Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202303628 – CUR2025H00029
Uitspraak: 13 oktober 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
INTERNATIONAL INSURANCE COMPANY N.V.,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellante,
gemachtigde: mr. E. Bokkes,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in [woonplaats],
in eerste aanleg eisers, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.M. Faria.
Partijen worden hierna IIC en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
In dit geding maakt een voormalig lid van de raad van commissarissen van een vennootschap (een verzekeringsmaatschappij) aanspraak op vergoeding van haar werkzaamheden.
Het Gerecht heeft de vordering grotendeels toegewezen.
In dit hoger beroep komt het Hof tot dezelfde uitkomst.
Aan de orde is onder meer de vraag of het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap rechtsgeldig de bezoldiging van de leden van de raad van commissarissen heeft vastgesteld, en zo ja, of de onbetaald gebleven bezoldiging later rechtsgeldig (gedeeltelijk) is kwijtgescholden.
2. Het verloop van de procedure
Bij op 21 februari 2025 ingekomen akte van appel is IIC in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao.
Bij op 4 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft IIC zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met haar veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
Bij op 4 juni 2025 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, kosten rechtens.
Op 18 augustus 2026 is de zaak bepleit ten overstaan van het Hof. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft vooraf aanvullende producties toegezonden. Aan de zijde van IIC zijn verschenen:
- [ betrokkene 1], lid van de raad van commissarissen,
- [ betrokkene 2], bestuurder,
- de gemachtigde.
[Geïntimeerde] is verschenen met haar gemachtigde.
Beide gemachtigden hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities, waarvan exemplaren zijn overgelegd. Alle verschenen personen hebben het woord gevoerd. Vragen van het Hof zijn beantwoord.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
3. De beoordeling
Feiten
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
IIC is een verzekeringsmaatschappij die is opgericht in 2007.
In 2014 is IIC onder toezicht gesteld van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS). Hiertoe heeft de CBCS een silent trustee aangesteld die het toezicht uitvoerde.
In 2015 zijn de statuten van IIC gewijzigd. Sindsdien bepalen de statuten onder meer (over de supervisory board, de raad van commissarissen, hierna: de RvC):
SUPERVISION
Article 18
1. The supervision on the Management Board conducted by the management directors and the rendering of advice to said Board, is entrusted to a Supervisory Board, consisting of a number, to be determined by the general meeting of shareholders, of at least three members.
2. (...)
5. In order to prove a resolution of the Supervisory Board toward third parties, the signature of one Supervisory Board member shall suffice.
6. (...)
7. Supervisory directors may receive an annual remuneration to be determined by the general meeting of shareholders, and they are furthermore entitled to reimbursement of the travel-, accommodation- and other expenses incurred by them in view of the execution of their tasks and duties on behalf of the company, shall be reimbursed to them.
Met ingang van 1 juli 2017 is [geïntimeerde] benoemd tot lid van de RvC.
Bij e-mail van 14 december 2017 IIC is het volgende medegedeeld aan [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]), [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) en [geïntimeerde], met cc aan [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) en iemand die gebruik maakt van het e-mailadres [email]:
Good Afternoon
Dear All.
According to what communicated on 5th december 2017, regarding compensation for the Supervisory Board members of [IIC], we received a comfort letter by ACC partners regarding guidance notes for the supervisory board of supervised financial institutions and summary of best practice guidelines, that indicated as normal practice in Curacao for small institutions the compensation for SB members is Between Ang 1,000.00 and Ang 1.500,00.
This is why the Board of Director of IIC decided to compensate the Supervisory Board Members with the total amount of Ang 1.200,00 per each month of effective responsibilities involved by the members.
Best Regards.
in the name of Board of Directors.
..
[betrokkene 7]
Executive Assistant
World Trade Center Curaçao
phone (...)
cel (...)
e. [email]
In februari of april 2018 heeft [geïntimeerde] een betaling van NAf 7.200 van IIC ontvangen als vergoeding voor haar werkzaamheden als lid van de RvC in de periode juli tot en met december 2017.
Op 29 januari 2021 heeft de RvC vergaderd met:
- [ betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]);
- [ betrokkene 8];
- [ betrokkene 9];
- [ betrokkene 10] (via de telefoon).
Van die vergadering zijn notulen (minuta) opgemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het Gerecht op 22 november 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van IIC per e-mail een ondertekende versie van deze notulen toegezonden. Bij de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] een kortere, niet-ondertekende versie van deze notulen overgelegd. In beide versies staan [betrokkene 2] en [betrokkene 8] aangeduid als gerencia/accionistas (bestuur/aandeelhouders).
De notulen van een vergadering van 15 september 2021 vermelden onder meer:
MINUTA SUPERVISORY BOARD SEPTIEMBRE 2021
En el día de hoy, 15 de Septiembre 2021, se reunieron en el World Trade Center Curacao los siguientes accionistas y supervisores del Board (...).
Supervisory Board
[betrokkene 4]
[betrokkene 1]
[geïntimeerde]
Accionistas
[betrokkene 2]
[betrokkene 8]
Con el objeto de Aprobar la solitud hecha por parte de los accionistas al board en fecha 29/1/21 específicamente la referida a:
1. La Junta de accionista presentara un plan de capitalización de todas las acreencias a los accionistas y empresas relacionadas y propondrán un nuevo aporte de capital a la empresa, para lograr así liquidez bajo los estándares de CBCS. Bajo este mismo concepto los accionistas solicitan al Supervisory Board (SB):
a) Condonar todas la deudas por concepto de Supervisory board fee
al 31-12-2020.
b) Restructurar la remuneración de SB, a una dieta (cuota) por reunión oficial de Ang. 1.500 por miembro y 5% de la ganancia neta destribuida entre los miembros equivalentes.
Llevar a 0 la deuda con SB al 31/12/2020 (Acuerdo con el SB) y desde el 2021 los fee de accionista serán Ang 1.500 por reunión (dieta) (no por mes)
Deliberando los puntos anteriormente señalados los miembros del supervisor de board los aprueban condonándose las deudas al 31/12/2020, y estructurando la remuneración a una cuota por renión oficial de Ang. 1.500 por miembro y 5% de la ganancia neta distribuida entre los miembros equivalentes.
Terminada la presente sesión se elabora el acta firma el presidente del Bord en representación de la Junta.
(...)
Ver adjunto:
(1) Minuta de reunión de fecha 29/1/2021
Vrij vertaald door het Hof:
NOTULEN RAAD VAN COMMISSARISSEN SEPTEMBER 2021
Vandaag, 15 september 2021, kwamen de volgende aandeelhouders en leden van de van de Raad van Commissarissen bijeen in het World Trade Center Curaçao (...).
Raad van Commissarissen
[Betrokkene 4]
[Betrokkene 1]
[geïntimeerde]
Aandeelhouders
[Betrokkene 2]
[Betrokkene 8]
Met het doel de aanvraag goed te keuren die door de aandeelhouders op 29-01-21 bij het bestuur is ingediend, specifiek met betrekking tot:
1. De algemene vergadering van aandeelhouders zal een kapitalisatieplan indienen betreffende alle vorderingen op de aandeelhouders en gelieerde bedrijven en zal een nieuwe kapitaalinjectie in het bedrijf voorstellen, om op deze manier liquiditeit te bereiken volgens de standaarden van de CBCS. Onder ditzelfde concept vragen de aandeelhouders aan de Raad van Commissarissen (RvC):
a) Alle schulden in verband met vergoedingen voor de leden van de RvC tot 31 december 2020 kwijt te schelden.
b) De vergoeding voor de leden van de RvC te wijzigen in een vergoeding (honorarium) per officiële vergadering van NAf 1.500 per lid en 5% van de nettowinst, gelijkelijk te verdelen onder de leden.
De schuld aan de RvC per 31 december 2020 op nihil zetten (overeenkomst met de RvC) en vanaf 2021 zullen de aandeelhoudersvergoedingen NAf 1.500 per vergadering (honorarium) zijn (niet per maand).
Nadat de eerder genoemde punten zijn besproken, keuren de leden van de raad van commissarissen dit goed en worden hun schulden per 31 december 2020 kwijtgescholden, en wordt de beloning gewijzigd in een vergoeding per officiële vergadering van NAf 1.500 per lid en 5% van de nettowinst, gelijkelijk te verdelen onder de leden.
Na afloop van deze vergadering worden de notulen opgesteld en ondertekend door de voorzitter van het bestuur namens het bestuur.
(...)
Zie bijlage:
(1) Notulen van de vergadering van 29 januari 2021
Bij deze vergadering was [geïntimeerde] niet aanwezig. Deze notulen zijn ondertekend door alle in de kop van de notulen genoemde personen, behalve door [geïntimeerde]. De ruimte voor ondertekening door [geïntimeerde] is leeg gebleven.
Op 6 mei 2022 heeft [geïntimeerde] een betaling van NAf 7.500 van IIC ontvangen. Op 16 juni 2022 heeft zij een tweede betaling van NAf 7.500 van IIC ontvangen.
Met ingang van 1 juli 2022 is [geïntimeerde] ontslagen als lid van de RvC.
Bij factuur van 4 juli 2022 heeft [geïntimeerde] NAf 39.000 bij IIC in rekening gebracht als vergoeding voor haar werkzaamheden als lid van de RvC in de periode januari 2018 tot en met september 2021. Het gefactureerde bedrag is berekend als NAf 1.200 per maand, met aftrek van de betalingen van 6 mei 2022 en 16 juni 2022.
In 2023 is het toezicht van de CBCS op IIC geëindigd.
Een uittreksel uit het handelsregister van 8 november 2023 vermeldt als functionarissen bij IIC:
[Betrokkene 2] en [betrokkene 8], bestuurders;
[Betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5], leden van de RvC.
[Betrokkene 4] heeft schriftelijk verklaard dat hij sinds 26 augustus 2024 een van de managing directors is (en geen lid meer is van de RvC).
[Betrokkene 6] heeft schriftelijk verklaard dat hij in 2017 als meerderheidsaandeelhouder van IIC is benoemd, maar dat de CBCS die benoeming later heeft teruggedraaid.
[Betrokkene 3] heeft schriftelijk verklaard dat hij vanaf 2017 tot 3 april 2018 lid (voorzitter) van de RvC was.
Vorderingen
In dit geding heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van NAf 39.000 (het op 4 juli 2022 gefactureerde bedrag), met buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en wettelijke rente.
Beslissingen van het Gerecht
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering toegewezen tot NAf 38.700 in hoofdsom en NAf 1.875 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het Gerecht heeft IIC in de proceskosten veroordeeld en wettelijke rente toegewezen.
Het Gerecht heeft hiertoe het volgende overwogen, verkort weergegeven. [Geïntimeerde] was niet aanwezig op de vergadering van 15 september 2021 en is toen dus niet akkoord gegaan met kwijtschelding van de uitstaande vergoedingen, die toen voor haar onbetwist NAf 43.200 in totaal bedroegen. De aanwezigen bij die vergadering konden niet mede namens [geïntimeerde] besluiten tot de kwijtschelding en mochten niet aannemen dat [geïntimeerde] met de kwijtschelding instemde (4.3). Op 15 september 2021 is voor de periode vanaf 1 januari 2021 besloten tot een vergoeding van NAf 1.500 per vergadering. De algemene vergadering van aandeelhouders was bevoegd om dat te besluiten, ook zonder instemming van [geïntimeerde]. Haar afwezigheid op die vergadering doet daar niet aan af (4.4).
De door het Gerecht toegewezen hoofdsom is als volgt opgebouwd (in NAf):
36 maanden x 1.200 per maand 43.200
7 vergaderingen x 1.500 per vergadering 10.500
AF: 2 betalingen x 7.500 per betaling af: 15.000
---------------
Saldo 38.700
Beoordeling door het Hof
Alle grieven zijn gericht tegen de toewijzing van een vergoeding van NAf 1.200 per maand over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020.
IIC heeft aangevoerd dat de e-mail van 14 december 2017 niet namens IIC is verstuurd en dat [geïntimeerde] ook niet redelijkerwijs mocht aannemen dat die e-mail namens IIC is verstuurd.
In de e-mail van 14 december 2017 staat “in the name of Board of Directors”. De mail is dus (bevoegdelijk of onbevoegdelijk) namens het bestuur van IIC verstuurd. De e-mail vermeldt niet dat de afzender, [betrokkene 7], (hierna: [betrokkene 7]) zelf heeft besloten dat IIC een vergoeding van NAf 1.200 per maand aan de leden van de RvC toekent, maar dat “the Board of Director” dat heeft besloten. De mededeling van [betrokkene 7] is niet geformuleerd als een voorstel van [betrokkene 6], maar als een besluit van het bestuur van IIC.
Ter beoordeling staat ten eerste of [geïntimeerde] heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat [betrokkene 7] bevoegd was namens het bestuur van IIC dit besluit aan [geïntimeerde] mee te delen, en ten tweede of [geïntimeerde] heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat deze mededeling van [betrokkene 7] juist was en dat het bestuur van IIC het door [betrokkene 7] beschreven besluit dus had genomen.
De eerste vraag beantwoordt het Hof bevestigend. Blijkens producties die [geïntimeerde] voor het pleidooi in hoger beroep heeft toegezonden, verzond [betrokkene 7] op 1 februari 2017 en 19 april 2017 uitnodigingen voor vergaderingen van de RvC en verspreidde zij op 18 juli 2017 en 8 november 2017 stukken onder de leden van de RvC, te weten een brief van De Nederlandsche Bank en informatie van de silent trustee. In de schriftelijke verklaring van [betrokkene 6] wordt [betrokkene 7] aangeduid als the secretary to the general manager. Kennelijk heeft het bestuur van IIC [betrokkene 7] ingeschakeld om in 2017 werkzaamheden van een bestuurssecretaris of een directiesecretaresse te verrichten. Hiervoor hoeft [betrokkene 7] niet in loondienst bij IIC te zijn geweest en zij kan verbonden zijn geweest aan het World Trade Center Curaçao. [Geïntimeerde] mocht redelijkerwijs begrijpen dat [betrokkene 7] bevoegd was namens het bestuur van IIC aan [geïntimeerde] mede te delen wat het bestuur van IIC had besloten.
De tweede vraag beantwoordt het Hof ook bevestigend. IIC heeft onvoldoende feiten gesteld die kunnen meebrengen dat [geïntimeerde] wist of moest vermoeden dat de mededeling (mogelijk) onjuist was. De mededeling van [betrokkene 7] sluit aan op een e-mail van [betrokkene 6] van 5 december 2017 en een accountantsbrief van 12 december 2017. Hierbij is niet van belang dat de e-mail van 14 december 2017 vijf en half maanden na de toetreding van [geïntimeerde] per 1 juli 2017 is verzonden; mogelijk was er tot aan die mail onduidelijkheid over de vergoeding voor [geïntimeerde] (dat staat dan niet helemaal goed omschreven in het inleidend verzoekschrift onder 1). Ook is niet doorslaggevend dat [geïntimeerde] geweten moet hebben dat IIC in financieel zwaar weer verkeerde en dat een financiële injectie van [betrokkene 6]is uitgebleven; dat hoeft haar er niet van weerhouden te hebben om een compensatie voor haar werkzaamheden te verlangen en hoeft haar niet hebben doen vermoeden dat de mededeling van [betrokkene 7] onjuist was.
IIC is mogelijk niet aan het besluit van het bestuur gebonden, indien:
a. het bestuur van IIC niet bevoegd was dit besluit te nemen zonder instemming van de silent trustee,
b. die instemming niet was verkregen, en
c. [geïntimeerde] dit alles wist of behoorde te weten.
[Geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat aan deze voorwaarden is voldaan (memorie van antwoord onder 13 en 14). Zij heeft onder meer aangevoerd dat de CBCS een versterkte Governance-structuur verlangde. Dit past bij de statutenwijziging van 2015, waarbij de RvC is ingesteld, en bij de omstandigheid dat [geïntimeerde] is aangezocht en geschikt bevonden door de CBCS.
IIC heeft hiertegenover onvoldoende gesteld. De stelplicht en bewijslast rusten op haar. Hierbij slaat het Hof er acht op dat IIC niet heeft gespecificeerd welke bevoegdheden de silent trustee precies had en op basis van welke wetsbepaling hij die had (mogelijk art. 22 lid 2 Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994). Evenmin heeft zij enig geschrift van de CBCS of de silent trustee overgelegd. Indien voor betaling goedkeuring van de silent trustee nodig was, brengt dat nog niet mee dat ook instemming van de silent trustee nodig was voor het aangaan van betalingsverplichtingen. Nu IIC niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het Hof niet toe aan haar bewijsaanbod in dit verband (zie memorie van grieven onder 54).
Zoals het Hof bij het mondeling pleidooi aan de orde heeft gesteld, is blijkens de statuten niet het bestuur, maar de algemene vergadering van aandeelhouders van IIC bevoegd om de vergoeding van de leden van de RvC vast te stellen. [Geïntimeerde] heeft naar aanleiding van een vraag van het Hof daarover erop gewezen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 8] zowel bestuurder als aandeelhouder waren. IIC is daar verder niet op ingegaan. Daarom mocht [geïntimeerde] uit de mededeling van [betrokkene 7] niet alleen afleiden dat het bestuur van IIC had besloten een vergoeding van NAf 1.200 per maand aan de leden van de RvC toe te kennen, maar ook dat de algemene vergadering van aandeelhouders dat had besloten. Hiervoor is geen schriftelijk besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders nodig.
IIC heeft stellingen ingenomen over afspraken die IIC vóór 1 juli 2017 met [geïntimeerde] heeft gemaakt (memorie van grieven onder 31). Indien die stellingen juist zijn, mocht [geïntimeerde] uit de mail van 14 december 2017 afleiden dat het bestuur (en de algemene vergadering van aandeelhouders) alsnog had besloten een vergoeding van NAf 1.200 per maand aan de leden van de RvC toe te kennen.
De onbetwiste omstandigheid dat [geïntimeerde] in februari of april 2018 een betaling van NAf 7.200 van IIC heeft ontvangen als vergoeding voor haar werkzaamheden als lid van de RvC in de periode juli tot en met december 2017, is een aanwijzing dat besloten was een vergoeding van NAf 1.200 per maand toe te kennen. NAf 7.200 is immers gelijk aan zes keer NAf 1.200.
De omstandigheden dat de andere leden van de RvC (behalve [betrokkene 3]) geen aanspraak hebben gemaakt op een vergoeding van NAf 1.200 per maand, dat [geïntimeerde] tussen februari of april 2018 en mei 2022 geen vergoeding heeft ontvangen en dat de jaarrekeningen van IIC (zoals voorgelegd aan de RvC) geen vergoeding voor leden van de RvC vermelden, zijn onvoldoende voor een ander oordeel. Mogelijk kon IIC in die periode de vergoedingen niet betalen, maar dat brengt niet mee dat [geïntimeerde] geen aanspraak op vergoeding had.
De omstandigheid dat op de vergaderingen van 29 januari 2021 en 15 september 2021 is gesproken over kwijtschelding van per 31 december 2020 uitstaande vergoedingen voor de leden van de RvC, is een sterke aanwijzing dat IIC per 31 december 2020 dergelijke vergoedingen had uitstaan.
IIC heeft niet gesteld dat op de vergadering van 29 januari 2017 is besloten de per 31 december 2020 uitstaande vergoedingen voor de leden van de RvC kwijt te schelden. Indien [geïntimeerde] wist dat op die vergadering een voorstel van die strekking zou worden gedaan, zij bij het begin van die vergadering aanwezig was en zij niet tegen het voorstel heeft geprotesteerd, zijn die omstandigheden op zichzelf onvoldoende om eruit af te leiden dat [geïntimeerde] stilzwijgend ermee heeft ingestemd dat dit voorstel later zou worden aangenomen.
De notulen van de vergadering van 15 september 2021 maken voldoende aannemelijk dat de toen aanwezige leden van de RvC ermee hebben ingestemd dat de per 31 december 2020 uitstaande vergoedingen voor de leden van de RvC werden kwijtgescholden. De notulen lijken er ook op te wijzen dat het de bedoeling van de aanwezigen was ook [geïntimeerde] daaraan te binden. [Geïntimeerde] was niet aanwezig. Ter beoordeling staat of [geïntimeerde] aan de kwijtschelding gebonden is.
Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Als het daartoe bevoegde orgaan rechtsgeldig de bezoldiging van de leden van de RvC heeft vastgesteld, heeft elk van die leden een individuele aanspraak op de vennootschap tot betaling van die bezoldiging. De RvC is dan als collectief niet bevoegd om een dergelijke individuele aanspraak van een lid prijs te geven zonder instemming van dat lid. Het Hof is het dus niet eens met de andersluidende mening van de accountant in de door IIC overgelegde brief van 20 april 2022.
IIC heeft een beroep gedaan op art. 18 lid 5 van haar statuten. Dat beroep faalt. Die bepaling heeft betrekking op de wijze waarop bewezen kan worden dat de RvC een besluit genomen heeft, en niet op de vraag welke besluiten de RvC bevoegd is te nemen.
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. IIC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep;
Veroordeelt IIC in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Cg 375,93 aan verschotten en Cg 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.A. Saleh en M.W. Scholte, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, SintMaarten en van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.