene], een zelfstandig gevestigd cardioloog die bij Advent werkzaam was, zou per 31 mei 2024 met pensioen gaan. Advent en [betrokkene] zijn dit ook overeengekomen, maar [betrokkene] heeft zijn inschrijving als medewerker bij SVB tegen de afspraken in niet beëindigd. [Betrokkene] heeft dat pas gedaan per 31 januari 2025, nadat hij daartoe was veroordeeld in kort geding, aldus Advent.

De verhoging van het salaris van [geïntimeerde] per 1 februari 2024 overeenkomstig het BMS-systeem was afhankelijk van de uitschrijving van [betrokkene] bij SVB. [Geïntimeerde] wist dit ook en dit is hem ook verteld door het SVB in een bespreking van SVB op 28 oktober 2022 met [betrokkene] en [geïntimeerde]. Gelet op deze omstandigheden kan het feit dat [geïntimeerde] geen beloning conform het BMS-systeem heeft ontvangen niet aan Advent worden toegerekend. Aldus nog steeds Advent.

[Geïntimeerde] heeft aangevoerd dat onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds de contractuele verhouding tussen Advent als werkgever en hemzelf als werknemer en anderzijds de verhouding tussen Advent en SVB, waarbij SVB onder bepaalde voorwaarden de extra beloning van medisch specialisten conform het BMS-systeem voor haar rekening neemt. Verhoging van zijn salaris conform het BMS-systeem per 1 februari 2024 is contractueel overeengekomen. Als Advent dat afhankelijk wilde stellen van bepaalde voorwaarden (zoals inschrijving bij SVB of de pensionering van [betrokkene]) dan had zij dit moeten bedingen en dat is niet gebeurd.

Oordeel Hof

Het Hof is het eens met [geïntimeerde] en legt hierna uit waarom.

Uit de tekst van de arbeidsovereenkomst blijkt niet dat er een voorwaarde verbonden is aan de verhoging per 1 februari 2024 van het salaris van [geïntimeerde] conform het BMS-systeem. Naast de tekst van de overeenkomst zijn echter ook andere omstandigheden van belang. Uiteindelijk gaat het erom welke betekenis partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij ook van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.

Advent heeft gesteld dat haar bedoeling wasdat de verhoging van het salaris pas in zou gaan als SVB [geïntimeerde] zou toelaten als medewerker, omdat zij alleen dan financiering van SVB zou ontvangen voor het hogere salaris van [geïntimeerde]. Advent heeft echter onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [geïntimeerde] ook wist of redelijkerwijze kon verwachten of moest begrijpen dat aan de verhoging van het salaris per 1 februari 2024 een voorwaarde verbonden was, te weten dat SVB hem zou inschrijven, en dat dit afhankelijk was van de uitschrijving bij SVB van [betrokkene].

Advent heeft met name verwezen naar een brief van 6 december 2023 van SVB (beroepschrift productie 7) waaruit blijkt dat er op 28 oktober 2022 een gesprek is geweest tussen (vertegenwoordigers van) SVB en [betrokkene] met [geïntimeerde]. In dat gesprek is aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij pas door SVB kon worden erkend als medewerker van Advent, indien de opzegdatum van [betrokkene] was vastgelegd. Advent stelt dat [geïntimeerde] in dat gesprek akkoord is gegaan met deze voorwaarde en dat hij er daarom niet op mocht vertrouwen dat de verhoging conform het BMS-systeem per 1 februari 2024 een onvoorwaardelijke loonafspraak betrof.

[Geïntimeerde] heeft betwist dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarde dat de verhoging van zijn salaris conform het BMS-systeem pas in zou gaan als [betrokkene] zijn inschrijving bij SVB zou beëindigen. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] die betwisting als volgt toegelicht. Hij was eerst werkzaam in Bonaire als cardioloog en wilde graag in het CMC-ziekenhuis in Curaçao gaan werken. Daar was geen plaats en hij heeft toen een tijd lang bij Advent waargenomen voor [betrokkene], die hij al vele jaren kende. Hij wist ook dat [betrokkene] wilde stoppen met zijn werk, maar niet per wanneer. [Geïntimeerde] wist niet wat het in Curaçao geldende BMS-systeem precies inhield en dat werd pas relevant toen hem door Advent een arbeidsovereenkomst werd voorgelegd, waarin die term voorkwam. [Geïntimeerde] heeft later moeten onderzoeken hoe het BMS-systeem werkte, ook qua financiering, want die informatie werd hem niet verstrekt door Advent. In het gesprek bij SVB in oktober 2022 is slechts gesproken over zijn toelating door SVB om als medewerker zorg te verlenen aan en te declareren voor verzekerden van SVB.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] dat er tussen partijen een voorwaarde is overeengekomen aan de verhoging van zijn salaris per 1 februari 2024, heeft Advent te weinig gesteld. In de arbeidsovereenkomst staat die voorwaarde niet, hoewel Advent als werkgever die overeenkomst heeft opgesteld en die voorwaarde dus makkelijk had kunnen opnemen. Uit de brief van SVB aan Advent van 6 december 2023 blijkt slechts dat er een gesprek is geweest met [betrokkene] en [geïntimeerde] en dat ”[geïntimeerde] door SVB kan worden erkend in loondienst van AAH (Hof: Advent) indien de opzegtermijn van dr. [betrokkene] is vastgelegd”, maar de link met het BMS-systeem wordt in die brief niet gelegd. Ook uit de overige producties die Advent heeft overgelegd kan niet worden opgemaakt dat Advent slechts bereid was de BMS-verhoging te betalen onder de voorwaarde dat SVB [geïntimeerde] zou toelaten, laat staan dat [geïntimeerde] dit wist of redelijkerwijze moest verwachten of begrijpen. Aan het bewijsaanbod van Advent komt het Hof daarom niet toe. De conclusie luidt dat de vordering tot betaling van de verhoging moet worden toegewezen.

Advent heeft nog verzocht de door het Gerecht toegepaste wettelijke verhoging van 50% te matigen, maar het Hof ziet daar geen aanleiding toe. Advent heeft aangevoerd dat het niet betalen van het hogere salaris niet aan haar kan worden toegerekend, maar wijst daarbij slechts op het feit dat zij geen financiering daarvoor krijgt van SVB. De loonaanspraak is echter niet gebaseerd op toerekenbare tekortkoming, maar op nakoming: toerekenbaarheid is dus niet aan de orde. Er is geen reden om aan [geïntimeerde] te onthouden waar hij recht op heeft op grond van de arbeidsovereenkomst. De huidige financiële situatie van Advent (waarover zij overigens in dit geding geen verdere informatie heeft gegeven), kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. De verwijzing naar een aanbod van [geïntimeerde] om in het kader van onderhandelingen tussen partijen afstand te doen van zijn aanspraak op het hogere salaris is ook onvoldoende voor matiging van de wettelijke verhoging, nu Advent dat aanbod kennelijk heeft afgeslagen.

Slotsom

Het hoger beroep faalt en de beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. Advent zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt Advent in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op Cg 7.500 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. ter Veer, G.C.C. Lewin en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand