BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 1 september 2026
ZAAKNRS: BON202300578 en BON202500454/00455 (eerste aanleg) BON2025H00061/00062/00063 (hoger beroep)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
[APPELLANT],
wonend in Bonaire,
in eerste aanleg verweerder, thans appellant,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: mr. E. Frins,
- tegen -
[GEЇNTIMEERDE],
wonend in Nederland,
in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,
hierna te noemen: de moeder,
gemachtigde: mr. A.F. van Toll.
1. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 22 september 2025 tussen partijen uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht). De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
De vader heeft op 3 november 2025 een daartegen gericht beroepschrift ingediend.
De moeder heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een verweerschrift ingediend.
Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gerechtsgebouw in Bonaire. Aldaar is de vader is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De moeder is verschenen via een videoverbinding, bijgestaan door haar gemachtigde die zich ter zitting bij het Hof in Bonaire bevond. Namens de Voogdijraad was F. Franckaert aanwezig. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, en zijn vragen van het Hof beantwoord.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Partijen zijn gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:
- [ naam, geboortedatum en -plaats minderjarige 1], en
- [ naam, geboortedatum en -plaats minderjarige 2]
(hierna: de minderjarigen).
Na de echtscheiding, tussen partijen uitgesproken bij (deel)beschikking van 27 maart 2024, is het gezamenlijk gezag over de minderjarigen van rechtswege voortgezet.
De minderjarigen zijn op 6 december 2023 voorlopig en op 29 mei 2024 definitief onder toezicht gesteld, met benoeming van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) als gezinsvoogd (hierna: de OTS-zaak).
Bij vonnis in kort geding van 9 april 2025 (reg.nr. BON202500117), dat in deze procedure is overgelegd, heeft het Gerecht de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen naar Nederland op vakantie te gaan in de periode van 4 juli 2025 tot en met 25 juli 2025 (hierna: de vervangende vakantietoestemming).
Op 8 juli 2025 is de moeder met de minderjarigen door ZJCN op een geheime veilige locatie in Nederland geplaatst.
Bij vonnis in kort geding van 25 juli 2025 (reg.nr. BON202500375), dat ook in deze procedure is overgelegd, heeft het Gerecht de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen in Nederland te blijven op een geheime veilige locatie tot en met 1 oktober 2025 (hierna: de vervangende verblijfstoestemming).
Bij beschikking in de OTS-zaak van eveneens 25 juli 2025 is beslist dat de minderjarigen uit huis worden geplaatst op een geheime veilige locatie in Nederland en zijn de contacten tussen de vader en de minderjarigen ingeperkt.
Na de veilige plaatsing heeft de moeder met de minderjarigen gedurende de maanden november en december 2025 bij haar moeder ingewoond. Met ingang van januari 2026 is zij met de kinderen verhuisd naar een eigen huurwoning.
Bij beschikking in de OTS-zaak van 14 januari 2026 is – kort gezegd – de ondertoezichtstelling overgedragen van ZJCN aan Jeugdbescherming Brabant.
3. De beslissing van het Gerecht
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht (i) het gezamenlijk gezag van partijen beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen belast en (ii) – kort gezegd – de omgang tussen de vader en de minderjarigen beperkt tot (video)belcontact en gebonden aan voorwaarden te stellen door de hulpverlening in Nederland en ZJCN.
4. De beoordeling in hoger beroep
In hoger beroep dringt zich de vraag op of de Caribische rechter nog wel bevoegd is om over deze zaak te oordelen. Ook is door de moeder een beroep op onbevoegdheid van het Hof gedaan. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de minderjarigen inmiddels woonplaats hebben in Europees Nederland. Aldus doet zij een beroep op interregionale onbevoegdheid van de Caribische rechter om nog over deze zaak te oordelen. Een en ander is met partijen ter zitting besproken.
De rechter dient bij de beantwoording van deze vraag zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht (HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063, NJ 2014/468). Het Hof dient daarom, wat betreft de gezags- en omgangsrechten, aansluiting te zoeken bij het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299)(hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996), dat sinds 1 mei 2011 ook geldt voor Bonaire. Ingevolge art. 5 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is bij gezags- en omgangsrechten de rechter bevoegd waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.
Voor de bevoegdheid van de rechter is in beginsel beslissend het tijdstip waarop zijn tussenkomst wordt ingeroepen, dat is de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. Op dit zogenaamde perpetuatio fori-beginsel bestaan echter uitzonderingen. Zo zijn er voor wat betreft gezags- en omgangsrechten, waarover het in dit geding gaat, uitzonderingen opgenomen in bovengenoemd Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Art. 5 lid 2 daarvan bepaalt: “Onverminderd het bepaalde in artikel 7, zijn in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van het kind naar een andere Verdragsluitende Staat de autoriteiten van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd”. Deze regeling geldt krachtens art. 3, aanhef en onder b, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 voor gezagsrechten en voor omgangsrechten. Zie ook art. 5 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat bepaalt dat de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid in beginsel geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. Het begrip “ouderlijke verantwoordelijkheid” omvat in deze bepaling onder meer het ouderlijk gezag, zie art. l lid 2 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Het komt daarom aan op de vraag waar de minderjarigen nu hun gewone verblijfplaats hebben. In verband met die vraag is ter zitting, naast de feiten weergegeven onder 2.1.7, het volgende naar voren gekomen. De moeder heeft verklaard dat de minderjarigen allebei naar school gaan in Nederland en dat dit goed gaat; ze staan beiden op overgaan naar de volgende klas. [Voornaam minderjarige 1] is lid van [activiteiten minderjarige 1]. [Voornaam minderjarige 2] beoefent [activiteiten minderjarige 2]. Verder hebben ze beiden vriendjes en vriendinnetjes, met wie ze regelmatig spelen, bij hen of thuis. De minderjarigen krijgen nog steeds hulp en begeleiding van jeugdzorg. De moeder heeft in Nederland werk gevonden en een huurwoning voor haar en de minderjarigen.
Aldus heeft de moeder in hoger beroep (nadere) informatie verschaft over de bestendigheid van het verblijf in Nederland. De vader heeft deze stellingen deels erkend en deels niet betwist. Wel heeft hij betoogd dat de moeder bij het uitoefenen van de zorg- en opvoedingstaken wordt gehinderd door haar eigen problematiek en dat hij door de gang van zaken is overvallen, buitenspel is gezet en zich machteloos voelt. Verder bemoeilijkt het eventueel in Nederland moeten procederen hem in het opkomen voor de belangen van de minderjarigen en voor hemzelf.
Over hoe het vertrek uit Bonaire en het uiteindelijk blijven in Nederland is verlopen merkt het Hof het volgende op. In art. 7 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is voorzien in een uitzondering op de onder 4.2 en 4.3 geschetste bevoegdheidsregels ingeval sprake is van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van de minderjarigen. Het tweede lid van deze bepaling definieert bedoeld “ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren” als een overbrenging of niet-terugkeer tegen een gezagsrecht in.
Het Hof is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van handelen in strijd met het gezagsrecht van de vader. Door de vervangende verblijfstoestemming was het gezag van de vader namelijk gebonden aan de door het Gerecht aan de moeder verleende toestemming om met de minderjarigen in Nederland te blijven. Het Hof heeft er begrip voor dat de vader door de vloeiende overgang van de vervangende vakantietoestemming in de vervangende verblijfstoestemming zich overvallen, buitenspel gezet en zich machteloos voelt, maar dat doet er niet aan af dat er geen sprake is van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van de minderjarigen. Een uitzondering op het uitgangspunt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bepalend is voor de bevoegdheidsvraag, doet zich dus niet voor.
Al met al moet op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat de minderjarigen inmiddels hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de Nederlandse rechter degene is die bevoegd is om over deze zaak te oordelen (vgl. HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4833, NJ 2012/311 en de conclusie van AG Vlas voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1785).
De slotsom luidt dat het Hof zich onbevoegd zal verklaren.
Ten slotte overweegt het Hof ten overvloede dat het waar is dat de vader hierdoor processueel nadeel lijdt. Echter zijn de hulpverleningsinstanties in Nederland vanuit Bonaire langs digitale weg bereikbaar en toegankelijk voor de vader. Ook is ter zitting besproken dat die bereid zijn te bemiddelen bij het hervatten van het – momenteel stil liggende – (video)belcontact.
Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING:
Het Hof:
verklaart zich onbevoegd om van dit geschil in hoger beroep kennis te nemen.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, A.J.J. van Rijen en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao op 1 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.