Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202500426 – SXM2025H00046
Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in het kort geding van:
[Appellant],
wonend in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellant,
gemachtigde: mr. V.C. Choennie,
tegen
de stichting particulier fonds
OPALINE PRIVATE FUND FOUNDATION,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en I.Z. Guardiola.
Partijen worden hierna [appellant] en Opaline genoemd.
1. De zaak in het kort
Een eigenaar vordert ontruiming van een perceel met woning door de bewoner. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft die vordering toegewezen. Het Hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.
2. Het verloop van de procedure
appellant] heeft met een op 11 juni 2025 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het, in kort geding gewezen, vonnis van het Gerecht van 16 mei 2025.
Op 2 juli 2025 heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) ingediend. Onder aanvoering van één grief wordt daarin geconcludeerd tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het vonnis van het Gerecht en tot afwijzing van de vorderingen van Opaline, een en ander met veroordeling van Opaline in de kosten van de procedure in beide instanties.
Opaline heeft op 28 juli 2025 een memorie van antwoord (met producties) ingediend. Zij concludeert daarin tot bevestiging van het vonnis van het Gerecht en, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.
Op de zitting van het Hof van 22 oktober 2025 heeft de gemachtigde van Opaline pleitnotities overgelegd. Van de gemachtigde van [appellant] zijn geen pleitnotities ontvangen.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
De ontvankelijkheid
Het ontvankelijkheidsverweer van Opaline slaagt niet omdat niet is gebleken dat [appellant] het vonnis eerder dan op 28 mei 2025 heeft ontvangen.
De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Opaline is, sinds 2023, eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres], [Lotnummer] te [wijk] met meetbriefnummer [meetbrief kenmerk] met de daarop gebouwde woning (perceel en woning verder gezamenlijk: het perceel).
appellant] is de bewoner van de woning.
De vorderingen en de beslissingen van het Gerecht
Opaline heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van het perceel met nevenvorderingen.
Het Gerecht heeft de vorderingen toegewezen op de grond dat [appellant] zonder recht of titel in de woning verblijft.
De grief en de beoordeling daarvan
In zijn (enige) grief zet [appellant] vraagtekens bij de voorgeschiedenis zoals deze, op basis van het inleidend verzoekschrift, door het Gerecht in rov. 3.2 van het vonnis als standpunt van Opaline is weergegeven. Daarnaast stelt hij nimmer een aanbod voor het sluiten van een huurovereenkomst van de rechtsvoorganger van Opaline te hebben gehad en slechts éénmaal te zijn aangemaand te ontruimen. Tot slot stelt hij dat deze procedure slechts tot doel lijkt te hebben dwangsommen te kunnen incasseren.
Het Gerecht heeft de juistheid van de door Opaline in eerste aanleg gestelde en door het Gerecht in rov. 3.2 van het vonnis weergegeven voorgeschiedenis niet beoordeeld. Dat was ook niet nodig. Niet in geschil is namelijk dat Opaline (enig) eigenares van het perceel is en dat [appellant] het perceel bewoont zonder toestemming van Opaline en zonder betaling van huur of daaraan gelijkwaardige gebruiksvergoeding. Aldus is sprake van bewoning zonder recht of titel. De bevolen ontruiming wordt daardoor gerechtvaardigd.
Uit het feit, indien juist, dat [appellant] nimmer een aanbod voor het sluiten van een huurovereenkomst heeft gehad van (de rechtsvoorganger van) Opaline kan, zonder aanvullende feiten of omstandigheden (die echter niet gesteld zijn) niet worden afgeleid dat Opaline instemde met het gebruik van het perceel zonder enige betaling door [appellant] of dat Opaline dit gebruik (nog langer) zou moeten gedogen.
appellant] erkent in ieder geval één aanmaning tot ontruiming te hebben ontvangen. Nu daaraan niet is voldaan, kan het aanhangig maken van deze procedure niet als nodeloos worden aangemerkt.
Uit het feit dat Opaline heeft gevorderd een dwangsom te verbinden aan het bevel tot ontruiming kan niet worden afgeleid dat het Opaline slechts om de dwangsom gaat en zij dus misbruik van recht maakt door deze procedure te starten. De dwangsom is in zaken als deze niet meer dan een prikkel voor de bewoner om aan een uitgesproken ontruimingsveroordeling gevolg te geven. De bewoner heeft de al dan niet verbeurte van dwangsommen in de hand door zijn keuze om al dan niet aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen.
Voor zover [appellant] (in de memorie van grieven onder 13 en 14) heeft bedoeld te betogen dat Opaline sinds haar oprichting en de aankoop van het perceel in 2023 te lang heeft gewacht met de vordering tot ontruiming, waardoor thans spoedeisend belang daarbij ontbreekt, wordt dit betoog verworpen. Het feit dat Opaline eerder ontruiming kon vorderen bracht niet de verplichting mee dat te doen op straffe van niet-ontvankelijkheid van een latere vordering, zeker nu in de tussentijd geen gebruiksvergoeding is betaald.
Slotsom
Het ontvankelijkheidsverweer van Opaline slaagt niet. De grief van [appellant] slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd. Als in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. Die kosten bedragen Cg 240,50 (exploot van betekening memorie van antwoord) en Cg 5.000 salaris advocaat (2,5 punten tarief 5 à Cg 2.000 per punt).
B E S L I S S I N G
Het Hof in kort geding:
bevestigt het vonnis van het Gerecht van 16 mei 2025;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die kosten op Cg 240,50 aan verschotten en Cg 5.000 aan salaris advocaat;
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.