ECLI:NL:OGHACMB:2026:254

ECLI:NL:OGHACMB:2026:254

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer AUA2024H000361
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Aruba. Koop en verhuur appartement. Veroordeling tot ontruiming op straffe van dwangsom strekt zich niet uit tot meenemen van goederen van verhuurder (indien dat is gebeurd)

Uitspraak

1. [geïntimeerde 1],

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: AUA202102911 – AUA2024H00361

Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[appellant],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans appellante,

gemachtigde: mr. G. de Hoogd,

tegen

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. J.J. Steward.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

1. De zaak in het kort

Dit geding heeft betrekking op een koopovereenkomst van een appartement en een huurovereenkomst voor dat appartement. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht) heeft, in conventie, de vorderingen van de verkoper/verhuurder (boete, kosten makelaar, diefstal, condominiumfees afgewezen). Toegewezen zijn vorderingen met betrekking tot schade en huurachterstand. In reconventie zijn de vorderingen van de koper/huurder (dwangsom, opheffing beslag) toegewezen.

Het Hof bevestigt de vonnissen van het Gerecht.

2. Het verloop van de procedure

Bij op 14 augustus 2024 ingekomen akte is [appellant] in hoger beroep gekomen van de op 13 maart 2024 (het tussenvonnis) en 3 juli 2024 (het eindvonnis) uitgesproken vonnissen van het Gerecht.

Bij op 24 september 2024 ingekomen memorie van grieven heeft [appellant] elf (er is sprake van tweemaal een grief 9; die tweede grief 9 nummert het Hof als grief 9A) grieven tegen de vonnissen aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de vonnissen van het Gerecht zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, haar (conventionele) vorderingen alsnog integraal zal toewijzen en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

Bij op 11 november 2024 ingekomen memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van de vonnissen waarvan beroep, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.

Op 10 februari 2026 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

De feiten

Op 17 juli 2018 hebben partijen een tweetal overeenkomsten gesloten:

a. een koopovereenkomst. Daarbij verkocht [appellant] aan [geïntimeerden] het appartement, dat partijen kennen als [adres] (verder: het appartement) voor een koopprijs van USD 240.000. De levering zou plaatsvinden op 3 september 2018 of zoveel eerder of later als partijen zouden overeenkomen.

b. een huurovereenkomst. Daarbij verhuurde [appellant] het appartement aan [geïntimeerden] voor een prijs van USD 1.800 per maand. De huurperiode liep van 20 juli 2018 tot 1 september 2018, althans de datum van overdracht van het appartement door [appellant] aan [geïntimeerden]

Ter gedeeltelijke voldoening van de koopprijs op de datum van levering hebben [geïntimeerden] Afl. 104.065,30 gestort op de derdenrekening van notaris R.E. Yarzagaray (verder: de notaris).

Bij brief van 8 augustus 2019 zijn [geïntimeerden] gesommeerd hun verplichtingen uit de koopovereenkomst uiterlijk 16 augustus 2019 na te komen. Bij brief van 20 augustus 2019 heeft [appellant] de koop- en de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

Op 9 december 2019 is door [appellant] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris wegens, volgens [appellant], verbeurde dwangsommen.

De vorderingen over en weer en de beslissingen van het Gerecht

appellant] heeft (in conventie) gevorderd dat [geïntimeerden], uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld aan haar te betalen Afl. 130.617,63, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

[geïntimeerden] hebben (in reconventie) gevorderd voor recht te verklaren dat geen dwangsommen verbeurd zijn en [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot terugbetaling van Afl. 101.661,92 met wettelijke rente en opheffing van het door [appellant] gelegde conservatoir beslag, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

Het Gerecht heeft in conventie de vordering van [appellant] toegewezen tot een bedrag van Afl. 20.698,63, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd.

In reconventie heeft het Gerecht [appellant] veroordeeld tot opheffing van het conservatoir beslag, voor recht verklaard dat [geïntimeerden] geen dwangsommen verschuldigd zijn en [appellant] veroordeeld tot terugbetaling van Afl. 101.661,92 met de wettelijke rente daarover. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

Omvang van het hoger beroep

De vordering (in conventie) van [appellant] bestaat uit zes onderdelen. Twee daarvan zijn door het Gerecht toegewezen: Afl. 8.818,63 voor schade en reparaties aan het appartement en Afl. 11.880 voor huurachterstand. Samen: Afl. 20.698,63. Het hoger beroep van [appellant] richt zich niet tegen deze gedeeltelijke toewijzing van haar vordering. [geïntimeerden] hebben daartegen geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Deze onderdelen zijn daarom aan beoordeling door het Hof onttrokken.

geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis van 13 maart 2024 en haar hoger beroep daarom beperkt is tot het eindvonnis van 3 juli 2024. Dat is onjuist, reeds omdat in de akte van hoger beroep van [appellant] ook het tussenvonnis van 13 maart 2024 wordt genoemd. Bovendien is met dat hoger beroep de zaak in volle omvang aan het oordeel van het Hof onderworpen (dus: inclusief tussenvonnis), behoudens voor zover blijkt dat [appellant] het hoger beroep heeft willen beperken. Zie artikel 269 Rv. Uit de memorie van grieven blijkt echter dat van een beperking van het hoger beroep geen sprake is, nu daarin ook grieven worden geformuleerd tegen het tussenvonnis.

Dwangsommen (grief 1)

Bij vonnis in kort geding van 18 november 2019 zijn [geïntimeerden] veroordeeld tot ontruiming van het appartement uiterlijk op 30 november 2019 “met medeneming van alle goederen die niet aan [appellant] toebehoren”. Ook zijn zij veroordeeld tot afgifte van de sleutels. Aan deze veroordeling was een dwangsom verbonden van Afl. 500,- per dag. [geïntimeerden] hebben het appartement op 29 november 2019 ontruimd, met medeneming van hun goederen. De sleutels hebben zij daarin achtergelaten.

appellant] stelt dat [geïntimeerden] ook aan haar in eigendom toebehorende goederen hebben meegenomen uit het appartement én dat de veroordeling van het Gerecht tot betaling van dwangsommen bij gebreke van voldoening ook op die situatie ziet. Op die grond stelt zij dat dwangsommen verbeurd zijn.

Het Gerecht is [appellant] daarin niet gevolgd. Het heeft de argumentatie overgenomen die in een tweede kort gedingvonnis tussen partijen (van 26 maart 2021) door het Gerecht is gebruikt (zie rov 2.15 in het tussenvonnis van 13 maart 2024). Samengevat komt het erop neer dat het Gerecht oordeelt dat de in het vonnis van 18 november 2019 opgenomen veroordeling niet de strekking heeft ook, op straffe van dwangsommen bij overtreding, een verbod op te leggen aan [geïntimeerden] om goederen van [appellant] mee te nemen. Om die reden is [appellant] in reconventie veroordeeld tot terugbetaling van de reeds door haar geïncasseerde dwangsommen.

Enige inhoudelijke weerlegging van de door het Gerecht gegeven beoordeling ontbreekt. Die beoordeling is ook juist. De in het kort gedingvonnis van 18 november 2019 neergelegde veroordeling strekte er slechts toe een prikkel te geven aan [geïntimeerden] om tijdig te ontruimen en daarbij alles mee te nemen wat van hen was en (van) anderen die met hun toestemming in het appartement verbleven. Grief 1 slaagt in zoverre niet.

Boete en makelaarscommissie

appellant] heeft betaling gevorderd van boete conform artikel 10.2 van de koopovereenkomst (Afl. 42.720) en van de door haar aan de makelaar verschuldigde commissie (Afl. 12.000). Als grondslag is gesteld dat [geïntimeerden] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de koopovereenkomst door niet mee te werken aan de levering van het appartement.

Door [geïntimeerden] is als verweer gevoerd dat zij de makelaarscommissie en andere kosten hebben voorgeschoten, dat [appellant] weigerde of naliet die voorgeschoten bedragen in de bij de levering door de notaris op te maken afrekeningsnota ten gunste van [geïntimeerden] te laten opnemen, en dat daardoor [appellant] zelf in verzuim is geraakt. Dat gaf, zo voeren [geïntimeerden] aan, hun de bevoegdheid de medewerking aan de levering op te schorten. Het Gerecht heeft dat verweer gehonoreerd.

In haar grieven 2 en 3 bestrijdt [appellant] de juistheid van dat oordeel van het Gerecht. Zij stelt nimmer geweigerd te hebben de makelaarscommissie via de afrekeningsnota van de notaris aan [geïntimeerden] ten goede te laten komen. Verschuldigdheid van de overige kosten betwist zij wel.

appellant] heeft ervoor gekozen de koopovereenkomst te ontbinden op 20 augustus 2019. Daartoe was zij bevoegd indien sprake was van een tekortkoming in de nakoming van een van hun verbintenissen door [geïntimeerden] [appellant] heeft erkend de makelaarscommissie aan [geïntimeerden] verschuldigd te zijn. Dat betekent dat [geïntimeerden] ervan uit mochten gaan dat de notaris hen zou oproepen voor het passeren van de akte van levering op basis van een afrekennota waarin de makelaarscommissie ten gunste van hen verrekend was. Dat een dergelijke oproep is uitgegaan en/of dat een dergelijke concept-nota van afrekening aan [geïntimeerden] is voorgelegd en [geïntimeerden] vervolgens geweigerd hebben aan de levering mee te werken is door [appellant] niet gesteld. Van een tekortkoming van hun kant is om deze reden geen sprake. Ten onrechte heeft [appellant] de koopovereenkomst dan ook op 20 augustus 2019 ontbonden.

De vordering van [appellant] ten aanzien van boete en makelaarscommissie is gebaseerd op de stelling dat terecht ontbonden is. Nu dat niet het geval is, ontbreekt het aan grondslag voor die vordering. De grieven 2 en 3 slagen niet.

Condominiumfees

appellant] heeft betaling door [geïntimeerden] van condominiumfees (Afl. 10.719) gevorderd over de periode dat [geïntimeerden] het appartement huurden. Grondslag was dat de huur niets anders was dan voorsorteren op de koop van het appartement. Het Gerecht heeft die grondslag onbegrijpelijk geoordeeld en daaraan toegevoegd dat gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerden] deze kosten (waaronder de condominiumfees) voor hun rekening zouden nemen, terwijl artikel 7 van de koopovereenkomst bepaalt dat de aan het appartement verbonden lasten (pas) per datum overdracht daarvan voor hun rekening komen (tussenvonnis rov 4.6).

Met haar grief 4 komt [appellant] op tegen dit oordeel van het Gerecht. Zij stelt dat de condominiumfees, in afwijking van artikel 7 van de koopovereenkomst, voor rekening van [geïntimeerden] kwamen omdat de huurovereenkomst "voorsorteren" was op aankoop. Op dezelfde gronden als het Gerecht gedaan heeft, oordeelt het Hof de stelling van [appellant] ontoereikend voor toewijzing van haar vordering. Dat de huurovereenkomst is aangegaan vooruitlopend op overdracht in eigendom van het appartement aan [geïntimeerden] brengt niet zonder meer – en meer heeft [appellant] niet gesteld – mee dat deze eigenaarslasten vóór de eigendomsverkrijging voor rekening van [geïntimeerden] kwamen. Grief 4 slaagt niet.

Diefstal meubilair

appellant] heeft betaling gevorderd van Afl. 44.500. Grondslag was dat [geïntimeerden] bij de ontruiming van het appartement aan [appellant] toebehorende goederen hebben meegenomen, dan wel, door het appartement open achter te laten, aan derden gelegenheid hebben gegeven die goederen te ontvreemden. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen omdat duidelijke specificatie van wat is verdwenen ontbreekt en een inventarislijst, waaruit kan blijken wat bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig was, ook ontbreekt.

Met haar grief 5 bestrijdt [appellant] de juistheid van dit oordeel. Zij herhaalt de in eerste aanleg gegeven grondslag onder haar vordering. Een inventarislijst behoorde volgens haar niet tot de mogelijkheden. Hier geldt volgens haar artikel 129 Rv.

De stellingen van [appellant] zijn ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Dát goederen zijn ontvreemd volgt niet uit de onbewezen stellingen van [appellant], en welke goederen dat (volgens haar) geweest zouden zijn blijft daarom onduidelijk. Ingevolge artikel 129 Rv rusten stelplicht en bewijslast van de ontvreemding/verdwijning van haar goederen op [appellant]: zij beroept zich immers daarop. Een voldoende specifiek bewijsaanbod ontbreekt. Grief 5 slaagt niet.

Schade

appellant] heeft een bedrag van Afl. 8.818,63 gevorderd wegens aan het appartement toegebrachte schade. Op enkele onderdelen was volgens het Gerecht geen sprake van schade: zie rov 4.13 en 4.14 van het tussenvonnis (wasmachine, droger, airco’s met afstandsbediening en televisies). Dat neemt niet weg dat de vordering op dit onderdeel, uiteindelijk, integraal is toegewezen.

Met haar grieven 6 en 7 bestrijdt [appellant] de juistheid van de overwegingen 4.13 en 4.14 van het tussenvonnis. De grieven zijn niet voorzien van een onderbouwde toelichting. In het bijzonder is niet onderbouwd waaruit kan blijken dat de genoemde goederen eigendom van [appellant] waren. De grieven 6 en 7 slagen niet.

Opheffing beslag

In het tussenvonnis van 13 maart 2024 heeft het Gerecht (ook) de (reconventionele) vordering van [geïntimeerden] tot opheffing van het beslag toewijsbaar geoordeeld. In het eindvonnis van 3 juli 2024 is [appellant] vervolgens veroordeeld tot opheffing daarvan.

In haar eerste grief bestrijdt [appellant] de juistheid van dit oordeel en deze beslissing. Zij stelt dat de vordering tot opheffing van het beslag had moeten worden afgewezen omdat haar vordering (in conventie) tot een bedrag van Afl. 20.698,83 is toegewezen en het beslag strekte tot zekerheid voor het verhaal van die vordering.

Kern van de overweging van het Gerecht was, zo begrijpt het Hof uit de verwijzing van het Gerecht naar het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 26 maart 2021 (rov 4.8 tot en met 4.13), dat [appellant] het door [geïntimeerden] bij de notaris in depot gegeven bedrag inmiddels had geïncasseerd, dat zij dit aan [geïntimeerden] moest terugbetalen (minus een bedrag van Afl. 2.403,18), maar dat daarmee wel verrekend mocht worden wat [geïntimeerden] aan haar verschuldigd waren. Op die manier had [appellant] zekerheid voldoende. Het beslag was om die reden niet langer nodig. Die overweging is juist. Grief 1 faalt in zoverre.

Slotsom

De grieven 1 tot en met 8 slagen niet. Grief 9 (slechts gedeeltelijke toewijzing van de vordering) mist zelfstandige betekenis. De grieven 9A (proceskosten conventie) en 10 (proceskosten reconventie) slagen niet omdat de grieven 1 tot en met 8 niet slagen. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd.

Als in het ongelijk gestelde partij wordt [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze bedragen Afl. 215 aan verschotten (betekening memorie van antwoord) en Afl. 8.750 salaris gemachtigde (2,5 punten tarief 7 à Afl. 3.500 per punt).

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt de vonnissen van het Gerecht van 13 maart 2024 en 3 juli 2024;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure en begroot die kosten op

Afl. 215 aan verschotten en Afl. 8.750 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vandaag;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de uitgesproken veroordeling;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand