Zaaknummer: H-125/24
Parketnummer: 500.00036/25
Uitspraak: 15 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 26 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam],
geboren op [1978] in [Land],
wonende in [Land] op het [adres],
thans gedetineerd.
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 15 januari 2026.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. S. Verheijen, en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. A.K.H. Ayubi, naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft ter zitting medegedeeld dat zij het door haar ingestelde hoger beroep wenst in te trekken. Omdat de procureur-generaal op een eerdere terechtzitting in hoger beroep de zaak reeds heeft voorgedragen is intrekking, gelet op het bepaalde in artikel 451, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, niet meer mogelijk. Daardoor ligt in beginsel de beoordeling en de beslissing van de zaak in hoger beroep aan het Hof voor. Het Hof stelt echter vast dat het nog geen aanvang heeft gemaakt met het onderzoek naar de feiten en dat de procureur-generaal heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Gelet daarop, en nu het Hof geen rechtens te respecteren belang aanwezig acht dat met behandeling en beslissing van de zaak in hoger beroep wordt gediend, ligt het in de rede dat de wens van de verdachte om te berusten in het vonnis wordt gerespecteerd. Daarom zal het Hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het Hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, en mr. J.A.W. van ’t Westeinde en mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, leden van het Hof, bijgestaan door mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op 15 januari 2026 ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.