ECLI:NL:OGHACMB:2026:255

ECLI:NL:OGHACMB:2026:255

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer SXM2024H00110
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Sint Maarten. Verdeling nalatenschap. Overbedeling. Vonnis in plaats van akte (art. 3:300 lid 1 BW).

Uitspraak

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: SXM202200984 – SXM2024H00110

Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[Appellant],

wonend in [woonplaats],

in eerste aanleg eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. N.R. Joubert,

tegen

wonend in Sint Maarten,

wonend in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagden,

thans geïntimeerden,

gemachtigde van [geïntimeerde 1]: R.E. Duncan,

[geïntimeerde 2]: niet verschenen.

Partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden aangeduid als [geïntimeerden c.s].

1. De zaak in het kort

Dit geding betreft de verdeling van een nalatenschap. In geschil zijn de omvang daarvan, de waarde van de diverse registergoederen, de overbedelingsuitkering en de toepassing van artikel 3:300 lid 1 BW.

Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft daarover beslissingen gegeven. Het Hof komt, deels, tot andere beslissingen. Het vonnis van het Gerecht wordt daarom op onderdelen vernietigd.

2. Het verloop van de procedure

appellant] heeft met een op 2 september 2024 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht van 23 juli 2024 (ECLI:NL:OGEAM:2024:40).

Op 11 oktober 2024 heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) ingediend. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigt en, alsnog, de vorderingen van [appellant], zoals gewijzigd, toewijst met veroordeling van [geïntimeerden c.s]. in de kosten van de procedure in beide instanties.

geïntimeerde 1] heeft op 22 november 2024 een memorie van antwoord ingediend. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep bevestigt met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Van [geïntimeerde 2] is geen memorie van antwoord ontvangen.

Op de zitting van het Hof van 21 januari 2026 heeft de gemachtigde van [appellant] pleitnotities overgelegd. [geïntimeerde 1] heeft daarvan afgezien. Van [geïntimeerde 2] zijn geen pleitnotities ontvangen.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

Kosteloos procederen

Blijkens het overgelegde bewijs van onvermogen kan [appellant] de kosten van deze procedure niet dragen. Haar zal toelating worden verleend om kosteloos te procederen.

De feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

In 1979 heeft wijlen [erflater 1] (hierna: erflater) in eigendom verkregen het onroerend goed gelegen in het Stadsdistrict in Curaçao, kadastraal bekend als Stadsdistrict van Curaçao, [kadastrale aanduiding] in de woonwijk [naam wijk], met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend als [adres], groot 204 m² en het daarop gebouwde gebouw (verder ook: het perceel Curaçao).

In 1996 heeft [appellant] het recht van erfpacht verkregen op het onroerend goed gelegen in het district [naam district] in Sint Maarten, nader omschreven in meetbrief 26/1995, groot 335 m² en het daarop gebouwde gebouw (verder ook: het perceel Sint Maarten). Het daarop gebouwde gebouw heeft [appellant] in datzelfde jaar gekocht voor een bedrag van NAf 9.000. [appellant] heeft dit bedrag voldaan uit eigen middelen.

appellant] en [erflater 1] zijn op [datum] 1999 in Sint Maarten in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is geëindigd als gevolg van het overlijden van [erflater 1] op [datum] 2002. Na het overlijden heeft geen verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap plaatsgevonden.

Erflater heeft voorafgaand aan het huwelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] erkend.

appellant] heeft in 2004, 2006 en in 2008 ten behoeve van door haar afgesloten leningen een hypotheek gevestigd op het recht van erfpacht en de woning in Sint Maarten.

De vordering en de beslissing van het Gerecht

appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat het perceel in Sint Maarten buiten de gemeenschap van goederen tussen [appellant] en erflater valt. Subsidiair is gevorderd de scheiding en deling van die nalatenschap vast te stellen met toedeling van het perceel in Sint Maarten aan [appellant] en het perceel in Curaçao aan [geïntimeerden c.s]. Ook is gevorderd dat het vonnis van het Gerecht t[appellant]t in de plaats van een vereiste notariële akte, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden c.s]. in de kosten van de procedure.

Het Gerecht heeft, uitvoerbaar bij voorraad, het perceel in Sint Maarten toegedeeld aan [appellant] en dat in Curaçao aan [geïntimeerden c.s]. [appellant] is veroordeeld ten titel van overbedeling aan [geïntimeerden c.s]. te betalen USD 83.849. De proceskosten zijn gecompenseerd.

Aan deze beslissingen heeft het Gerecht het volgende ten grondslag gelegd:

(4.5) Artikel 1:95 BW ziet op goederen die staande huwelijk worden verworven. Het perceel in Sint Maarten werd voorafgaand aan het huwelijk door [appellant] verworven. Door het huwelijk viel het vervolgens in de wettelijke gemeenschap van goederen.

(4.6) [appellant] en [geïntimeerde 1] zijn het eens over de toedeling van het perceel in Sint Maarten en dat in Curaçao. [geïntimeerde 2] heeft geen verweer gevoerd.

(4.6) Partijen komt ten titel van overbedeling toe de helft van de waarde van de percelen in Sint Maarten en in Curaçao.

(4.7-4.10) Op basis van de overgelegde taxatierapporten, een niet betwiste aftrekpost van NAf.2.144 en het buiten de verdeling blijven van een op het perceel in Sint Maarten rustende hypotheekschuld is het bedrag waarop [geïntimeerden c.s]. recht hebben ten titel van overbedeling vastgesteld op USD 83.849.

(4.11) De vordering ex art. 3:300 BW (vonnis in plaats van akte) is niet onderbouwd en wordt afgewezen.

(4.12) Een gebruiksvergoeding van [appellant] voor het perceel in Sint Maarten is niet aan de orde omdat erflater (wijlen [erflater 1]) geen woongenot heeft gemist.

De verdeling

Voor de beoordeling van deze zaak is het allereerst van belang vast te stellen welke gemeenschap nog verdeeld moet worden.

appellant] en erflater waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Dat huwelijk is op [datum] 2002 geëindigd door het overlijden van erflater. Verdeling van de daardoor ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft nooit plaatsgevonden. Aan [appellant] kwam toe de (onverdeelde) helft van die ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, aan de erfgenamen van erflater kwam de andere (onverdeelde) helft toe. Erflater had niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Dat betekent dat [appellant], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] elk voor éénderde deel gerechtigd zijn in de nalatenschap van erflater. Met grief 2 bestrijdt [appellant] de juistheid van het andersluidende oordeel van het Gerecht. Die grief slaagt.

Deze procedure gaat dus over de verdeling van deze nalatenschap. Daartoe moet worden vastgesteld wat tot de nalatenschap behoort en welke waarde de onderdelen daarvan hebben.

Het perceel in Sint Maarten.

Het staat vast dat het perceel Sint Maarten voorafgaand aan het huwelijk tussen [appellant] en erflater door [appellant] werd verworven en uit eigen middelen werd betaald. Volgens [appellant] (grief 1) is op die situatie van toepassing de voorganger van het huidige artikel 1:95 BW, namelijk artikel 1:124 BW (oud). Dat artikel ziet volgens haar op het buiten de gemeenschap blijven van goederen die voorafgaand aan het huwelijk door een echtgenoot zijn verkregen en uit eigen middelen zijn betaald.

Anders dan tegenwoordig in Nederland, het op 1 januari 2018 in werking getreden artikel 1:94 lid 2 BW(NL), kent Sint Maarten niet de regel dat voorhuwelijks vermogen, ook indien niet krachtens erfrecht of gift verkregen (zoals hier: betaald door de echtgenoot, [appellant], zelf), buiten de gemeenschap valt. Ingevolge artikel 1:94 lid 2 BW(SXM) is het uitgangspunt dat de gemeenschap wat haar baten betreft alle goederen van de echtgenoten omvat die bij aanvang van de gemeenschap aanwezig waren. De in dat artikel genoemde uitzonderingen zijn in deze zaak niet van toepassing.

Tegen de achtergrond van dit wettelijk uitgangspunt bezien bevat artikel 1:95 BW(SXM) niet (toch) een uitzondering op artikel 1:94 lid 2 BW(SXM), maar regelt het de gevolgen van verwerving van goederen staande huwelijk in die zin dat deze privé worden indien voor meer dan de helft uit privémiddelen bekostigd en dat daaraan vergoedingsverplichtingen kunnen zijn verbonden. De passages uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis en literatuur waarnaar [appellant] verwijst zijn geen reden anders te oordelen. Het gaat daarin vooral over de vraag welke datum geldt bij de vraag uit welk vermogen een betaling is gedaan. De verwijzing naar uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao kan [appellant] evenmin baten omdat daarin geen aandacht is besteed aan de verhouding tussen artikel 1:94 lid 2 BW(SXM) en artikel 95 lid 1 BW(SXM).

Grief 1 slaagt dus niet. Het gevolg is dat het perceel Sint Maarten in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap viel en dat de onverdeelde helft van perceel Sint Maarten daardoor in de nalatenschap van erflater valt.

De overbedeling

Het Gerecht heeft geoordeeld dat [appellant] voor USD 89.849 is overbedeeld. Met grief 3 bestrijdt [appellant] de juistheid van dat oordeel. De grief slaagt. Uitgangspunt voor berekening van de overbedeling is dat zowel [appellant] als [geïntimeerden c.s]. gerechtigd zijn in de nalatenschap en niet slechts [geïntimeerden c.s]., zoals het Gerecht aan de berekening van de overbedeling ten grondslag heeft gelegd.

De door het Gerecht gehanteerde waarderingsgrondslag van de percelen Sint Maarten en Curaçao is niet betwist. Uitgegaan wordt daarom van de volgende waarden:

- perceel Sint Maarten USD 205.000 = NAf 369.000;

- perceel Curaçao NAf 65.000.

In de nalatenschap valt de onverdeelde helft van elk van deze percelen, te waarderen op:

- perceel Sint Maarten: 0,5 x NAf 369.000 = NAf 184.500;

- perceel Curaçao: 0,5 x NAf 65.000 = NAf 32.500.

Perceel Sint Maarten is aan [appellant] toebedeeld, perceel Curaçao aan [geïntimeerden c.s]. De overbedeling is dan:

- perceel Sint Maarten: tweederde van NAf 184.500 = NAf 123.000;

- perceel Curaçao: tweederde van NAf 65.000 = NAf 43.333.

Per saldo is [appellant] dan verschuldigd aan [geïntimeerden c.s]. NAf 123.000 – NAf 43.333 =

NAf 79.667. Daaarop komt, als niet weersproken, in mindering een (canon)bedrag van NAf 2.144. Het uiteindelijk door [appellant] verschuldigde saldo is dan NAf 77.523.

De hypotheekschuld

appellant] heeft gesteld (grief 4) dat zij, in totaal, een bedrag van NAf 182.000 heeft geleend ten behoeve van noodzakelijk onderhoud en verbetering van de woning in de jaren 2004, 2006 en 2008. Dat onderhoud en die verbetering waren nodig omdat, zo stelt zij, orkaan Luis in 1995 aanzienlijke schade aan de woning had toegebracht en daarom bij de renovatiewerkzaamheden 75% van de woning is gesloopt en herbouwd. [geïntimeerde 1] heeft dit alles niet gemotiveerd weersproken.

Ingevolge artikel 3:170 BW kunnen handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht en geschiedt voor het overige het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Van zo’n regeling is niet gebleken. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd. Dat het hier gaat om handelingen van [appellant] ten behoeve van het behoud van het gemeenschappelijk goed (zijnde het onverdeeld aandeel van het perceel Sint Maarten) is, zoals overwogen (3.7.1), onvoldoende gemotiveerd weersproken. [appellant] was dus (voor zichzelf en de nalatenschap) bevoegd een lening aan te gaan ten behoeve van (gedeeltelijke) sloop en herbouw van de woning.

Nu partijen niet anders zijn overeengekomen, moeten zij op grond van artikel 3:172 BW, naar evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Wanneer een deelgenoot (bevoegdelijk) de schuld uit eigen middelen voldoet, heeft hij een regresvordering op alle deelgenoten en wel voor het hen aangaande deel. Dat geldt ook voor uitgaven die gedaan zijn na het openvallen van de nalatenschap. In dat verband is ook niet van belang of [appellant], als enige van de erfgenamen, de woning bewoonde en dus als bewoner profijt had van de kosten die gemaakt werden ten behoeve van het behoud van de woning.

Vast staat dat [appellant] het geleende bedrag volledig heeft uitgegeven aan het behoud van de woning, en dat [geïntimeerden c.s]. niets hebben bijgedragen. Zonder de gedane investering van NAf 182.000 zou de woning niet behouden zijn en zouden ook [geïntimeerden c.s]. dus niet hebben kunnen profiteren van de per taxatiedatum van 7 april 2022 vastgestelde waarde van NAf 369.000. Zij dienen daarom naar evenredigheid bij te dragen in de gedane investering van NAf 182.000.

De gedane uitgaven van, in totaal, NAf 182.000 strekten voor de helft ten gunste van het onverdeeld aandeel van [appellant] in perceel Sint Maarten en voor de andere helft ten gunste van de nalatenschap van erflater. Voor rekening van elk van de drie erfgenamen komt daardoor éénderde deel van NAf 91.000 = 30.333. Voor rekening van [geïntimeerden c.s]. komt dus het dubbele: NAf 60.666.

Genoemd bedrag van NAf 60.666 komt in mindering op het bedrag

(NAf 77.523) dat [appellant] als overbedeling aan [geïntimeerden c.s]. verschuldigd is. Per saldo is zij dus verschuldigd NAf 10.587. Grief 4 slaagt.

Verjaring

geïntimeerden c.s]. hebben, met een beroep op artikel 3:310 lid 1 BW, aangevoerd dat de vordering van [appellant] tot vergoeding van de voor het behoud van de woning gemaakte kosten is verjaard.

Dat verweer slaagt niet. Artikel 3:310 lid 1 BW ziet op een rechtsvordering tot vergoeding van schade of een bedongen boete. Van het een noch het ander is sprake. [appellant] vordert immers nakoming van een (op artikel 3:172 gebaseerde) verbintenis tot betaling van het voor rekening van [geïntimeerden c.s]. komende deel van gedane uitgaven. Voor dergelijke vorderingen bevat de wet niet een afzonderlijke verjaringsregeling zodat de ‘restbepaling’ artikel 3:306 BW toepasselijk is. Daarin is een verjaringstermijn opgenomen van twintig jaren. Dat die termijn is overschreden hebben [geïntimeerden c.s]. niet aangevoerd.

Vonnis in plaats van akte

appellant] heeft gevorderd dat het Gerecht bepaalt dat het vonnis van het Gerecht t[appellant]t in de plaats van een vereiste notariële akte. Die vordering is afgewezen. Daartegen richt [appellant] zich met haar grief 5. Zij stelt dat sprake is van een geschil tussen partijen en dat daarom niet aannemelijk is dat [geïntimeerden c.s]. zullen meewerken aan het verlijden van een notariële akte van verdeling.

geïntimeerde 1] heeft, voor het geval de toedeling door het Gerecht van de percelen Sint Maarten en Curaçao in stand blijft, aangevoerd dat alle partijen de mogelijkheid moeten krijgen het vonnis te gebruiken voor inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers.

Het standpunt van [geïntimeerde 1] heeft tot gevolg dat hij tegen het alsnog toewijzen van dit deel van de vordering van [appellant] redelijkerwijs geen bezwaar kan hebben nu het Hof de toedeling van het Gerecht in stand laat. Het Hof zal dan ook, op de voet van de artikelen 3:300 en 3:301 lid 1 BW, bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte tot levering van registergoederen en in de daarvoor bestemde registers kan worden ingeschreven. Grief 5 slaagt.

Slotsom

Grief 1 slaagt niet, de grieven 2 tot en met 5 slagen wel. Het vonnis van het Gerecht wordt daarom op de onderdelen 5.3 en 5.6 van het dictum vernietigd. In zoverre wordt opnieuw recht gedaan. Dit neemt niet weg dat beide partijen in eerste aanleg over en weer, terecht, in het ongelijk gesteld zijn. De compensatie van proceskosten in eerste aanleg blijft om die reden in stand. Ook in hoger beroep zijn partijen over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom ook in hoger beroep gecompenseerd.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

a. laat [appellant] toe kosteloos te procederen;

b. vernietigt het vonnis van het Gerecht van 23 juli 2024, maar uitsluitend op de onderdelen 5.3 en 5.6 van het dictum en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:

c. veroordeelt [geïntimeerden c.s]. om binnen een maand na betekening van dit vonnis of zoveel later als partijen zullen overeenkomen mee te werken aan het verlijden van een notariële akte waarbij uit de nalatenschap van erflater wordt toebedeeld aan:

- [ appellant] het recht van erfpacht verkregen op het onroerend goed gelegen in het district [naam district] in Sint Maarten, nader omschreven in meetbrief 26/1995, groot 335 m² en het daarop gebouwde gebouw;

- [ geïntimeerden c.s]. het onroerend goed gelegen in het Stadsdistrict in Curaçao, kadastraal bekend als Stadsdistrict van Curaçao, [kadastrale aanduiding] in de woonwijk [naam wijk], met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend als [adres], groot 204 m² en het daarop gebouwde gebouw;

d. voor het geval [geïntimeerden c.s]., geheel of gedeeltelijk, niet aan de veroordeling sub c voldoen: bepaalt op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW dat dit vonnis dezelfde kracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte tot medewerking aan de levering van de sub c vermelde registergoederen;

e. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van Cg 10.587;

f. bevestigt het vonnis van het Gerecht van 23 juli 2024 voor het overige;

g. compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

h. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen;

i. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand