Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202501095 – AUA2025H00289
Uitspraak: 28 juli 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,
hierna te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. R.L.F. Dijkhoff.
Belanghebbenden:
[curator], zoon van [appellant],
bij beschikking van 30 juli 2024 benoemd tot curator van [appellant],
hierna te noemen: de curator,
wonend in [woonplaats],
gemachtigden: mrs. G.W. Rep en Z.J.S. Soekandar,
en
[belanghebbende1], (andere) zoon van [appellant],
[belanghebbende 2], dochter van [appellant],
[belanghebbende 3], (andere) zoon van [appellant].
1. Het verloop van de procedure
Bij op 21 november 2025 ingekomen beroepschrift, met producties, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 14 oktober 2025. [appellant] heeft drie grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en, primair de ondercuratelestelling zal opheffen met ontslag van de curator, subsidiair een minder ingrijpende maatregel zal opleggen door een mentor te benoemen, niet zijnde een van zijn kinderen.
Bij verweerschrift in hoger beroep, met één productie, heeft de curator de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal bevestigen en ieder (ander) verzoek van [appellant] zal afwijzen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 8 juni 2026 in het gerechtsgebouw van Aruba. Verschenen zijn [appellant] en de curator, elk bijgestaan door diens gemachtigde(n), en belanghebbende [belanghebbende1] [appellant] (hierna: [belanghebbende1]).
Beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Bij beschikking van het Gerecht van 30 juli 2024 (EJ nr. AUA202402068) is [appellant] op verzoek van de curator en [belanghebbende1] onder curatele gesteld met benoeming van de curator tot curator, op de grond dat voldoende is gebleken dat [appellant] als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat is, of bemoeilijkt wordt, zijn belangen naar behoren waar te nemen.
De beslissing van 30 juli 2024 is mede gebaseerd op een onafhankelijke beoordeling van dr. N. Smits, specialist ouderengeneeskunde. Zij is op basis van geconstateerde beperkingen van mening dat [appellant] ten tijde van het onderzoek niet compos mentis is en geheel beperkt wordt om de gevolgen van zijn handelen en beslissingen te overzien en vermogensrechtelijke belangen naar behoren te behartigen.
In een brief van 1 april 2026 aan de huisarts van [appellant] schrijft drs. M. Smid, internist van de Polikliniek Ouderengeneeskunde, voor zover hier van belang, over [appellant]:
“Bovengenoemde patiënt zagen wij op 24-03-2026 op de Geheugenpoli.
(…)
Bij deze kan ik bevestigen dat dhr [appellant] recent op onze geheugenpoli werd gediagnosticeerd met een dementie-syndroom, meest waarschijnlijk fronto-temporale dementie.
Ziektebesef en -inzicht zijn vrijwel volledig afwezig.
Actieve diagnose
24-3-2026 dementie
(…)
2026 – lijkt FTD
(…)”
3. De procedure bij het Gerecht
In deze rechtszaak heeft [appellant] verzocht de ondercuratelestelling op te heffen en de curator te ontslaan.
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het verzoek afgewezen.
Het Gerecht heeft overwogen, kort samengevat, dat de curatele slechts eindigt als de oorzaken die tot de curatele aanleiding hebben gegeven niet meer aanwezig zijn (artikel 1:389 BWA). De curatele is destijds opgelegd onder meer op basis van het rapport van dr. N. Smits. Deze heeft op basis van onderzoek onder meer vastgesteld dat [appellant] een gezonde capabele indruk maakt, maar dat sprake is van façade gedrag. Er is een progressief ziektebeeld, [appellant] is niet compos mentis en is beperkt de gevolgen van zijn handelingen en beslissingen te overzien. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze situatie niet meer aanwezig is. De door hem overgelegde verklaringen van een huisarts en een internist volstaan niet. Daarnaast ziet het Gerecht geen gewichtige redenen die tot het ontslag van de curator leiden. Er zijn geen aanwijzingen dat deze zijn taak niet goed uitvoert. Dat [appellant] het niet eens is met het beleid van de curator is geen reden voor ontslag.
4. De beoordeling
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de oorzaken die destijds aanleiding hebben gegeven tot de ondercuratelestelling niet meer aanwezig zijn. De voorspelde verslechtering van zijn geestelijke toestand is uitgebleven. Bovendien strookt de diagnose niet met de realiteit en zijn functioneren. Er zijn duidelijke aanknopingspunten dat hij zijn belangen zelf kan behartigen. Ter onderbouwing hiervan verwijst [appellant] naar verklaringen van de artsen [docter 1] en [docter 2]., waaruit blijkt dat hij bij volle verstand is en goed georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Daar komt bij dat hij een baan heeft die mentale scherpte en technisch inzicht vereist en waarbij hij soms complexe handelingen moet verrichten. Hij rijdt auto en motor, heeft een vriendin en doet zelf boodschappen. Hij kookt en verzorgt zichzelf goed. Daarnaast heeft hij verzocht de curator te ontslaan, nu de verstandhouding tussen hen beiden niet goed is. Subsidiair zou een mentor ook volstaan. Aldus[appellant].
De curator heeft aangevoerd dat de gronden voor de ondercuratelestelling nog steeds bestaan. [appellant] lijdt nog steeds aan een progressieve ziekte. Hij is niet in staat voor zichzelf te zorgen en heeft geen ziektebesef en/of -inzicht. De curator verwijst naar de verklaring van drs. M. Smid, internist van de geheugenpoli, die [appellant] onlangs heeft onderzocht. [appellant] kan zich goed presenteren, maar dat is façade gedrag. De curator woont op hetzelfde terrein en ziet dat er dingen verkeerd gaan. Zo vergat [appellant] bijvoorbeeld kranen dicht te draaien, waardoor de waterrekening opeens heel hoog was. Dat probleem heeft de curator praktisch kunnen oplossen. [appellant] is daarnaast goed van vertrouwen en makkelijk beïnvloedbaar. Derden maken daar misbruik van. In die gevallen grijpt de curator in. Bijvoorbeeld toen [appellant] iemand in huis had gehaald, die door de politie moest worden ontruimd en waarbij een vuurwapen is aangetroffen, of toen bleek dat een aantal van de auto’s die [appellant] voor derden repareert geen chassisnummer hadden. Daarnaast is het niet verstandig dat [appellant] autorijdt. Ondanks de ondercuratelestelling heeft [appellant] zelf een nieuw rijbewijs aangevraagd en ook verkregen, terwijl de curator dit uit veiligheid voor [appellant] en andere weggebruikers wilde voorkomen. De verstandhouding met [appellant] (zoon-vader) was aanvankelijk lastig, maar inmiddels is de relatie verbeterd.
Een curatele eindigt wanneer bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is vastgesteld dat de oorzaken die tot de curatele aanleiding hebben gegeven, niet meer aanwezig zijn, aldus artikel 1:389 BWA. Of, volgens lid 3, wanneer bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak ten behoeve van de betrokken persoon een bewind dan wel mentorschap is ingesteld.
De ondercuratelestelling is destijds uitgesproken onder meer op grond van een onafhankelijke beoordeling van dr. N. Smits, specialist ouderengeneeskunde (zie ro. 2.1.2). Deze heeft [appellant] onderzocht en geconstateerd dat [appellant] in eerste instantie een gezonde, capabele en zelfstandige indruk wekt, maar dat bij doorvragen blijkt dat sprake is van façade gedrag. Haar conclusie is dat [appellant] ten tijde van het onderzoek niet compos mentis is en geheel beperkt wordt om de gevolgen van zijn handelen en beslissingen te overzien en vermogensrechtelijke belangen naar behoren te behartigen.
[appellant] bestrijdt niet dat de ondercuratelestelling destijds zonder gronden is uitgesproken, maar stelt dat zijn geestelijke situatie niet is verslechterd. De verklaringen van de artsen [docter 1] en [docter 2], die door [appellant] zijn ingebracht, zijn echter onvoldoende om die stelling te onderbouwen. Uit niets blijkt dat deze artsen (anders dan een neuroloog of geriater) over een expertise beschikken om uitspraken te doen over de vraag of [appellant] compos mentis is en op welke wijze zij [appellant] hebben onderzocht en tot hun conclusie zijn gekomen. Het Hof hecht meer waarde en houdt vast aan de beoordeling van dr. N. Smits, die in een uitgebreid rapport beschrijft waarop haar conclusies gebaseerd zijn. Dat rapport wordt nog eens bevestigd door de medische verklaring van drs. M. Smid (zie ro. 2.1.3), gericht aan de huisarts van [appellant]. Daarin wordt bevestigd dat [appellant] recent op de geheugenpoli is gediagnosticeerd met een dementiesyndroom, meest waarschijnlijk fronto-temporale dementie. Met de toevoeging dat ziektebesef en -inzicht vrijwel volledig afwezig zijn.
Het Hof gaat daarom uit van de inhoud van de beoordeling van dr. N. Smits en de verklaring van drs. M. Smid van de geheugenpoli. Het daarin genoemde ziektebeeld, het gebrek aan ziektebesef en -inzicht en het beschreven façade gedrag strookt bovendien met het beeld dat het Hof uit het dossier en uit de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling heeft gekregen. Daaruit blijkt dat [appellant] dingen vergeet (bijvoorbeeld de kraan dicht te draaien met een hoge waterrekening als gevolg), maar ook dat hij goed van vertrouwen is en makkelijk te beïnvloeden, waardoor derden misbruik van hem maken. De curator heeft al een aantal keren de politie moeten inschakelen en volgens [belanghebbende1] zijn er meerdere vrouwen die ofwel financieel misbruik maken van [appellant], of met hem willen trouwen omdat ze in [adres] willen wonen. Door het gebrek aan ziektebesef en -inzicht erkent [appellant] niet dat hij lijdt aan een progressieve ziekte en het valt niet te verwachten dat daarin een wijziging zal ontstaan. Voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek, zoals door [appellant] geopperd, is geen aanleiding.
Er is geen reden de curator te ontslaan. Niet is gebleken dat de curator zijn taak niet goed uitvoert en er zijn ook geen (andere) gewichtige redenen die tot ontslag moeten leiden. Ter zitting heeft de curator verklaard dat de verstandhouding tussen hem en [appellant] in het afgelopen jaar is verbeterd en dat hij waar mogelijk - en indien verantwoord - [appellant] zoveel mogelijk zelfstandig wil laten doen. De curator is daartoe ook de meest aangewezen persoon. Hij woont op hetzelfde terrein als [appellant] en kan op deze manier ook toezicht houden op zijn veiligheid.
[appellant] heeft ten slotte subsidiair nog verzocht om een minder ingrijpende maatregel, namelijk de benoeming van een mentor. Gelet op de omstandigheid dat de oorzaken van de curatele nog aanwezig zijn en [appellant] niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen naar behoren te behartigen zal het Hof dit subsidiaire verzoek ook afwijzen.
Het hoger beroep faalt. De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het in hoger beroep subsidiair verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.W.A. Vonk, E.A. Saleh en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.