ECLI:NL:OGHACMB:2026:245

ECLI:NL:OGHACMB:2026:245

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 16-06-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer CUR2025H00377, 378 en 379
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Wettelijk criterium gezamenlijk gezag Curaçao wijkt af van Nederlands criterium. Belangenafweging. Wenselijk in belang van minderjarige dat moeder alleen met gezag belast blijft. Ontzegging recht op omgang vader voor de duur van een jaar. Vaststelling kinderalimentatie, rekening houdend met omstandigheid dat de vader in Nederland woont.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202404421, 4422 en 4423 – CUR2025H00377, 378 en 379

Uitspraak: 16 juni 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[appellant],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg verweerder, thans appellant,

hierna: de vader,

procederend in persoon,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,

hierna: de moeder,

procederend in persoon.

betreffende:

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2010 op [geboorteplaats],

hierna: de minderjarige.

1. Het verloop van de procedure

Bij beroepschrift van 16 december 2025 is de vader in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 30 oktober 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). In het beroepschrift staat dat de vader het niet eens is met de beschikking en dat hij de nadere gronden van het hoger beroep zo spoedig mogelijk zal indienen. Verder staat in het beroepschrift, kort gezegd, dat hij contact wil met en zeggenschap over de minderjarige en dat er een lagere kinderalimentatie moet worden vastgesteld.

Bij verweerschrift in hoger beroep, met producties, heeft de moeder verweer gevoerd tegen het hoger beroep. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal bevestigen.

Bij e-mail van 4 mei 2026 heeft de vader een aanvulling op het hoger beroep gestuurd met daarbij een salarisspecificatie over de maand april 2026.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 5 mei 2026. Verschenen zijn partijen, de vader via videoverbinding. Namens de Voogdijraad Caribisch Nederland (CN) is niemand verschenen. Voor de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de Hofcombinatie afzonderlijk gesproken met de minderjarige. Ter zitting is mondeling een korte samenvatting van het gesprek met partijen gedeeld.

Beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

Partijen hebben een relatie gehad en samengewoond. Zij hebben twee kinderen van wie de jongste, [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2010 en nog minderjarig is.

De moeder heeft van rechtswege het gezag over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder in [woonplaats].

De vader woont sinds 2023 in [woonplaats].

3. De procedure bij het Gerecht

De moeder heeft in eerste aanleg (na aanvulling van haar verzoek) verzocht te bepalen dat de vader via de Voogdijraad ten behoeve van de minderjarige een bedrag van Cg 1.655 per maand zal betalen aan kinderalimentatie; dat aan de vader het recht op omgang wordt ontzegd in verband met behandeling van de minderjarige door een psycholoog; dat de moeder alleen het gezag behoudt en dat aan de vader een gebiedsverbod wordt opgelegd. De vader heeft verzocht om het gezamenlijk gezag en om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen.

In een tussenbeschikking van 3 april 2025 heeft het Gerecht onder meer aan de Voogdijraad Caribsch Nederland (CN) en de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland (hierna: de Raad) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de vraag welke zorg- of omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige in het belang is van de minderjarige en naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang is van de minderjarige. Na ontvangst van de rapportages van respectievelijk 23 juli 2025 en

12 juni 2025 en een nadere mondelinge behandeling, heeft het Gerecht bij de bestreden beschikking het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewezen, het recht op omgang met de minderjarige voor de duur van een jaar aan de vader ontzegd, bepaald dat de vader Cg 1.110 per maand aan kinderalimentatie moet betalen en bepaald dat de moeder de vader maandelijks moet informeren over de minderjarige.

Het Gerecht heeft bij de beslissing over het gezag en de ontzegging van het recht op omgang het advies van de Voogdijraad CN gevolgd en – samengevat – als volgt overwogen. Voor gezamenlijk gezag is nodig dat partijen behoorlijk communiceren en samenwerken. Daarvan is geen sprake. Op dit moment is de vader onvoldoende betrokken bij het leven en de ontwikkeling van de minderjarige om weloverwogen en in het belang van de minderjarige beslissingen te kunnen nemen (ro. 2.6). Contact tussen de vader en de minderjarige is op dit moment belastend - vanwege gevoelens van angst en stress - en daarom (nog) niet in het belang van de minderjarige. Zij staat onder behandeling van een psycholoog en zij moet eerst rust en stabiliteit ervaren voordat contact met de vader kan worden hervat en hersteld (ro. 2.9 en 2.10). Bij de berekening van de kinderalimentatie is de behoefte van de minderjarige vastgesteld op Cg 2.221 per maand (ro. 2.17), is het netto-inkomen van de moeder op Cg 9.113 vastgesteld (ro. 2.19) en is vervolgens bepaald dat de vader voor de helft moet bijdragen in de behoefte van de minderjarige (dus Cg 1.110), nu hij geen inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie en daardoor zijn draagkracht niet kan worden vastgesteld (ro. 2.20 t/m 2.22).

4. De beoordeling

Geen gezamenlijk gezag

Artikel 1:253c lid 1 BW Curaçao (hierna: BW) bepaalt dat de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt slechts afgewezen (lid 2 van artikel 1:253c BW) indien de rechter dit in het belang van de minderjarige wenselijk oordeelt.

De vader heeft aangevoerd dat hij graag betrokken wil worden bij aangelegenheden die de minderjarige aangaan en hij wil daarin ook zeggenschap. In het rapport van de Voogdijraad CN wordt ten onrechte een negatief beeld van hem geschetst. Hij is een betrokken, vreedzame en liefdevolle man. Volgens de vader kampt de minderjarige (en ook haar meerderjarige zus) met een loyaliteitsconflict. Zij heeft een negatief beeld van haar vader en voelt zich gedwongen te kiezen. Dit alles is het gevolg van negatieve beïnvloeding door de moeder. De moeder doet er alles aan om de minderjarige van hem te vervreemden. Volgens de vader moet het deelrapport van de Raad tot uitgangspunt worden genomen.

De moeder verweert zich tegen het verzoek. Zij stelt dat bij alle beslissingen over de minderjarige de belangen en de veiligheid van de minderjarige doorslaggevend moeten zijn. Er is te veel gebeurd in het verleden, waarvan ook de minderjarige getuige is geweest, en er is sprake van een situatie waarin de vader controle wil hebben. De verhouding tussen partijen en daarmee de communicatie is daardoor zodanig verstoord dat het onmogelijk is het gezamenlijk gezag uit te oefenen.

Uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen. Het verzoek van de vader kan alleen worden afgewezen indien dit in het belang van de minderjarige wenselijk is. De Raad heeft – op grond van art. 253c lid 2 aanhef en onder a BW van Europees Nederland – onderzocht of er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zou raken en geconcludeerd dat daarvan onvoldoende is gebleken. Dit is echter een ander criterium dan waar de Curaçaose wet vanuit gaat (zie 4.1 hiervoor). Bovendien heeft de Raad zich in het deelonderzoek gericht op de mogelijkheden en wensen van de vader en geen gesprek gevoerd met de minderjarige. Om te komen tot een weloverwogen belangenafweging zal naast de belangen van de ouders ook vooral gekeken moeten worden naar de belangen van de minderjarige. Het Hof zal daarvoor beide rapportages, de standpunten van de ouders en de mening van de minderjarige in zijn oordeel betrekken.

Uit de rapportages van de Voogdijraad CN en de Raad, maar ook uit de stellingen van partijen en uit hetgeen zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ieder voor zich naar voren hebben gebracht, leidt het Hof af dat sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen partijen. Zij diskwalificeren elkaar en er is veel wantrouwen over en weer. Op dit moment, behoudens de maandelijkse mail van de moeder aan de vader, is er geen communicatie tussen partijen. Niet in de laatste plaats omdat zij over en weer een contactverbod opgelegd hebben gekregen. Voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag is op zijn minst nodig dat ouders contact hebben en op een normale manier met elkaar kunnen overleggen, afspraken maken en beslissingen nemen die belangrijk zijn voor (de toekomst van) hun kind. Partijen zijn daar nu niet toe in staat. Daar komt bij dat de minderjarige veel last heeft gehad van de verstoorde relatie tussen haar ouders en de dynamiek met conflicten die ontstond toen haar ouders uit elkaar gingen. Haar schoolresultaten maar ook haar (bijzondere) zwemprestaties hadden hieronder te lijden en zij heeft behandeling moeten ondergaan door een psycholoog. Wijziging van het gezag zou ertoe leiden dat de ouders weer met elkaar in contact (moeten) komen, met alle negatieve gevolgen voor de minderjarige van dien.

Onder deze omstandigheden is het in het belang van de minderjarige wenselijk dat de situatie waarin de moeder alleen het gezag uitoefent gehandhaafd blijft. Dat is ook in overeenstemming met de wens van de minderjarige zelf en gelet op haar leeftijd, zij is inmiddels [leeftijd], moet aan haar mening gewicht worden toegekend. Dat betekent dat de bezwaren die de vader heeft opgeworpen ten aanzien van de beslissing over het gezag moeten worden verworpen. De beslissing van het Gerecht blijft in zoverre in stand.

Geen contact of omgang

Hetzelfde oordeelt het Hof over de beslissing ten aanzien van de ontzegging van het recht op omgang voor de duur van een jaar. In het kindgesprek heeft de minderjarige naar voren gebracht dat zij het eens is met de beslissing van het Gerecht. Op dit moment ervaart zij rust doordat er geen contact is met haar vader. Het gaat beter op school en ook haar zwemprestaties zijn vooruitgegaan. Zij heeft daarbij ook gezegd dat zij in de toekomst, na verloop van de termijn van een jaar en als zij eraan toe is, zelf contact zal zoeken met haar vader. Dat zal kunnen via WhatsApp. Als het na verloop van tijd komt tot een ontmoeting met haar vader, bijvoorbeeld als ze in Nederland is, dan zou ze graag willen dat daar iemand anders bij is. Ook hier geldt dat aan de mening van de minderjarige, zij is inmiddels [leeftijd], gewicht moet worden toegekend in het kader van een belangenafweging. Hoewel begrijpelijk is dat de vader graag het contact met zijn dochter hersteld ziet, is het te vroeg om nu contact op te leggen. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om wijziging aan te brengen in de huidige situatie, waarbij er geen contact is tussen de vader en de minderjarige, nu deze situatie nu nog steeds in het belang van de minderjarige wenselijk is. De bestreden beschikking blijft ook op dit onderdeel in stand.

Lagere kinderalimentatie

Geen bezwaren zijn aangevoerd tegen de door het Gerecht vastgestelde behoefte van de minderjarige van Cg 2.221 per maand. Het Hof zal dit bedrag tot uitgangspunt nemen.

Bij de bepaling van kinderalimentatie dient, naast de behoefte van de minderjarige, te worden vastgesteld wat de draagkracht van de ouders is. Deze draagkracht berekent het Gerecht aan de hand van een formule waarbij in beginsel wordt uitgegaan van een redelijke woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI), een bestaansminimum van Cg 1.456 per maand en eventuele niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten. Zie hiervoor de “Richtlijnen Kinderalimentatie” van het Gerecht, te vinden op de website van het Hof onder Civiel/Alimentatie/Curaçao. Nu partijen geen bezwaren hebben geuit tegen het hanteren van deze formule zal het Hof de draagkracht van partijen op deze wijze berekenen, met dien verstande dat het Hof bij de vader (zie hieronder 4.12) uitgaat van een bestaansminimum passend bij een in Nederland wonende onderhoudsplichtige ouder.

Het Hof zal, net als het Gerecht, het netto besteedbaar inkomen van de moeder vaststellen op Cg 9.113 per maand. Daarnaast houdt het Hof rekening met een redelijke woonlast van 30% daarvan, zijnde Cg 2.734, en het bestaansminimum van Cg 1.456 per maand. De moeder heeft, op het verzoek van het Gerecht aan partijen in de tussenbeschikking van 3 april 2025 om financiële gegevens over te leggen, stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in oktober 2024 een lening heeft afgesloten bij MCB Bank ter hoogte van Cg 15.918. Met de rente en aflossingen daarop van Cg 354 per maand zal het Hof rekening houden. De draagkracht van de vrouw komt dan op 9.113 – (2.734 + 1.456 + 354) = 4.569.

De vader heeft een salarisspecificatie over de maand april 2026 overgelegd, waaruit blijkt dat zijn netto maandsalaris bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid in [plaats] € 2.535,71 netto per maand bedraagt. Daarnaast ontvangt hij incidentele toelagen in geval van onregelmatige diensten; over de maand april bedroegen deze (inclusief een aanvullende toelage en een vakantieuitkering) € 498,86 netto. Volgens de vader fluctueren deze inkomsten, hij draait vooral onregelmatige diensten met feestdagen en soms bedragen ze € 200 of € 300 per maand. Gelet op deze uitleg gaat het Hof ervan uit dat de vader gemiddeld € 300 netto per maand aan incidentele inkomsten heeft. Daarmee komt het netto besteedbaar inkomen op € 2.835,71 per maand. Omgerekend (uitgaande van een koers van 2,08) Cg 5.898 netto per maand. Daarnaast houdt het Hof ook aan de zijde van de vader rekening met een redelijke woonlast van 30%, zijnde Cg 1.768. Omdat de vader in [woonplaats] woont sluit het Hof voor zijn bestaansminimum aan bij de gecorrigeerde bijstandsnorm van een alleenstaande, voor 2026 € 1.365 per maand (zie hiervoor het Rapport Alimentatienormen januari 2026 pagina 18, te vinden op rechtspraak.nl). Omgerekend Cg 2.839 per maand. De draagkracht van de vader komt dan op

5.898 – (1.768 + 2.839) = 1.291 per maand.

De totale draagkracht van partijen is Cg 5.860 per maand. Partijen worden geacht naar rato van hun respectievelijke draagkracht van bij te dragen. Het aandeel van de moeder is Cg 1.731 per maand. Het aandeel van de vader is Cg 490 per maand. Dat is, omgerekend, € 235 per maand. Ter zitting heeft de vader aangeboden om € 250 per maand (omgerekend Cg 520) ten behoeve van de minderjarige te betalen. Daartoe is hij, gelet op zijn draagkracht, in staat. Het Hof zal dan ook bepalen dat de vader met Cg 520 per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.

Het Hof zal de ingangsdatum van de door de vader te betalen bijdrage bepalen op 1 juni 2026. De vader is immers door het Gerecht in de gelegenheid gesteld financiële stukken over te leggen, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Het is daarom aan hemzelf te wijten dat het Gerecht een hogere bijdrage heeft vastgesteld. Het Hof zal daarbij bepalen dat de vader in overeenstemming met artikel 1:408 BW de bijdrage aan de Voogdijraad voldoet. Voor het overige zal de bestreden beschikking worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is beslist over de kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op Cg 520 per maand, met ingang van 1 juni 2026, telkens bij vooruitbetaling aan de Voogdijraad te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad

bevestigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.W.A. Vonk, G.C.C. Lewin en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand