Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202301115 – SXM2025H00042
Uitspraak: 29 september 2026 (in Curaçao)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eiser, thans appellant,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,
tegen
de stichting
MACCOW FOUNDATION,
gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon.
Partijen worden hierna [appellant] en Maccow genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Bij op 10 juni 2025 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 29 april 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint-Maarten.
Bij op 15 juli 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en een conclusie geformuleerd.
Bij op 4 september 2025 ingekomen memorie van antwoord heeft Maccow de grieven bestreden en een conclusie geformuleerd.
Op 13 mei 2026 heeft de gemachtigde van [appellant] pleitnotities ingediend en heeft de gemachtigde van Maccow verklaard af te zien van indiening van pleitnotities.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
De vordering van [appellant] strekt kennelijk primair ertoe dat de rechter vaststelt dat perceel [perceel 1] in eigendom aan hem toebehoort. Dat is een perceel met een aanzienlijke omvang, gelegen in Prince’s Quarter, Dutch Quarter, Sint-Maarten. Het is bebouwd met een woonwijk.
Subsidiair strekt de vordering kennelijk ertoe dat de rechter vaststelt dat de percelen [perceel 2], [perceel 3], [perceel 4] en [perceel 5] in eigendom toebehoren aan [appellant]. Volgens [appellant] heeft Maccow die percelen in gebruik. De grootte daarvan is niet gespecificeerd, maar wel lijkt uit de stukken te volgen dat deze percelen gelegen zijn in Prince’s Quarter, Dutch Quarter, Sint-Maarten en dat zij reeds sinds lange tijd bebouwd zijn met een of meer woningen. Volgens [appellant] maken die percelen geheel of gedeeltelijk deel uit van perceel [perceel 1].
Ook de bebouwing op perceel [perceel 1] en op de door Maccow gebruikte percelen behoort volgens [appellant] aan hem toe.
De vordering strekt verder tot ontruiming van de door Maccow gebruikte percelen en tot afgifte van alle inkomsten die Maccow heeft genoten uit verkoop, verhuur of lease van die percelen, op te maken bij staat.
De griffier stelt zich op het standpunt dat [appellant] een direct geldelijk belang bij zijn eis heeft dat kan worden gewaardeerd op een zo hoog bedrag dat het griffierecht moet worden getaxeerd op Cg 15.000, - (zie ook art. 7, 149, 151 en 160 Procesreglement 2026). Er is reeds Cg 900,- geheven en betaald. Er dient dus Cg 14.100, - te worden nageheven.
[Appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld het nageheven bedrag te betalen. De zaak zal naar de rol van het Hof van 21 oktober 2026 in Sint-Maarten worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellant]. Aan de akte dient bewijs van betaling van het nageheven bedrag te worden gehecht.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
Verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2026 in Sint-Maarten voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellant];
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.