Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA201900370 – AUA2020H00024
Uitspraak: 15 september 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg gedaagde en opposant, thans appellant,
gemachtigde: aanvankelijk mr. J.A.R. Bryson, die heeft gedesisteerd
tegen
de naamloze vennootschap
BOOGAARD ASSURANTIËN N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg eiseres en geopposeerde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch.
Partijen worden hierna [appellant] en Boogaard genoemd.
1. Samenvatting
Tussen partijen is in geschil of Boogaard namens de verzekeraar die na een verkeersongeval schade heeft vergoed op basis van de Landsverordening aansprakelijkheid motorrijtuigen, verhaal kan nemen op de verzekeringnemer, als de bestuurder niet in het bezit is van een Arubaans rijbewijs, maar wel van een buitenlands rijbewijs. Het Hof oordeelt dat de verzekeringsvoorwaarden zo moeten worden uitgelegd dat dekking in deze situatie niet is uitgesloten, zodat Boogaard niet namens de verzekeraar de schade kan verhalen op de verzekeringnemer.
2. Het verloop van de procedure in hoger beroep
Bij op 11 februari 2020 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 22 januari 2020 uitgesproken verzetvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht), waarbij het Gerecht het op 16 januari 2019 op verzoek van Boogaard tegen [appellant] uitgevaardigde bevel tot betaling (AUA201803089) heeft bevestigd.
Bij memorie van grieven van 13 februari 2020, met producties, heeft [appellant] zijn bezwaren tegen het verzetvonnis toegelicht. Zijn conclusie strekt tot vernietiging van zowel het verzetvonnis als het daarbij behorend betalingsbevel van 16 januari 2019, met afwijzing van de vorderingen van Boogaard en veroordeling van Boogaard in de kosten in hoger beroep en eerste aanleg.
Bij memorie van antwoord van 30 april 2020, met producties, heeft Boogaard op die bezwaren gereageerd. Zij concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en verzoekt het betalingsbevel en het verzetvonnis, al dan niet met verbetering van gronden, te bevestigen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van beide instanties.
Op 26 augustus 2025 heeft de Hofgriffie de zaak geappointeerd voor schriftelijk pleidooi. Op 31 maart 2026 heeft de gemachtigde van Boogaard een pleitnotitie (met productie) ingediend. Een pleitnota van [appellant] is niet ontvangen
Partijen hebben vonnis gevraagd. De uitspraak is nader bepaald op vandaag.
3. De feiten
Boogaard treedt op als gemachtigde van de verzekeraar NA&A N.V. (handelsnaam: Citizens, hierna: de verzekeraar). Bij deze maatschappij was het voertuig met kenteken A-19337 verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. [appellant] is de eigenaar van het voertuig en verzekeringnemer.
Op 25 juli 2015 veroorzaakte de bestuurder van dit voertuig (hierna: de bestuurder) een aanrijding met een ander voertuig. Dit was te wijten aan de schuld van de bestuurder. Boogaard heeft namens de verzekeraar in verband met het ongeval uitkeringen gedaan van in totaal Afl. 2.377,41.
De bestuurder was in het bezit van een geldig Venezolaans rijbewijs, maar niet van een geldig Arubaans rijbewijs. Hij heeft sinds zijn geboorte in het Bevolkingsregister van Aruba ingeschreven gestaan.
In de polisvoorwaarden van de verzekering is, voor zover van belang, bepaald:
“4 Uitsluitingen In aansluiting op het terzake bepaalde in de Algemene Voorwaarden is tevens van de verzekering uitgesloten:
…
Schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig niet in het bezit is van een geldig of hoogstens zes maanden verlopen, voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, (…)”
4. De procedure bij het Gerecht
Boogaard heeft bij het Gerecht gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van hetgeen Boogaard namens de verzekeraar heeft uitgekeerd. Bij betalingsbevel van 16 januari 2019 is die vordering toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [appellant] is tevergeefs in verzet gegaan. Volgens het Gerecht volgt uit artikel 4.7 van de polisvoorwaarden dat van dekking is uitgesloten schade die veroorzaakt is door de bestuurder van het voertuig die niet in het bezit is van een in Aruba geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 10 lid 1 LVW en volgens het Gerecht voldeed het rijbewijs van de bestuurder niet aan het bepaalde in dit artikel.
5. De beoordeling door het Hof
Het toetsingskader
Of Boogaard verhaal heeft op [appellant], hangt ervan af of de aansprakelijkheid (als bedoeld in artikel 10 lid 2 Landsverordening aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) is gedekt door de verzekering. Dat hangt weer af van de uitleg van artikel 4.7 van de verzekeringsvoorwaarden. Die uitleg gebeurt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van belang.
Voor het toetsingskader verwijst het Hof naar zijn eerdere uitspraak van 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:156, die onder meer luidt als volgt:
“Uitleg van verzekeringsvoorwaarden - juridisch kader
Of NA&A verhaal heeft op [verzekeringnemer], hangt ervan af of de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt als bedoeld in art. 10 lid 2 LAM. Dat hangt weer af van de uitleg van art. 7.4.8 van de verzekeringsvoorwaarden. Die uitleg gebeurt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, met inachtneming van het volgende.
In het EU-recht geldt dat de rechter binnen bepaalde grenzen ambtshalve dient te toetsen of een beding in een overeenkomst met een consument oneerlijk is en zo ja, dat de rechter het beding ambtshalve buiten toepassing dient te laten. Schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten moeten steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. Beslissend is of de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. De consument moet op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de gevolgen die voor hem uit de overeenkomst voortvloeien, kunnen inschatten. Een gebrek aan transparantie moet meewegen bij de beoordeling van de oneerlijkheid. Dit kan ook aan de orde zijn bij bedingen die naar Nederlands (en Arubaans) recht als kernbedingen worden beschouwd. In art. 6:238 lid 2 BW Nederland is verder (ter implementatie van EU-recht) bepaald dat bij twijfel over de betekenis van een beding in algemene voorwaarden, de voor de wederpartij gunstigste uitleg prevaleert.
Dit alles geldt niet (onverkort) in het recht van Aruba, maar het kan ingevolge het concordantiebeginsel een rol spelen bij de toepassing van Arubaans recht. Naar Arubaans recht geldt als algemeen gezichtspunt dat bij de beoordeling door de feitenrechter van de uit te leggen overeenkomst naar gelang van de omstandigheden mag meewegen dat een eenzijdig door de verzekeraar opgestelde polisvoorwaarde in geval van twijfel over de uitleg ervan in het nadeel van de verzekeraar en ten gunste van de verzekerde moet worden uitgelegd (zie: HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7002).
Ingezetene - juridisch kader
De Landsverordening wegverkeer, AB 1997 no. 18, zoals gewijzigd (hierna: LWV) bepaalt onder meer:
Art. 10. 1. Het is de in Aruba ingezeten bestuurder van een motorvoertuig verboden daarmee over een weg te rijden, tenzij hij bij zich heeft een door de Minister afgegeven geldig rijbewijs voor het besturen van een motorvoertuig als waarmee gereden wordt, en hij de 18-jarige leeftijd heeft bereikt. 2. Het is de niet in Aruba ingezeten bestuurder van een motorvoertuig verboden daarmee over een weg te rijden, tenzij hij bij zich heeft een geldig, door de autoriteiten in het land van herkomst afgegeven rijbewijs voor het besturen van een motorvoertuig als waarmee gereden wordt, of een geldig internationaal rijbewijs, en hij de 18-jarige leeftijd heeft bereikt.
Voor de uitleg van de term ‘ingezeten’ in art. 10 lid 1 en 2 LWV zoekt het Hof, bij gebrek aan aanwijzingen voor andere maatstaven, aansluiting bij de rechtspraak over het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten en het fiscale woonplaatsbegrip in Nederland. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Aruba (vergelijk: HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en CRvB 28 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1258).”
De toepassing op dit geval
In de bovengemelde zaak ging het over een vergelijkbare verzekeringsvoorwaarde en was de verzekeringnemer een consument. Het Hof is echter van oordeel dat dit laatste niet van doorslaggevend belang is. Ook verzekeringnemers die geen consumenten zijn, mogen verzekeringsvoorwaarden als de onderhavige redelijkerwijs in de volgende zin begrijpen (en de verzekeraars moeten redelijkerwijs begrijpen dat de verzekeringnemers het zo opvatten):
met de zinsnede “voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs” wordt gedoeld op verschillende wettelijke voorschriften voor verschillende categorieën motorrijtuigen, en niet op verschillende wettelijke voorschriften voor verschillende categorieën bestuurders;
als de bestuurder een geldig buitenlands rijbewijs bezit, leidt het ontbreken van een Arubaans rijbewijs niet tot uitsluiting van dekking, onverschillig of de bestuurder ingezetene is in de zin van artikel 10 lid 1 en 2 LVW.
In dit geding kan in het midden blijven wat de strekking van artikel 10 LWV is als regel van openbare orde, en op welke wijze de Arubaanse overheid de in die bepaling opgenomen verboden al dan niet handhaaft. Dat is niet van doorslaggevend belang voor de uitleg van de polisvoorwaarden als hiervoor gegeven. Ook als verzekeringnemers rechtens verplicht moeten worden geacht de verboden uit artikel 10 LWV te kennen en te respecteren, brengt dat niet mee dat de polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd in de door Boogaard verdedigde zin. Die verboden zijn niet gegeven ter bescherming van belangen van autoschadeverzekeraars.
Boogaard verwijst naar verschillende uitspraken van het Gerecht (22 januari 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:34, 14 februari 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:96 en 1 juli 2015, ECLI:NL:OGEAA:2015:156), waaruit volgens haar volgt dat verzekeringen met kennelijk gelijke voorwaarden als die van toepassing zijn in dit geval geen dekking bieden als de bestuurder niet over een geldig rijbewijs in de zin van artikel 10 lid 1 LVW beschikt. In het midden kan blijven of het Gerecht vaste rechtspraak heeft ontwikkeld die afwijkt van hetgeen het Hof hiervoor heeft overwogen. Het Hof is immers niet gebonden aan rechtspraak van het Gerecht.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van Boogaard ten onrechte is toegewezen.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis en het daaraan voorafgaande bij verstek gegeven bevel tot betaling zullen worden vernietigd. Boogaard zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [appellant], zowel die van de verzetprocedure als die in hoger beroep.
Een kostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op, zodat dat niet uitdrukkelijk in een dictum hoeft te worden toegewezen (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het bevel tot betaling van 16 januari 2019 en het verzetvonnis van 22 januari 2020 en doet opnieuw recht;
wijst het gevorderde alsnog af;
veroordeelt Boogaard in de kosten aan de zijde van [appellant]:
van de verzetprocedure begroot op Afl. 500 aan salaris voor de gemachtigde en;
van het hoger beroep gevallen en tot op heden begroot op Afl. 912,14 aan verschotten en Afl. 500 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 15 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.