ECLI:NL:OGHACMB:2026:257

ECLI:NL:OGHACMB:2026:257

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer CUR2025H00154
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Curaçao. Bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202401097/01396 – CUR2025H00154/00155

Uitspraak: 21 april 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[DE BESTUURDER],

wonend te Curaçao,

oorspronkelijk eiser in conventie en verweerder in reconventie, thans appellant,

gemachtigde: mr. A.C. Small,

tegen

de ONTVANGER VAN HET LAND CURAÇAO,

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie en eiser in reconventie, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. N.A. Evertsz, T. de Palm en R.L. Rosaria.

De partijen worden hierna de bestuurder respectievelijk de Ontvanger genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Bij op 9 juni 2025 ingekomen akte van appel is de bestuurder in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 28 april 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:77, uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

Bij op 21 juli 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de bestuurder zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn vordering zal toewijzen en die van de Ontvanger zal afwijzen, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het geding.

Bij op 26 september 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft de Ontvanger de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de bestuurder in zijn verzet althans tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de bestuurder in de proceskosten in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ad Cg 250 zonder betekening en Cg 400 met betekening en bovendien te vermeerderen met de wettelijke rente na veertien dagen na dit vonnis.

Op 16 december 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. Bij die van de gemachtigde van de bestuurder zijn producties gevoegd.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2. Beoordeling

Het Gerecht heeft onder 3 van het bestreden vonnis de volgende feiten vastgesteld:

de bestuurder] is neuropsycholoog en statutair bestuurder van [de NV](hierna: [de NV]).

de bestuurder] is vereffenaar van de besloten vennootschappen [BV 1] en [BV 2]. Beide vennootschappen verkeren vanaf 1 oktober 2020 in staat van liquidatie.

De Ontvanger heeft ten laste van [de bestuurder] een dwangschrift met nummer [#1] uitgevaardigd en betekend op 31 januari 2024, ter betaling van openstaande belastingschulden van [de NV], [BV 1] en [BV 2] (hierna: dwangschrift [#1]). Het totaalbedrag van dwangschrift [#1] is NAf 664.241,66, waarvan NAf 658.661,66 voor “gevorderd bedrag”, vermeerderd met NAf 580 voor aanmaningskosten en NAf 5.000 voor de kosten van de akte.

Het gevorderd bedrag bestaat uit schulden Loonbelasting (LB), Basisverzekering Ziektekosten (BVZI), Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (AVBZ), Algemene Ouderdomsverzekering (AOV), Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWV), Ziekteverzekering (ZV), Ongevallenverzekering (OV), Winstbelasting (WBA/WBS), Afvalstoffenbelasting (AFS), Omzetbelasting (OB) en Cessantia.

de bestuurder] is bij een verzetschrift betekend aan de Ontvanger op 2 februari 2024 in verzet gekomen tegen dwangschrift [#1].

De Ontvanger heeft op 15 maart 2024 beslag gelegd op de roerende zaken aanwezig op [adres 1], het vestigingsadres van [de NV] en het kantoor/woonadres van [de bestuurder]. Dit beslag was gebaseerd op dwangschriften [#2] en [#3]. De processen-verbaal van het beslag noemen de dwangschriften niet. [de bestuurder] is bij verzetschrift betekend op 18 april 2024 in verzet gekomen tegen het bodembeslag.

Op 22 maart 2024 heeft de Ontvanger uit kracht van het dwangbevel van 31 januari 2024 executoriaal beslag gelegd ten laste van [de bestuurder] op de tegoeden van [de bestuurder] bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor het gevorderd bedrag van NAf 658.661,66. Dit beslag betrof:

“alle vorderingen en roerende zaken, niet zijnde registergoederen, die hij/zij verschuldigd mocht zijn of worden aan of onder zijn/haar berusting mocht hebben van voornoemde belastingschuldige”.

Op 3 mei 2024 heeft de Ontvanger na daartoe van dit gerecht op 29 april 2024 verkregen verlof conservatoir beslag gelegd onder de SVB voor het bedrag van NAf 658.661,66. Dit beslag betrof:

“alle gelden die de [SVB] ten behoeve van [de bestuurder] onder zich heeft, en op alle vorderingen die [de bestuurder] op de [SVB] uit hoofde van een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen”.

Bij brief van 19 juni 2024 heeft [de bestuurder] een voorstel tot een voorlopige minnelijke regeling aan de Ontvanger gedaan. De Ontvanger ging niet akkoord en deed een tegenvoorstel. [de bestuurder] ging niet akkoord met het tegenvoorstel.

Bij akte van cessie van 4 juli 2024 (over de rechtsgeldigheid waarvan partijen twisten) heeft [de bestuurder] zijn vorderingen op de SVB aan Spacestar Corporation N.V. (hierna: Spacestar) overgedragen.

Door SVB is inmiddels een bedrag van ruim Cg 500.000 ingehouden.

De verhouding tussen de dwangschriften en beslagen kan als volgt worden weergegeven:

[plaatje]

Het dictum van het bestreden vonnis luidt:

Het gerecht:

in conventie

heft op het op 15 maart 2024 door de Ontvanger gelegde bodembeslag op [adres 1];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;

in reconventie

verklaart voor recht dat de vordering van de Ontvanger op [de bestuurder] ter hoogte van Cg 658.661,66 rechtsgeldig en verschuldigd is;

verklaart voor recht dat het conservatoire derdenbeslag ten laste van [de bestuurder] onder de SVB zich mede uitstrekt tot de na de beslaglegging ontstane vorderingen [op de bestuurder] uit de bestaande rechtsverhouding;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

Hiertegen richt zich het hoger beroep van de bestuurder.

In een andere Curaçaose zaak ter zake van aansprakelijkstelling van een bestuurder van een vennootschap voor belastingschulden van de vennootschap heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft deze vragen beantwoord bij prejudiciële beslissing van 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1657.

Het Hof zal, met inachtneming van deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, de grieven beoordelen.

Een verschil met de eerdere zaak is dat de bestuurder in de onderhavige zaak niet de juistheid van de aan de vennootschappen opgelegde aanslagen aanvecht. Zie bestreden vonnis rov. 5.7 waartegen geen grief is gericht.

De Ontvanger heeft aangevoerd dat de bestuurder in hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat niet voldaan is aan artikel 4 lid 4 van de Landsverordening van den 31sten December 1942 houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen (afgekort: Landsverordening dwanginvordering). Dit lid 4 luidt:

4. Indien het verzet wordt afgewezen, is geen hoger beroep ontvankelijk dan na bewijs, dat de belasting, bijdrage, vergoeding, rente, verhogingen en kosten zijn geconsigneerd in handen van de ontvanger, die de betaling vervolgt.

De bestuurder kan echter zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ook langs twee andere wegen aanvechten bij de burgerlijke rechter (thans: het Hof). Over deze mogelijkheden overwoog de Hoge Raad (rov. 3.6.4-3.6.6):

Naast de mogelijkheid van verzet (zie hiervoor in 3.6.1-3.6.3) heeft de aansprakelijk gestelde bestuurder de mogelijkheid het invorderingsrecht waarop een tegen hem uitgevaardigd dwangschrift berust, aan de orde te stellen in een executiegeschil zoals bedoeld in art. 438 RvC, of in een gewone civiele bodemprocedure. [noot 14: Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:350, rov. 5.4.3.]

In een executiegeschil op de voet van art. 438 RvC of in een civiele bodemprocedure kan in beginsel alles aan de orde worden gesteld wat aan uitvoering van het dwangschrift in de weg zou staan. In Curaçao bestaat, anders dan in Nederland en Aruba, [noot 15: Art. 49 lid 7 Iw 1990 (Nederland) en art. 10 lid 4 Landsverordening aansprakelijkheid belastingen en premies volksverzekering (Aruba).] geen wettelijke beperking voor de aansprakelijk gestelde bestuurder om de door de vennootschap onbetaald gelaten aanslag of beschikking waarop de aansprakelijkstelling berust, bij de burgerlijke rechter ter discussie te stellen. Dit betekent onder meer dat de bestuurder de materiële juistheid van de aan de vennootschap gerichte aanslag of beschikking aan de burgerlijke rechter ter beoordeling kan voorleggen, ook als de belastingrechter inmiddels over die aanslag of beschikking heeft geoordeeld en die aanslag of beschikking inmiddels onherroepelijk is. Ten aanzien van de bestuurder heeft een dergelijke beslissing in het Curaçaose stelsel immers geen formele rechtskracht gekregen, nu de bestuurder de materiële verschuldigdheid van de belastingschulden niet langs fiscaal- of bestuursrechtelijke weg ter discussie heeft kunnen stellen (zie hiervoor in 3.4.1-3.5.2).

Het maakt niet uit of het thans gaat om een executiegeschil, bedoeld in artikel 438 Rv, of een gewone civiele bodemprocedure. Het Hof gaat uit van een executiegeschil in hoger beroep. Daarin is de bestuurder ontvankelijk.

Grief 1 (ontbreken van belastingaanslag op naam van de bestuurder) faalt. De Hoge Raad overwoog (rov. 3.3.5):

De conclusie is dat voor elk van de hiervoor bedoelde landsverordeningen geldt dat de aansprakelijkheid van de bestuurder rechtstreeks uit de wet volgt; daarvoor is niet een daartoe strekkende beschikking of aanslag vereist. (…).

En (rov. 3.4.2-3.4.3):

Uit wat hiervoor in 3.3.1-3.3.5 is overwogen volgt dat de aansprakelijkheid van de bestuurder ingevolge de desbetreffende landsverordeningen niet berust op een aan de bestuurder opgelegde aanslag of een beschikking, maar dat deze rechtstreeks voortvloeit uit de wet. De bestuurder kan dan ook niet tegen zijn aansprakelijkstelling beroep instellen bij de belastingrechter. Hij kan ook geen bezwaar maken en beroep instellen tegen de aan de vennootschap gerichte beschikkingen of opgelegde aanslagen, ook niet als daarop de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder berust. Uit het hiervoor omschreven gesloten stelsel van fiscale rechtsbescherming volgt immers dat alleen de vennootschap tegen een aan haar gerichte aanslag of beschikking bezwaar kan maken en vervolgens beroep kan instellen bij de belastingrechter. Daarbij kan de vennootschap zich laten vertegenwoordigen door een daartoe bevoegde bestuurder.

Het gesloten stelsel van fiscale rechtsbescherming brengt verder mee dat alleen in uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen de mogelijkheid openstaat voor een bestuurder om over zijn aansprakelijkstelling een aan hem gerichte, voor beroep vatbare beschikking te krijgen van de Inspecteur, zoals in het geval een bestuurder een beroep doet op de onmogelijkheid om voor betaling te zorgen als bedoeld in art. 16 lid 2 LWb 1940. Over een dergelijk beroep beslist de Inspecteur bij beschikking (art. 16 lid 4 LWb 1940); tegen die beschikking staat beroep open bij de belastingrechter (art. 16 lid 6 LWb 1940).

In de pleitnota (p. 3-4) van de gemachtigde van de bestuurder wordt gesteld dat de bestuurder bij brief van 11 december 2023 (productie 29 bij deze pleitnota) zich bij de Inspecteur der Belastingen op disculpatie als bedoeld in artikel 16 van de Landsverordening op de winstbelasting heeft beroepen. Dit beroep valt echter in die brief niet voldoende duidelijk te lezen. Laat staan dat in die brief of in de pleitnota is vermeld op welke grond of gronden de bestuurder zich meent te mogen disculperen.

Grief 2 (strijd met artikel 1 Protocol nr. 1 EVRM) faalt. De Hoge Raad overwoog:

De bestuurder kan in een executiegeschil op de voet van art. 438 RvC of in een gewone civiele bodemprocedure in beginsel alles aan de orde stellen wat aan uitvoering van het dwangschrift in de weg zou kunnen staan (zie hiervoor in 3.6.5). Hij wordt daarin niet belemmerd door wat de vennootschap ten aanzien van de aanslag heeft gedaan of nagelaten, en het verkrijgen van formele rechtskracht van de aanslag ten opzichte van de vennootschap speelt ten opzichte van de bestuurder geen rol. Ook de mogelijkheid van de bestuurder om een verzoek om ambtshalve vermindering te doen, doet niet af aan wat hij ten overstaan van de burgerlijke rechter aan de orde kan stellen (zie hiervoor in 3.6.6).

Met verwijzing naar onder meer deze overweging heeft de Hoge Raad overwogen dat vraag 3 van het Hof (over artikel 1 Protocol nr. 1 EVRM) geen beantwoording behoeft.

De omstandigheid dat de landsverordeningen niet voorzien in een disculpatiemogelijkheid voor de bestuurders, is weliswaar een behoorlijke horde om met succes verweer te kunnen voeren tegen een hoofdelijke aansprakelijkstelling van een bestuurder voor belastingschulden, maar die enkele omstandigheid brengt niet zonder meer mee dat die landsverordeningen onverenigbaar moeten worden geacht met de eisen die art. 1 Eerste Protocol EVRM stelt. Hierbij slaat het Hof acht op de laatste volzin van art. 1 Eerste Protocol EVRM, waaruit blijkt dat die verdragsbepaling de verdragsluitende Staten veel ruimte laat om de betaling van belastingen en andere heffingen te verzekeren (GHvJ 29 augustus 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:155, 3.20).

Grief 3 (miskenning van het onderscheid tussen natuurlijke persoon en rechtspersoon) gaat uit van de rechtsopvatting dat een bestuurder niet aansprakelijk kan zijn voor de belastingschulden van de bestuurde vennootschap zonder dat kennelijk onbehoorlijk bestuur of persoonlijke betrokkenheid bij fiscale fraude is bewezen. Volgens de grief vloeit deze regel voort uit het fundamentele onderscheid tussen de bestuurder als natuurlijke persoon en de vennootschap als juridische fictie met eigen rechtspersoonlijkheid. Deze rechtsopvatting is onjuist. Daarom faalt de grief.

Grief 4 (nietigheid beslag SVB wegens schending van artikel 721 Rv) faalt eveneens. In HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3197, rov. 3.5.5 is overwogen:

De niet-naleving van beslag- of executieformaliteiten leidt slechts tot nietigheid van het beslag of de executie, indien het belang dat met die formaliteiten is beoogd te beschermen, daadwerkelijk is geschaad. De rechter zal daarom moeten afzien van het uitspreken van de nietigheid wegens het begane verzuim als blijkt dat dit belang in het gegeven geval niet is geschaad (vgl. onder meer Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), p. 96 onder 3).

Het Hof sluit zich aan bij het desbetreffende oordeel van het Gerecht (rov. 5.18-5.21), luidende:

Art. 721 Rv bepaalt onder meer:

De beslaglegger is op straffe van nietigheid van het beslag verplicht om, zo de eis in de hoofdzaak na het beslag wordt ingesteld, binnen acht dagen na dit instellen een afschrift van het bewijs van instellen met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering of, zo de eis op andere wijze is ingesteld, van het stuk waarbij de instelling is geschied, aan de derde te betekenen.

Vaststaat dat geen (over)betekening aan SVB van de eis in de hoofdzaak – dus de eis in reconventie van de Ontvanger in zaak CUR202401396 – heeft plaatsgevonden. Als niet gemotiveerd betwist staat echter ook dat de Ontvanger mede namens SVB vorderingen invordert, dat SVB en de Ontvanger daarbij dezelfde gemachtigde hebben en dat SVB op de hoogte was van het beslag en van de onderhavige procedure. Met de Ontvanger is het gerecht dan ook van oordeel dat het doel van art. 721 Rv, te weten het voorkomen van onzekerheid bij de derdebeslagene over zijn verplichtingen jegens de beslagdebiteur, in dit geval niet in het gedrang kwam. Betekening van de eis in de hoofdzaak was weliswaar wettelijk voorgeschreven, maar diende in dit geval verder geen doel. Een met art. 93 Rv vergelijkbare anti-formalistische benadering ligt hier in de rede. Het beroep op de nietigheid van het beslag en de toepassing van de sanctie van art. 721 Rv acht het gerecht in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

In deze zaak wordt om de genoemde redenen dan ook anders geoordeeld dan door dit gerecht en door het hof wel is gedaan in andere gevallen dat is verzuimd de eis in de hoofdzaak te betekenen aan de derde. Het gerecht betrekt daarin mede de uitspraak van de Hoge Raad van 30 oktober 2015, waarin (ten aanzien van art. 431a Rv) onder meer werd overwogen:

“De niet-naleving van beslag- of executieformaliteiten leidt slechts tot nietigheid van het beslag of de executie, indien het belang dat met die formaliteiten is beoogd te beschermen, daadwerkelijk is geschaad. De rechter zal daarom moeten afzien van het uitspreken van de nietigheid wegens het begane verzuim als blijkt dat dit belang in het gegeven geval niet is geschaad (vgl. onder meer Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), p. 96 onder 3).”

De vordering van [de bestuurder] om voor recht te verklaren dat het conservatoir nietig is wordt op grond van het voorgaande afgewezen.

Grief 5 (geen executoriale titel) faalt. Ingevolge artikel 1 en artikel 3 lid 2 Landsverordening dwanginvordering was de Ontvanger bevoegd bij dwangschrift het door de bestuurder verschuldigde in te vorderen. Artikel 3 lid 2 Landsverordening dwanginvordering luidt:

Het dwangafschrift levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.

Grief 6 (het beslag kan niet toekomstige facturen treffen) faalt. Ingevolge de artikelen 475 en 718 Rv kan derdenbeslag gelegd worden op bestaande vorderingen van de beslagene en op toekomstige vorderingen, mits de beslagene ‘die uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen.’

Het Hof sluit zich aan bij het desbetreffende oordeel van het Gerecht, luidende (rov. 5.25 in verbinding met rov. 4.11):

Volgens de Ontvanger bestaat weldegelijk een rechtsverhouding tussen [de bestuurder] en de SVB. De rechtsverhouding vloeit voort uit het medewerkerschap van [de bestuurder] binnen de sociale verzekeringen, zoals vastgelegd in de Landsverordening Basisverzekering Ziektekosten. Het medewerkerschap, onder meer geregeld in het Landsbesluit Regeling Medewerking Sociale Verzekeringen, maakt dat [de bestuurder] bij de SVB kan declareren en SVB-patiënten kan behandelen. [de bestuurder] heeft zichzelf eerder ook expliciet aangeduid als ‘psycholoog/SVB-medewerkende’ in een brief.

(…)

De Ontvanger beoogt met zijn vordering onder 3.2 c) sub 2 mede een uitspraak te krijgen over de reikwijdte van het derdenbeslag onder SVB. Het gerecht is op de door de Ontvanger aangevoerde gronden, hiervoor samengevat onder 4.11, van oordeel dat ook de na de beslaglegging ontstane betalingsaanspraken van [de bestuurder] op SVB onder het beslag vallen. Deze vloeien voort uit de ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding tussen SVB en [de bestuurder]. De latere cessie door [de bestuurder] aan Spacestar, wat daar verder van zij, kan [de bestuurder] daarom niet aan de Ontvanger als anterieure beslaglegger tegenwerpen. Dit alles geldt zowel voor het executoriale beslag als voor het conservatoire beslag. Ten aanzien van deze vordering 3.2 c) sub 2 zal worden beslist als hierna omschreven.

Tenslotte faalt ook grief 7 (strijd met artikel 6 EVRM). Wat betreft de omvang van eventuele schade door het bodembeslag rust de stelplicht en bewijslast op de bestuurder. Aan de stelplicht heeft hij niet voldaan.

Voorts heeft de grief, gelet op de toelichting, geen zelfstandige betekenis naast de eerdere grieven. Hetgeen de bestuurder het Gerecht bij deze grief verwijt, raakt het recht op een eerlijk proces niet.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. De bestuurder dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

3. Beslissing

Het Hof:

bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de bestuurder in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de Ontvanger gevallen, tot op heden begroot op Cg 5.000 aan gemachtigdensalaris, Cg 354,73 aan betekeningskosten, Cg 250 aan nakosten zonder betekening en Cg 400 met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente na veertien dagen na dit vonnis;

verklaar de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand