GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G
in de zaak van:
[appellant],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg verweerder, verzoeker van tegenverzoeken,
thans appellant,
gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg verzoekster, verweerster tegen tegenverzoeken,
thans geïntimeerde,
procederende in persoon.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 27 februari 2026 ingekomen beroepschrift is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 19 januari 2026 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht). Hierbij heeft de man twee grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en het verzoek van de vrouw alsnog zal afwijzen en het primaire tegenverzoek van de man, althans het subsidiaire tegenverzoek van de man, alsnog zal toewijzen.
Bij brief van 20 augustus 2026 heeft de man zijn verzoeken vermeerderd met een meer subsidiair verzoek en producties toegezonden.
De vrouw heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 25 augustus 2026 in Sint Maarten. De man is verschenen met zijn gemachtigde. De vrouw is verschenen. De gemachtigde van de man heeft het woord gevoerd aan de hand van een Engelstalige pleitnota (plea). De man en de vrouw hebben ook het woord gevoerd, deels met bijstand van een tolk.
Beschikking is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
Feiten
Partijen zijn op 15 april 2014 in Sint Maarten met elkaar getrouwd in gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.
Verzoeken bij het Gerecht
In dit geding heeft de vrouw de rechter verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
De man heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Hij heeft bij wijze van tegenverzoeken primair verzocht om partijen naar mediation of counseling te verwijzen in een poging het huwelijk te redden en subsidiair om de scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken.
Beslissingen van het Gerecht
Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de tegenverzoeken afgewezen.
Verzoek bij het Hof
In hoger beroep heeft de man meer subsidiair verzocht dat de rechter in geval van toewijzing van het echtscheidingsverzoek partijen gelast over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap, waarbij aan beide partijen de helft van de huwelijksgemeenschap wordt toebedeeld en waarbij wordt bepaald dat de partij die wordt overbedeeld, de andere partij daarvoor moet vergoeden.
Beoordeling door het Hof
Echtscheiding
Als de eisende echtgenoot onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij of zij, hoe ook, met de gedaagde echtgenoot niet meer kan samenleven, moet de rechter dit opvatten als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat (HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2222). In dit geval heeft de vrouw ook in hoger beroep met stelligheid bij de mondelinge behandeling volgehouden dat zij niet meer met de man kan en wil samenleven. De man heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het huwelijk desondanks niet duurzaam ontwricht zou zijn.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het Gerecht terecht het verzoek van de vrouw heeft toegewezen en terecht het primaire tegenverzoek van de man heeft afgewezen.
Scheiding van tafel en bed
Indien het huwelijk duurzaam is ontwricht en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren die nog minderjarig zijn, behoeft de echtgenoot die echtscheiding verlangt, geen genoegen te nemen met scheiding van tafel en bed. In dit geval verlangt de vrouw echtscheiding. Het subsidiaire tegenverzoek is daarom eveneens terecht afgewezen.
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap
De man heeft zijn meer subsidiaire tegenverzoek slechts enkele dagen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep ingediend. Hij heeft daarbij een gedetailleerd voorstel gedaan, gebaseerd op nieuwe stellingen, onderbouwd met producties. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het in het geheel niet eens zijn over de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De gemachtigde van de man verzette zich ertegen dat de vrouw producties in het geding zou brengen om haar visie op de verdeling te onderbouwen. Partijen lijken nog geen serieuze pogingen gedaan te hebben om tot overeenstemming te komen en zijn niet bij een notaris geweest. Indien het Hof het meer subsidiaire tegenverzoek in behandeling zou nemen, zouden partijen een instantie verliezen. Gelet op dit alles acht het Hof het meer subsidiaire tegenverzoek in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het Hof zal het daarom afwijzen.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. Het meer subsidiaire tegenverzoek dient te worden afgewezen. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het meer subsidiaire tegenverzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en E.W.A. Vonk, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 8 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.