Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202203288 – AUA2024H00194
Uitspraak: 15 september 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
beiden wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eiseressen in conventie,
verweersters in (voorwaardelijke) reconventie,
thans appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonende in [woonplaats],
3. de naamloze vennootschap
GOLDEN STRIP DEVELOPMENT N.V.,
gevestigd in Aruba,
in eerste aanleg gedaagden in conventie,
eisers in (voorwaardelijke) reconventie,
thans geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
gemachtigden: mrs. M.R. Hammoud en M.A. Ellis-Schipper.
Partijen worden hierna [appellant 1], [appellant 2], [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en Golden Strip genoemd.
[appellant 1] en [appellant 2] worden gezamenlijk [appellanten] genoemd.
[geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en Golden Strip worden gezamenlijk [golden strip c.s.] genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 11 september 2023 ingekomen verzoekschrift, met producties, hebben [appellanten] verzocht om vergunning voor afzonderlijk hoger beroep van het tussen partijen gewezen en op 30 augustus 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht), kosten rechtens.
Bij op 15 maart 2024 ingekomen schriftelijke reactie hebben [golden strip c.s.] verweer gevoerd tegen het verzoek.
Bij vonnis van 28 mei 2024, zaaknummer AUA2023H00157, heeft het Hof, verkort weergegeven, als volgt overwogen. Er is in dit geval geen vergunning nodig voor het instellen van het beoogde hoger beroep. Het verzoek wordt opgevat als een akte van hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven. [appellanten] dienen griffierecht bij te betalen. [golden strip c.s.] worden in de gelegenheid gesteld een memorie van antwoord in te dienen. Na dit vonnis heeft de zaak in hoger beroep een nieuw zaaknummer gekregen, namelijk AUA2024H00194.
Bij e-mail van 5 juni 2024 hebben [appellanten] bewijs van betaling van het aanvullende griffierecht overgelegd.
Bij op 8 juni 2024 ingekomen memorie, met producties 64 tot en met 69, hebben [golden strip c.s.] het hoger beroep van [appellanten] bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld, het incidenteel hoger beroep toegelicht en hun vordering in reconventie gewijzigd. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en verdere beslissingen zal geven, met veroordeling van [appellanten], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, met nakosten en rente.
Bij op 20 september 2024 ingekomen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, met producties 1 tot en met 14, hebben [appellanten] het incidenteel hoger beroep bestreden. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis gedeeltelijk zal bevestigen, met veroordeling van [golden strip c.s.], uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
Op 9 december 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. [appellanten] hebben op die datum een akte overlegging nadere producties ingediend, met producties 1 tot en met 7 (sommige producties hebben bijlagen) en een akte depot, met bijlagen 1 tot en met 4.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De (verdere) beoordeling
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
In 1980 is [erflater 1] (geboren in 1930, hierna: de erflater) in algemene gemeenschap van goederen getrouwd met [appellant 1] (geboren in 1954). Uit hun relatie, gewettigd door het huwelijk, zijn drie kinderen geboren: [appellant 2] (in 1977) en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (in 1978, een tweeling).
Op 13 november 1997 is Satra International N.V. (hierna: Satra) opgericht.
Over de aandelen in Satra vermelden de statuten in de oprichtingsakte onder meer:
Artikel 5
1. De aandelen luiden ter keuze van de aandeelhouder op naam of – mits volgestort – aan toonder (...).
2. Voor de aandelen op naam kunnen ten verzoeke van de aandeelhouder aandeelbewijzen worden uitgegeven. Voor de aandelen aan toonder worden aandeelbewijzen uitgegeven (...).
3. (...)
4. Op verzoek van de aandeelhouder kunnen aandelen op naam worden omgewisseld in aandelen aan toonder en omgekeerd.
Artikel 6
(...)
Artikel 7
1. De aandelen op naam worden ingeschreven in een register, dat door de directie wordt bijgehouden. (...)
Op 14 maart 2006 is Long Term Profits Ltd. (hierna: Long Term Profits) opgericht.
Op 30 januari 2007 is Golden Strip opgericht. De oprichtingsakte vermeldt op p. 1 [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] als oprichters. In art. 4 lid 1 van de oprichtingsakte staat dat het maatschappelijk kapitaal Afl. 50.000 bedraagt, verdeeld in 500 aandelen, waarvan honderd aandelen zijn geplaatst en zullen worden volgestort. Op p. 12 vermeldt de oprichtingsakte dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] tot directeuren worden benoemd en dat zij in het geplaatste kapitaal deelnemen voor vijftig aandelen elk. Een onderhandse akte van dezelfde datum vermeldt dat [geïntimeerde 2] de aandelen 1 tot en met 50 in Golden Strip verkoopt en overdraagt aan Satra. Een onderhandse akte van dezelfde datum vermeldt dat [geïntimeerde 1] de aandelen 51 tot en met 100 in Golden Strip verkoopt en overdraagt aan Satra.
Op of omstreeks 29 augustus 2007 hebben de erflater en [appellant 1] Afl. 1.050.000 geleend aan Golden Strip.
Bij akte van 8 januari 2008 heeft het Land Aruba een recht van erfpacht gevestigd op een perceel domeingrond van 5.745 vierkante meter aan de [wijk] (hierna: het recht van erfpacht). Bij dezelfde akte heeft het Land dit recht van erfpacht uitgegeven en geleverd aan Golden Strip.
In dit geding worden ook de volgende vennootschappen genoemd:
- C.F.L. International N.V. (hierna: CFL International), en
- Bonaire Management Center N.V. (hierna: Bonaire MC).
Op [datum] 2010 is de erflater overleden.
Op 11 mei 2011 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] Afl. 411.000 geleend bij Aruba Bank.
Bij beschikking van 2 oktober 2013, zaaknummer AR 2774/2011, heeft het Gerecht de verdeling van de nalatenschap van de erflater bevolen.
Ingevolge een beslagverlof van 29 juli 2020 zijn op verzoek van [appellanten] beslagen gelegd ten laste van Golden Strip.Vorderingen en beslissingen van het Gerecht
In dit geding hebben [appellanten] een groot aantal vorderingen ingesteld. Zij hebben die in eerste aanleg herhaaldelijk gewijzigd. [golden strip c.s.] hebben vorderingen in reconventie ingesteld, deels voorwaardelijk.
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht oordelen gegeven over de omvang van de nalatenschap. In het dictum heeft het Gerecht:
- vastgesteld dat bepaalde activa en passiva tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren;
- vastgesteld dat de waarde van een bepaalde woning in de nalatenschap moet worden ingebracht;
- een deel van het in conventie en in reconventie gevorderde afgewezen;
- de zaak naar de rol verwezen.
(Verdere) beoordeling door het Hof
In het principaal hoger beroep
Zoals het Hof bij vonnis van 28 mei 2024 heeft overwogen, is het vonnis van het Gerecht een deelvonnis en is het hoger beroep (mede) gericht tegen het eindvonnisgedeelte daarvan. Dat brengt niet alleen mee dat de appeltermijn meteen is gaan lopen, maar ook dat vervolgens de termijn voor indiening van de memorie van grieven is gaan lopen. Die termijn is niet verlengbaar. Het Hof heeft het verzoek van 11 september 2023 opgevat als een akte van hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven. Voor een nieuwe memorie van grieven is geen plaats. Hieraan doet niet af dat het Gerecht (ten onrechte) onder 5.64 van het vonnis waarvan beroep ervan is uitgegaan dat vergunning van het Hof vereist was voor het instellen van dit hoger beroep. Partijen mochten daar niet op afgaan. De hiervoor bedoelde regels van procesrecht zijn van openbare orde. Het Gerecht kan die regels niet opzijzetten.
Volgens het Arubaanse procesrecht mogen partijen in hoger beroep bij pleidooi hun reeds aangevoerde stellingen en verweren toelichten, verbeteren en aanvullen (vergelijk: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009, 3.1.2). Hierbij gelden de eisen van een goede procesorde. Met het standpunt van [appellanten] in de pleitnota in hoger beroep dat “nog (veel) meer zaken (...) in appèl aan de orde dienen te komen” verliezen [appellanten] die eisen uit het oog.
Het Hof is bevoegd, maar geenszins verplicht om in hoger beroep een bestreden vonnis buiten de grieven om te vernietigen (vergelijk: art. 281a Rv en HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6944, 3.3.2). Het Hof ziet ervan af deze bevoegdheid te gebruiken.
Het Hof zal dus uitgaan van hetgeen in het verzoek van 11 september 2023 (hierna aan te duiden als: de memorie van grieven) voldoende kenbaar als grief naar voren is gebracht, zoals [appellanten] dat binnen de eisen van een goede procesorde bij pleitnota hebben toegelicht, verbeterd en aangevuld.
In de memorie van grieven hebben [appellanten] onder 3 een opsomming gegeven van de randnummers van de overwegingen van het Gerecht waarmee zij het niet eens zijn. Die opsomming voldoet niet aan het vereiste dat een grief voldoende kenbaar moet zijn, zodat het Hof die passeert. Ook algemene verwijzingen naar de gedingstukken in eerste aanleg passeert het Hof.
Long Term Profits
Het Gerecht heeft onder 3.16 en onder 5.11 als onbetwist vastgesteld dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] sinds 17 maart 2010 eigenaar zijn van Long Term Profits. Onder 5.14.8 heeft het Gerecht geoordeeld dat niet in geschil is dat Long Term Profits niet tot de boedel behoort.
In het midden kan blijven of [appellanten] zich in eerste aanleg voldoende duidelijk op het standpunt hebben gesteld dat Long Term Profits tot de boedel behoort. Zij hebben dat in elk geval gedaan bij memorie van grieven. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat Long Term Profits de aandelen in Satra op 17 maart 2010 uitsluitend ten titel van beheer heeft ontvangen en dat art. 1090 BW van toepassing is.
Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat Long Term Profits niet tot de nalatenschap behoort. Indien Satra tot de nalatenschap behoort en Long Term Profits de aandelen in Satra uitsluitend ten titel van beheer heeft ontvangen, maakt dat Long Term Profits niet tot onderdeel van de nalatenschap. Art. 1090 (oud) BW biedt geen grondslag voor de stelling dat een goed tot een nalatenschap behoort. Voor het overige hebben [appellanten] niets gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat Long Term Profits tot de nalatenschap behoort.
Satra
[appellanten] hebben in eerste aanleg betoogd dat Satra (althans de economische eigendom van Satra) tot de nalatenschap behoort. Het Gerecht heeft dat betoog onder 5.12 weergegeven en onder 5.14.1-5.14.7 verworpen. Die verwerping kan als volgt worden samengevat.
(5.14.1) De aandelen in Satra stonden na een wijziging in het aandeelhoudersregister genoteerd op naam van CFL International. [appellanten] hebben onvoldoende onderbouwd dat CFL International de aandelen in Satra heeft gekocht van Bonaire MC. Zij hebben ook onvoldoende onderbouwd dat Bonaire MC op 20 maart 2002 (nieuwe) toonderaandelen heeft afgegeven aan CFL International, erflater en [appellant 1].
(5.14.2) Het Gerecht volgt [golden strip c.s.] in hun stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de aandelen in Satra rond 1998/1999 van de erflater hebben gekregen om vanuit Satra hun beginnende zakelijk activiteiten te ontplooien. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat die aandelenoverdracht niet rechtsgeldig is.
(5.14.3) [appellanten] hebben betoogd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich de aandelen in Satra oneigenlijk hebben toegeëigend door na het overlijden van de erflater een boodschappentas op te halen waarin zich (onder meer) de originele aandeelbewijzen bevonden. Dit betoog treft geen doel. Aangenomen moet worden dat de aandelen bij leven van de erflater al op naam van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren gezet en dat de erflater daarvan op de hoogte was.
(5.14.4) [appellanten] hebben niet hun stelling onderbouwd dat Long Term Profits de aandelen slechts ten titel van beheer hield.
(5.14.5) [appellanten] hebben onvoldoende hun stelling onderbouwd dat (niet [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], maar) de erflater feitelijk de activiteiten binnen Long Term Profits en Satra ontplooide en de zeggenschap had.
(5.14.6) [appellanten] hebben hun stelling onvoldoende onderbouwd dat de activiteiten binnen Satra en Golden Strip en de verkrijging van het recht van erfpacht zijn gefinancierd met middelen uit de huwelijksgoederengemeenschap.
(5.14.7) De stelling van [appellanten] dat de erflater de economische eigendom had van Satra en Golden Strip, kan niet slagen. Satra (en Golden Strip en het recht van erfpacht) behoren niet tot de boedel.
Het Hof verenigt zich met de overwegingen 5.14.1-5.14.7 van het Gerecht.
In hoger beroep hebben [appellanten] stukken gedeponeerd die volgens hen de originele aandeelbewijzen van Satra zijn. Zij hebben gesteld dat zij die hebben teruggevonden in de woning waar [appellant 1] woont.
Indien de door [appellanten] gedeponeerde stukken inderdaad originele aandeelbewijzen zijn, geeft dat niet of nauwelijks nieuwe steun aan hun stellingen. Het Gerecht heeft onderkend dat de aandelen in Satra geregistreerd hebben gestaan als luidende aan toonder (overweging 5.14.1 verwijst naar productie 45 van [golden strip c.s.] waaruit die registratie blijkt). Het Gerecht heeft ook onder ogen gezien dat er aandeelbewijzen aan toonder voor die aandelen bestaan. [appellanten] hebben in eerste aanleg kopieën daarvan in het geding gebracht (productie 65). Het Gerecht heeft echter geconcludeerd dat tijdens het leven van de erflater is besloten deze aandelen op naam van CFL International N.V. te zetten en uiteindelijk op naam van Long Term Profits. Art. 5 lid 4 van de statuten van Satra laat ook toe dat aandelen aan toonder worden omgewisseld in aandelen op naam. Voor de vraag of Satra tot de nalatenschap behoort, is daarom niet van doorslaggevend belang wie de originele bewijzen van de toonderaandelen nu onder zich heeft. Het is mogelijk dat de originele aandeelbewijzen zich bij waardepapieren bevonden die de erflater ergens bewaarde. Niettemin moet in de verhoudingen tussen Satra en degenen die krachtens wet of statuten bij Satra zijn betrokken, worden aangenomen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de aandelen in Satra rond 1998/1999 van de erflater hebben gekregen, gelet op al hetgeen het Gerecht heeft overwogen onder 5.14.1-5.14.7. Dit moet dus worden aangenomen in de verhouding tussen [appellanten] en [golden strip c.s.]
Lening bij Aruba Bank
[golden strip c.s.] hebben gesteld dat een lening van Afl. 411.000 bij Aruba Bank als schuld tot de boedel behoort. Het Gerecht heeft dat aangenomen. Verkort weergegeven heeft het Gerecht overwogen (onder 5.31) dat de stelling steun vindt in een mail van 6 juli 2010 van Aruba Bank aan [geïntimeerde 1], een mail van 9 november 2010 van [geïntimeerde 2] aan [appellant 1], het contract (credit facilities agreement) waarbij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 11 mei 2011 de lening bij Aruba Bank zijn aangegaan en het daarin omschreven doel van de lening (purpose of facility). Het Gerecht acht onvoldoende onderbouwd dat de lening van 11 mei 2011 is aangegaan met het doel schulden van de erflater en [appellant 1] af te lossen die de erflater en [appellant 1] in 2004 voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren aangegaan.
De grief hiertegen faalt. Het Hof verenigt zich met overweging 5.31 van het Gerecht. Het Hof acht die overweging overtuigend. Hetgeen [appellanten] in hoger beroep hiertegen heeft ingebracht, is in het licht van die overweging onvoldoende onderbouwd.
Informatie over banksaldi
[golden strip c.s.] hebben onder meer gevorderd dat de rechter [appellanten] beveelt om bankafschriften in het geding te brengen. Het Gerecht heeft onder 5.61 overwogen dat deze vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen. Hierbij heeft het Gerecht overwogen dat ongeloofwaardig is dat [appellanten] zich niet de toegang kunnen verschaffen tot rekeningen die (mede) op naam van [appellant 1] staan.
Het Gerecht heeft deze overweging gegeven in het tussenvonnisgedeelte van het vonnis. Het heeft in het dictum geen bevel uitgesproken. Onder 5.61 heeft het Gerecht overwogen dat [appellanten] te zijner tijd in de gelegenheid zullen worden gesteld om bij akte opgave te doen van alle bankrekeningen die tot de boedel behoren en (mede) op naam van [appellant 1] staan en tevens per bankrekening bewijsstukken over te leggen met daarop het saldo per 10 juni 2010. Deze overweging houdt (nog) geen bevel in, maar een processuele instructie.
Het is aan [appellanten] om al dan niet te voldoen aan deze instructie van het Gerecht. Voor zover zij daartoe niet in staat zijn, lijken zij er verstandig aan te doen geschriften in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij hun best hebben gedaan. Het is verder aan het Gerecht om al dan niet gevolgen te verbinden aan hetgeen [appellanten] al dan niet doen in reactie op deze instructie van het Gerecht. Daarvoor is niet nodig dat het Hof zich thans uitspreekt over de geloofwaardigheid van de stelling van [appellanten] dat zij zich niet de toegang kunnen verschaffen tot rekeningen die (mede) op naam van [appellant 1] staan.
Toelating tot bewijs?
Het Hof heeft in de memorie van grieven geen bewijsaanbod aangetroffen en in de pleitnota van [appellanten] in hoger beroep slechts de opmerking dat zij het bewijsaanbod herhalen. Zij hebben onvoldoende concrete en relevante feiten gesteld om in hoger beroep tot bewijs te worden toegelaten.
Tussenconclusie
Het principaal hoger beroep slaagt niet.
In het incidenteel hoger beroep
Lening aan Golden Strip
Op of omstreeks 29 augustus 2007 hebben de erflater en [appellant 1] Afl. 1.050.000 geleend aan Golden Strip. Het Gerecht heeft in overweging 5.29 op grond van een schriftelijke verklaring van 4 december 2021 van de accountant van Golden Strip aangenomen dat een te betalen bedrag resteert van Afl. 1.024.578,23. [golden strip c.s.] hebben in eerste aanleg betoogd dat bedragen moeten worden afgetrokken van dit saldo. Het Gerecht heeft dat betoog verworpen. Hiertegen is het incidenteel hoger beroep van [golden strip c.s.] gericht.
[appellanten] hebben erkend dat Golden Strip een betaling van Afl. 50.000 heeft verricht, maar volgens hen is dat gebeurd op 12 maart 2009 (verzoekschrift, randnummer 23). Die datum ligt vóór de datum van overlijden van de erflater, [datum] 2010. [golden strip c.s.] hebben aangevoerd dat de door [appellanten] gestelde datum van betaling nergens uit blijkt. [golden strip c.s.] dragen echter zelf de stelplicht (en bewijslast) van feiten waaruit volgt dat deze betaling van het saldo moet worden afgetrokken, dus dat de betaling niet in de opstelling van de accountant is verdisconteerd. In het licht van de schriftelijke verklaring van de accountant hebben zij daartoe onvoldoende gesteld. In zoverre faalt het incidenteel hoger beroep.
Na het overlijden van de erflater heeft Golden Strip betalingen aan [appellant 1] verricht. Het Gerecht heeft overwogen dat [golden strip c.s.] onvoldoende hun stelling hebben onderbouwd dat deze betalingen strekten tot aflossing van de lening.
Uit de enkele omstandigheid dat de accountant van Golden Strip heeft verklaard dat de betalingen die Golden Strip na het overlijden van de erflater aan [appellant 1] heeft verricht, geboekt zijn als aflossing op de lening, kan niet worden afgeleid dat [appellant 1] redelijkerwijs moest aanvaarden dat de betalingen werden verricht ter aflossing op de lening en dus in mindering zouden strekken op het saldo daarvan.
Uit het partijdebat leidt het Hof af dat [appellant 1] de betalingen die hier aan de orde zijn, nodig had om in haar levensonderhoud te voorzien. Het betreft hier betalingen die in opdracht van de twee zoons van [appellant 1] aan haar zijn verricht. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [appellant 1] deze bedragen zou moeten terugbetalen of dat de betaling van deze bedragen invloed zou hebben op de omvang van de te verdelen nalatenschap. In het betoog van [appellanten] bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep onder 17-22 ligt een beroep hierop besloten. Daarom verenigt het Hof zich met het oordeel van het Gerecht dat deze betalingen niet van het saldo moeten worden afgetrokken.
De accountant heeft over een betaling van Golden Strip met betrekking tot een parkeerterrein verklaard dat deze betaling niet diende ter aflossing van de lening. [golden strip c.s.] hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij deze opmerking niet kunnen plaatsen. Dit is geen voldoende kenbare grief. Het Hof gaat er daarom niet op in.
Toelating tot bewijs?
Het Hof heeft in de gedingstukken van [golden strip c.s.] in hoger beroep slechts een algemeen bewijsaanbod aangetroffen. [golden strip c.s.] hebben onvoldoende concrete en relevante feiten gesteld om in hoger beroep tot bewijs te worden toegelaten.
Tussenconclusie
Het incidenteel hoger beroep slaagt niet. Hetgeen [golden strip c.s.] in hoger beroep hebben gevorderd ter wijziging van hun eis in reconventie, dient te worden afgewezen.
Slotsom
Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. Indien het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep gezamenlijk worden beschouwd, worden partijen over en weer op enige punten in het ongelijk gesteld. Verder zijn de procespartijen bloedverwanten in de rechte linie, of broer en zus (afgezien van een aan hen gelieerde naamloze vennootschap). De proceskosten in hoger beroep worden daarom gecompenseerd. De zaak zal naar het Gerecht worden verwezen voor voortprocederen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verwijst de zaak naar het Gerecht voor voortprocederen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.