ECLI:NL:OGHACMB:2026:291

ECLI:NL:OGHACMB:2026:291

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer AUA2025H00137
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGEAA:2025:117

Samenvatting

Aruba. Burengeschil. Verwijdering van een pier. Descente.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: AUA202202479 – AUA2025H00137

Uitspraak: 13 oktober 2026 (in Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en M.R.M. Rienkemeyer,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in [woonplaats],

in eerste aanleg eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. R.A. Wix en V.C. Perše.

Partijen worden hierna[appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Dit geding betreft een burengeschil met betrekking tot percelen aan het strand in Aruba. Het Gerecht heeft gedaagde veroordeeld om vergunningen aan te vragen om een deel van een pier te kunnen verwijderen.

In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of deze veroordeling in stand moet blijven. Het Hof gelast een descente.

2. Het verloop van de procedure

Bij op 23 juni 2025 ingekomen akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in de hoofdzaak gewezen en op 14 mei 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht), ECLI:NL:OGEAA:2025:117.

Bij op 25 juni 2025 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift heeft [appellante] een vordering ingesteld die ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

Bij op 4 augustus 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de (toegewezen) vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.

Bij vonnis van 8 augustus 2025, zaaknummer AUA2025H00139, heeft het Hof het schorsingsverzoek van [appellante] van 25 juni 2025 afgewezen.

Bij op 9 oktober 2025 ingekomen memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van[appellante] in de proceskosten.

Op 9 juni 2026 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. Beide partijen hebben daarbij producties in het geding gebracht.

Vonnis is bepaald op vandaag.

3. De beoordeling

Feiten

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

[Appellante] heeft in 2001 bebouwing op het adres [adres 1] in [land] gekocht. In 2009 heeft zij het recht van erfpacht verkregen op twee percelen te [adres 1] en [ADRES 2] (percelen [nummer] en [nummer]). Op de percelen is (onder meer) een woning met veranda gebouwd. Aan de strandzijde van de percelen bevinden zich twee stroken water in huurgrond, waarvan [appellante] rechthebbende is. Hier is een pier gebouwd.

[Geïntimeerde] heeft sinds 2011 het recht van erfpacht op een perceel domeingrond te [ADRES 3] (perceel [nummer]). Dit perceel is bebouwd (geweest). Tussen het perceel en de zeegrens bevindt zich een (niet direct aan zee grenzend) perceel domeingrond van 45 vierkante meter (perceel [nummer]). Sinds 2016 heeft [geïntimeerde] het recht van erfpacht op dit perceel.

De percelen van[appellante] grenzen aan de percelen van [geïntimeerde]. Tussen de percelen van[appellante] en [geïntimeerde] ligt een perceel van 9 vierkante meter, eigendom van het Land (perceel [nummer]). De woning van [appellante] is deels op dit perceel gebouwd.

De kadastrale situatie is als volgt (de in rood en blauw ingetekende bebouwing kan inmiddels zijn veranderd):

In 2013 heeft [appellante] de pier bij de woning zonder vergunning uitgebreid over water waarop zij geen huurrechten heeft.

[Geïntimeerde] heeft op 3 mei 2021 het Land verzocht handhavend tegen [appellante] op te treden, (onder meer) op de grond dat de pier zonder bouwvergunning is (uit)gebouwd en hinder voor [geïntimeerde] veroorzaakt.

Bij in kort geding gewezen vonnis van 8 oktober 2021, ECLI:NL:OGEAA:2021:545, heeft het Gerecht [appellante] onder meer veroordeeld om een deel van de pier te verwijderen.

[Appellant] heeft de vloer van een deel van de pier verwijderd.

Bij in kort geding gewezen vonnis van 26 januari 2022, ECLI:NL:OGEAA:2022:550, heeft het Gerecht [geïntimeerde] bevolen om de executie van een deel van het vonnis van 8 oktober 2021 te staken. Dit betreft onder meer het bevel om de pier gedeeltelijk te verwijderen. Het Gerecht heeft overwogen dat executie van dat deel van het vonnis een noodtoestand aan de zijde van [appellante] doet ontstaan, zodat voortzetting van de executie daarvan moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid.

Bij beschikking van 3 november 2023 heeft de Minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidszaken, Infrastructuur en Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna: de minister) beslist op het handhavingsverzoek van [geïntimeerde] van 3 mei 2021. Bij deze beschikking is [appellante] onder meer gesommeerd de pier te slopen. Aan deze beslissing ligt ten grondslag dat [appellante] niet in het bezit is van een bouwvergunning. Tegen deze beschikking heeft [appellante] bezwaar gemaakt.

Ten tijde van de conclusie van repliek had het Land meegedeeld dat het vooralsnog geen bestuursdwang zou uitoefenen.

Nadat het Gerecht in deze zaak het eindvonnis had uitgesproken, heeft de bestuursrechter bij het Gerecht bij uitspraak van 18 juni 2025 bepaald dat de minister binnen een bepaalde termijn een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar tegen de beschikking van 3 november 2023.

Beslissingen van het Gerecht

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende bevelen gegeven:

beveelt [appellante] om binnen vier (4) weken na betekening van dit vonnis een bouw-, sloop-, en/of aanlegvergunning aan te vragen en alle stukken en berekeningen met dat verzoek aan de betrokken dienst aan te leveren die nodig zijn om het deel van de pier dat op de foto van bijlage I bij dit vonnis is gelegen aan de (op de foto) linkerzijde van de met A aangeduide lijn, te kunnen verwijderen, een en ander op straffe van een dwangsom van Afl. 2.500,- per dag of deel daarvan dat[appellante] niet aan deze veroordeling voldoet en met een maximum van Afl. 100.000,-;

beveelt [appellante] om een kopie van de aanvraag met bijbehorende stukken binnen zeven (7) dagen na het indienen van de aanvraag aan [geïntimeerde] te doen toekomen, een en ander op straffe van een dwangsom van Afl. 1.000,- per dag of deel daarvan dat [appellante] niet aan deze veroordeling voldoet en met een maximum van Afl. 25.000,-.

Beoordeling door het Hof

De grieven 1 en 2 hebben betrekking op de feitenvaststelling. Hiermee heeft het Hof hiervoor onder 3.1.1-3.1.12 rekening gehouden.

Hetgeen [appellante] onder 21 als toelichting op grief 3 heeft aangevoerd, faalt. Het Hof verenigt zich met de daar aangevallen laatste volzin van rov. 4.2 van het vonnis waarvan beroep. Indien de pier onrechtmatige hinder oplevert en daarom gedeeltelijk dient te worden verwijderd, kan [geïntimeerde] verlangen dat[appellante] de vergunningen aanvraagt die nodig zijn voor die gedeeltelijke verwijdering.

Hetgeen [appellante] onder 22 als toelichting op grief 3 heeft aangevoerd, faalt ook. Het Hof is in deze bodemzaak niet gebonden aan hetgeen het Gerecht in kort geding heeft geoordeeld.

Grief 4 faalt. Terecht heeft het Gerecht het ontvankelijkheidsverweer in verband met de bestuursrechtelijke rechtsgang verworpen met verwijzing naar HR 18 december 1992, NJ 1994/139, ECLI:NL:HR:1992:ZC0808. Blijkens hetgeen de Hoge Raad in dat vonnis onder 4.1.3 heeft overwogen, is niet van belang dat [geïntimeerde] gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang. De omstandigheid dat[appellante] bij beschikking van 3 november 2023 is gesommeerd de pier te slopen, maakt niet dat het ontvankelijkheidsverweer moet worden gehonoreerd, en ook niet dat [geïntimeerde] geacht moet worden geen belang (meer) te hebben bij haar vordering bij de civiele rechter. Een bevel van de civiele rechter, versterkt met dwangsommen, levert een extra prikkel op. Dit geldt temeer nu het Land heeft meegedeeld dat de uitvoering van de bestuursdwang vooralsnog wordt aangehouden.

Indien het perceel van [geïntimeerde] langdurig onbebouwd is gebleven, ook nadat [geïntimeerde] een bouwvergunning had verkregen, kan uit die omstandigheid niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] geen belang bij haar vordering heeft en op die grond niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

De eerste grief 5 stelt de vraag aan de orde of de pier onrechtmatige hinder veroorzaakt. Het Hof houdt ieder oordeel hierover aan. Het Hof zal een descente gelasten om de situatie ter plaatse op te nemen. Bij de descente kunnen ook de nieuwe ontwikkelingen besproken worden die beschreven zijn in de pleitnota’s in hoger beroep, en hetgeen daarna nog is gebeurd.

In het midden kan blijven of het Gerecht meer of anders heeft toegewezen dan [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gevorderd. In hoger beroep vordert [geïntimeerde] immers bevestiging van het bestreden vonnis. Voor zover dat een eiswijziging inhoudt, is die eiswijziging toelaatbaar. Indien het Hof het bestreden vonnis bevestigt, is dat dus niet meer of anders dan hetgeen [geïntimeerde] in hoger beroep verlangt. De tweede grief 5 faalt in zoverre bij gebrek aan belang.

Over het bij de tweede grief 5 gedane verzoek om een nadere termijn om aan de bevelen van het Gerecht te voldoen, houdt het Hof ieder oordeel aan.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

gelast een plaatsopneming en bezichtiging ter plaatse op een nader te bepalen dag en uur op 7 of 8 december 2026;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en M.W. Zandbergen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand