2. De feiten
[Belanghebbende] was van 1976 tot 1999 getrouwd met [geïntimeerde]. Op 19 november 2024 heeft dit Hof een vonnis gewezen tussen [belanghebbende] en [geïntimeerde] (AUA2023H00012, hierna: het Hofvonnis, gepubliceerd als ECLI:NL:OGHACMB:2024:267). In dat vonnis heeft het Hof de wijze van verdeling bepaald van de gemeenschap van goederen (die nog altijd niet verdeeld was). In die gemeenschap viel onder meer een perceel grond ([het perceel] in Aruba, hierna: het perceel) met daarop een woning (hierna: de woning) en een appartement. Het Hof heeft in dat vonnis bepaald dat de woning en het appartement verkocht moeten worden aan een derde, met een minimumlaatprijs van Afl. 400.680. Tegen het Hofvonnis is geen cassatie ingesteld, zodat het inmiddels kracht van gewijsde heeft.
[Belanghebbende] is in 2011 getrouwd met [appellant] en zij wonen samen in de woning. Bij beschikking van 5 mei 2025 is de echtscheiding tussen [belanghebbende] en [appellant] uitgesproken.
[Geïntimeerde] wil het Hofvonnis executeren en heeft inmiddels een koper gevonden voor de woning ([de koper], hierna: de koper), die bereid is te kopen voor USD 320.000. De koper heeft daarvoor geen financiering nodig. [Geïntimeerde] heeft de koopovereenkomst met [de koper] in november 2025 getekend, maar [appellant] en [belanghebbende] hebben geweigerd dat te doen.
3. De procedure bij het Gerecht
[Geïntimeerde] heeft gevorderd (samengevat) dat [appellant] meewerkt aan de verkoop en levering van de woning aan de koper en een onzijdig persoon te benoemen die namens [appellant] de daarvoor benodigde handelingen kan verrichten, dan wel te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van eventuele noodzakelijke akten.
Het Gerecht heeft de vordering toegewezen in die zin dat is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van alle door [appellant] te verrichten rechtshandelingen die nodig zijn voor de verkoop en levering van de woning aan Angel Lee [de koper], met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
4. De beoordeling
het hoger beroep is op tijd ingediend
De termijn voor het indienen van hoger beroep tegen een vonnis in kort geding is drie weken gerekend van de dag van de uitspraak (dit volgt uit artikel 264 Rv gelezen in samenhang met artikel 235 Rv).
Als appellant niet bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, wordt de beroepstermijn gerekend vanaf de dag waarop het vonnis hem volgens de wet is meegedeeld. Het Hof gaat er in dit geval vanuit dat de appeltermijn is gaan lopen op 5 maart 2026, de dag van betekening van het vonnis aan [appellant]. Het op 26 maart 2026 ingediende beroepschrift is daarmee tijdig ingediend.
de vordering is spoedeisend
De vordering is ook in hoger beroep nog steeds spoedeisend. [Geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er een reëel risico is dat de koper, die al in november 2025 de koopovereenkomst heeft getekend, zich zal terugtrekken indien de levering van het perceel nog verder wordt vertraagd.
oordeel Hof
Het Hofvonnis heeft kracht van gewijsde, omdat geen van partijen daartegen cassatie heeft ingesteld, ook [belanghebbende] niet. Het herzieningsverzoek van [appellant] is afgewezen en hetzelfde geldt nu ook voor haar verzoek derdenverzet. Dat betekent dat voor bespreking van de inhoudelijke bezwaren van [appellant] tegen het Hofvonnis geen plaats meer is. Het Hofvonnis moet worden nagekomen, [geïntimeerde] heeft het recht dat vonnis ten uitvoer te leggen en [belanghebbende] en [appellant] zullen zich daarbij moeten neerleggen. De vordering van [geïntimeerde] in deze zaak vormt een sluitstuk in de al sinds eind 2024 lopende executie van het Hofvonnis en zal worden toegewezen. De bezwaren van [appellant] daartegen gaan niet op.
[Appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat in het bestreden vonnis geen rekening is gehouden met haar huidige vermogensrechtelijke positie. Ook al zou sprake zijn van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap doordat [appellant] en [belanghebbende] inmiddels zijn gescheiden, dan nog geldt dat [appellant] als deelgenoot in die huwelijksgoederengemeenschap verplicht is mee te werken aan de uitvoering van het Hofvonnis. Voor haar weigering om mee te werken aan de verkoop van de woning bestaat namelijk geen redelijke grond.
Van een recht van [appellant] om de woning te mogen kopen (“voorkeursrecht”) is geen sprake, omdat daar geen wettelijke of contractuele grondslag voor bestaat. Afgezien daarvan heeft [geïntimeerde] verklaard dat na het Hofvonnis is onderhandeld met [appellant] en [belanghebbende] over de uitkoop van [geïntimeerde], maar het aanbod voldeed niet (het was te laag en een door de bank geaccordeerde financiering ontbrak). [Appellant] heeft dit onvoldoende weersproken. [Geïntimeerde] heeft voorts voldoende gesteld om aan te nemen dat USD 320.000, gelet op alle omstandigheden, een marktconforme verkoopprijs is en ook dat heeft [appellant] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Afweging van de belangen van partijen bij deze executie maakt het oordeel van het Hof niet anders. [Appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat bij de executie onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen en heeft daar een aantal argumenten voor aangevoerd. Die argumenten zijn echter al grotendeels behandeld en verworpen in het Hofvonnis en nu ook (nogmaals) in het vonnis van het Hof van heden, waarbij het derdenverzet is afgewezen. Het Hof verwijst naar de volgende overwegingen uit dat laatste vonnis, die ook in deze zaak opgaan:
“4.10 Het Hof heeft in het Hofvonnis dus de belangen van [appellant] al meegewogen en deze minder zwaarwegend geacht dan de belangen van [geïntimeerde] om niet in een onverdeelde boedel te hoeven blijven en het haar toekomende kapitaal vrij beschikbaar te hebben. Daar komt bij dat niet duidelijk is in hoeverre [appellant] in haar rechten zal worden benadeeld door de verkoop van de woning. In de prijs waartegen de woning aan de derde is verkocht zijn eventuele investeringen naar valt aan te nemen verdisconteerd. Na de verkoop van de woning zullen [geïntimeerde] en [belanghebbende] moeten afrekenen zoals bepaald in het Hofvonnis, zodat [belanghebbende] (en [appellant]) niet zonder kapitaal blijven, waarmee zij eventueel een nieuwe woning kunnen aanschaffen.
Weliswaar is het voor [appellant] en haar dochter ingrijpend als de woning verkocht wordt en zij daaruit moeten vertrekken. Dat zij het hierop heeft laten aankomen komt voor haar eigen rekening, omdat [belanghebbende] en zij hier al heel lang rekening mee hebben kunnen houden (zie de hiervoor aangehaalde overweging in 4.12 van het Hofvonnis), in ieder geval zeker sinds 19 november 2024. [Appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat het voor haar niet mogelijk is andere woonruimte in Aruba te vinden en die te bekostigen (uit het kapitaal van de verkoop van de woning). Het belang bij woonruimte voor haar en haar minderjarige dochter is op die manier voldoende gewaarborgd”.
[Appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat bij de executie sprake is van schending van bepalingen uit het EVRM of van misbruik van recht door [geïntimeerde]. Dat geldt ook als rekening wordt gehouden met hetgeen zij in deze zaak en ter zitting heeft aangevoerd over haar persoonlijke omstandigheden (haar ziekte, de hoge leeftijd van [belanghebbende] en de positie van haar dochter).
Slotsom
Dit betekent dat de bezwaren van [appellant] tegen het bestreden vonnis niet opgaan. Dat vonnis zal worden bevestigd. Het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging totdat op dit hoger beroep is beslist zal worden afgewezen, omdat daar geen belang meer bij bestaat.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 25 februari 2026;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot op heden bepaald op Afl. 2.000 aan salaris van de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.A. Saleh en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.