BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2026
UITSPRAAK: 15 september 2026
ZAAKNRS: AUA202501706 – AUA2026H00007
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Beschikking in de zaak van:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KOMBUCHA ENTERPRISES VBA h.o.d.n. BRUTTO, LUCCA RESTAURANTS & CLUB,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg verweerster, thans appellante,
gemachtigde: mr. C.B.A. Coffie,
-tegen-
[GEЇNTIMEERDE],
wonend in Aruba,
in eerste aanleg verzoeker, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed.
Partijen zullen hierna worden aangeduid met werkgeefster en werknemer.
De zaak in het kort
Werknemer werkte als Pizzeria Chef in dienst van werkgeefster en is op een bepaald moment op staande voet ontslagen. Het Gerecht heeft het ontslag vernietigbaar geoordeeld en werkgeefster veroordeeld tot loondoorbetaling, maar dit laatste wel gematigd. Ondertussen is in een andere zaak de arbeidsovereenkomst ontbonden, zonder vergoeding. Het Hof beoordeelt de zaak in hoger beroep opnieuw en komt tot verdere loonmatiging.
1. Het verloop van de procedure
Verwezen wordt naar de op 9 december 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht). De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
Werkgeefster is van die beschikking (hierna: de bestreden beschikking) in hoger beroep gekomen door indiening op 19 januari 2026 van een beroepschrift, met producties.
Werknemer heeft op 5 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft werkgeefster op 4 juni 2026 aanvullende producties ingediend.
Op 9 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Zowel werknemer als werkgeefster hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden. Bij die gelegenheid zijn de standpunten van partijen nader toegelicht, aan de hand van schriftelijke aantekeningen waarvan exemplaren zijn overgelegd, en zijn vragen van het Hof beantwoord.
Na afloop van de zitting is de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating regeling zijdens partijen. Nadat partijen aan de griffie van het Hof hebben laten weten dat geen regeling is bereikt, is de zaak naar een nadere rolzitting verwezen voor uitspraak
Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
Werkgeefster exploiteert een aantal restaurants in Aruba, waaronder het restaurant Lucca.
Werknemer is met ingang van 7 juni 2021 bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van Pizzeria Chef in het restaurant Lucca, laatstelijk tegen een brutosalaris van Afl. 2.250,- per quincena.
Op 13 mei 2025 is werknemer naar aanleiding van een voorval met een collega in afwachting van intern onderzoek geschorst met behoud van loon.
Op 15 mei 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:
On May 13, 2025 you were informed that you were being suspended with pay pending investigation as you were seen engaging in unauthorized physical contact with a subordinate staff member.
(...)
We have concluded our investigation and hereby inform you as follows:
1. On May 13, 2025 you started and/or engaged in a (physical) confrontation and/or undesired interaction with a colleague, a subordinate. Your actions led to violence and/or hitting, and/or pushing and/or touching (in an unwanted manner).
2. As per article 7:678 of the Civil Code of Aruba you are not allowed to assault or threaten a colleague.
3. As per the company's policy horseplay is not allowed and you are not allowed to fight with other workers or incite fights or other unwanted or harmful altercations.
4. You also tried to influence and/or manipulate the employee afterwards (while using foul language) to not file a complaint against you.
5. In the past there have been incidents regarding your behavior at the workplace and/or towards one or more colleagues:
a. In February 2025 you were detained after a colleague filed a criminal complaint for alleged sexual harassment of her daughter. You denied these allegations, which according to you were the result of you ending a romantic relationship with her.
b. A complaint filed in July 2024 with the company regarding (amongst others) misuse of power, verbal and physical aggression.
c. In the past there was also an incident with another colleague (in the parking lot) with whom you had a romantic relationship.
6. In February 2025 you were absent from work as a result of your pretrial detention and you failed to contact the Company in a timely manner.
7. Your actions or inactions described above are unacceptable to Kombucha Enterprises. Kombucha Enterprises cannot reasonably be expected to accept your actions or inactions as described above. These have led to one or more employees not feeling safe working at the company.
8. Kombucha Enterprises has made the decision to terminate your employment, for urgent reasons, effective immediately. The facts outlined above under 1 through 7 individually and/or collectively are the reasons why your employment is hereby terminated effective immediately.
9. To prevent any misunderstanding, we would like to make clear that your employment would have also been terminated effective immediately, had only one of the aforementioned actions taken place.
Bij brief van 16 mei 2025 heeft werknemer de nietigheid van zijn ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.
Bij brief van 22 mei 2025 heeft werkgeefster aan werknemer meegedeeld dat zijn brief geen aanleiding geeft haar standpunt ten aanzien van het ontslag op staande voet te herzien.
Bij beschikking van het Gerecht van 9 december 2025 (AUA202503530) is de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgeefster met ingang van de volgende dag ontbonden wegens gewichtige redenen, zonder toekenning van een vergoeding aan werknemer (hierna ook: de ontbindingsbeschikking).
3. Het verzoek
Werknemer heeft verzocht dat de rechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat het aan werknemer verleende ontslag nietig is;
b. werkgeefster veroordeelt tot betaling van zijn nettoloon vanaf 15 mei 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de gematigde vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15% en met de wettelijke rente;
c. werkgeefster beveelt om werknemer per onmiddellijk weer te werk te stellen in zijn reguliere functie en werktijden, op straffe van een dwangsom;
d. werkgeefster veroordeelt in de proceskosten.
4. De bestreden beslissing
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht – samengevat en voor zover nu nog van belang – voor recht verklaard dat het ontslag op goede grond is vernietigd en werkgeefster veroordeeld tot loondoorbetaling voor een periode van zes maanden, vermeerderd met de tot nihil gematigde wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
Hieraan heeft het Gerecht – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De werknemer verweten gedragingen van 13 mei 2025 (zie onder 1. ontslagbrief) en 15 mei 2025 (zie onder 4. ontslagbrief) zijn vast komen te staan, zijn in strijd met de bij werkgeefster geldende gedragsregels (zie onder 3. ontslagbrief) en zijn zodanig ernstig dat werkgeefster dit niet hoefde te accepteren. Echter zijn deze, gelet op onder meer de gevolgen voor werknemer en het gegeven dat een ontslag op staande voet ultimum remedium moet zijn, onvoldoende om te gelden als dringende reden in de zin van art. 7:678 BW (rov. 4.3 - 4.7 van de bestreden beschikking). Het voorgaande brengt mee dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en werkgeefster tot loondoorbetaling verplicht is. Volledige loondoorbetaling leidt echter in het licht van alle omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen, om welke reden matiging zal plaatsvinden tot zes maanden brutoloon. In de omstandigheden van dit geval en billijkheidshalve zal de wettelijke verhoging worden beperkt tot nihil (rov. 4.8 van de bestreden beschikking).
5. De beoordeling in hoger beroep
Het Hof verwerpt de klachten van werkgeefster over het oordeel van het Gerecht dat de gedragingen van 13 en 15 mei 2015 het ontslag op staande voet niet kunnen dragen en dat het Gerecht de eerdere incidenten ten onrechte niet heeft meegewogen.
In rov. 4.2 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht uiteengezet waarom de eerdere incidenten niet kunnen meewegen bij de vraag of een dringende reden bestaat, met welk oordeel het Hof zich verenigt. Ook verenigt het Hof zich met het oordeel dat ontslag op staande voet een disproportionele reactie was op de incidenten van 13 en 15 mei 2025, zij het kantje boord, waarbij het Hof opmerkt dat ook de gemachtigde van werknemer ter zitting heeft erkend dat de gedragingen van werknemer op die data onacceptabel zijn.
In hoger beroep wordt wel met succes een beroep gedaan op een verdergaande loonmatiging. Uit rov. 4.10 van de ontbindingsbeschikking (zie hierboven onder 2.1.7), die werkgeefster als productie H3 bij het beroepschrift heeft ingebracht, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat werknemer aanbiedingen voor werk als chef (dus in een soortgelijke baan) heeft laten schieten en dat hij meteen na het ontslag inkomsten genoot als personal trainer. Hierin ziet het Hof redenen om de loondoorbetalingsverplichting te matigen tot twee maanden.
In zoverre slaagt het appel. Het Hof zal daarom hieronder de bestreden beschikking in zoverre, dat is het dictum onder 5.2, vernietigen en werkgeefster veroordelen tot een loondoorbetaling van twee maanden, waarbij de vermeerderingen hetzelfde blijven.
Aangezien in hoger beroep vast is komen te staan dat werkgeefster al uitvoering heeft gegeven aan dictumonderdeel 5.2 van de bestreden beschikking, zal werknemer veroordeeld worden tot teruggave van het meerdere (dat is vier maanden loon) aan werkgeefster. Dit is namelijk door werkgeefster verzocht en op de voet van art. 282a Rv toewijsbaar.
Nu wedertewerkstelling inmiddels is achterhaald door de ontbindingsbeschikking, zal het Hof ambtshalve ook rov. 5.3 van (het dictum van) de bestreden beschikking vernietigen.
In de omstandigheid dat partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
BESLISSING:
Het Hof:
vernietigt rov. 5.2 en 5.3 van (het dictum van) de bestreden beschikking, en doet in zoverre opnieuw recht als volgt:
veroordeelt werkgeefster tot betaling aan werknemer van een bedrag gelijk aan het brutoloon over een periode van twee maanden, vermeerderd met de tot nihil gematigde wettelijke verhoging;
bevestigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt werknemer tot teruggave van hetgeen meer dan het brutoloon over een periode van twee maanden, ter voldoening aan dictumonderdeel 5.2 van de bestreden beschikking door werkgeefster aan werknemer is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na deze beschikking;
compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Aldus gegeven door mrs. E.M. van der Bunt, E.A. Saleh en E.W.A Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba op 15 september 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.