ECLI:NL:OGHACMB:2026:292

ECLI:NL:OGHACMB:2026:292

Instantie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer SXM2011H00002
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Sint Maarten; verwijzing na cassatie ( ECLI:NL:HR:2016:1438). Rechterlijke grensbepaling (art.5:47 BW). Deskundigenbenoeming.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers:

Eerste aanleg: AR 49/2010

Hoger beroep en verwijzing na cassatie: H280/12 en SXM2011H00002

Uitspraak: 26 augustus 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS NA CASSATIE EN VERWIJZING

in de zaak van:

de erfgenamen van [APPELLANTEN],

wonende in [woonplaats],

appellanten in het principale appel,

tevens geïntimeerden in het voorwaardelijke incidentele appel,

gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,

tegen

de erfgenamen van [GEÏNTIMEERDEN],

wonende in [woonplaats],

geïntimeerden in het principale appel,

tevens appellanten in het voorwaardelijke incidentele appel,

gemachtigde: mr. S.R. Bommel.

Partijen worden hierna de erven [Appellanten] en de erven [geïntimeerden] genoemd.

1. Het verdere verloop van de procedure

Deze zaak gaat over de vraag wie de eigendom heeft van een bepaald perceel. Het Hof is in een vonnis van 7 november 2014 overgegaan tot rechterlijke grensbepaling op grond van artikel 5:47 BW. De Hoge Raad heeft in een arrest van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1438) dat vonnis van het Hof vernietigd met als motivering dat voor rechterlijke grensbepaling pas plaats is, indien geen van partijen zich beroept op een bepaalde loop van de grens of als de gestelde loop van de grens niet kan worden bewezen. Het Hof beoordeelt de zaak na verwijzing opnieuw en benoemt een deskundige.

2. Het verdere verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot 7 november 2014 verwijst het Hof naar zijn vonnis van die datum (hierna: het Hofvonnis uit 2014, gepubliceerd als ECLI:NL:OGHACMB:2014:114). Bij dat vonnis heeft het Hof het vonnis vernietigd van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) van 28 juni 2011, heeft de grenzen tussen de landerijen van partijen vastgesteld op bepaalde wijze en een verklaring voor recht gegeven dat de onroerende zaken beschreven in de meetbrieven no.[perceel nummer 2] en [perceel nummer 1] deel uitmaken van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [Appellanten], met veroordeling van de erven [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties.

Bij arrest van 8 juli 2016 (gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2016:1438) heeft de Hoge Raad het vonnis van het Hof vernietigd en het geding naar het Hof teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing.

Partijen hebben ieder aktes na cassatie genomen (met producties); de erven [geïntimeerden] op 15 januari 2025 en de erven [Appellanten] op 19 maart 2025. De erven [geïntimeerden] hebben zich bij akte van 14 mei 2025 uitgelaten over de door de erven [Appellanten] overgelegde producties.

Het Hof heeft een mondelinge behandeling van de zaak gehouden op 17 maart 2026 in Sint Maarten. Van die zitting is een proces-verbaal gemaakt, dat aan partijen is gestuurd. Ter zitting zijn verschenen vertegenwoordigers van partijen bijgestaan door hun gemachtigden. Het Hof heeft met partijen het voornemen besproken een deskundige te benoemen en heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen.

Partijen hebben dat gedaan door ieder een akte te nemen (met producties) op 16 juni 2026.

De erven [Appellanten] hebben op 2 juli 2026 een aanvullende akte genomen met drie producties. Na een toelichting van het verzoek door mr. Merx en bezwaar daartegen van mr. Bommel heeft het Hof het indienen van deze akte met producties toegestaan.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De feiten

De gronden van de erven [geïntimeerden] en de erven [Appellanten], gelegen op[adres] te Sint Maarten, grenzen aan elkaar. [Geïntimeerden] (hierna: erflater [geïntimeerden]) heeft gronden aangekocht in 1936 en 1937 (dat blijkt uit notariële akten van 29 augustus 1936 en 16 augustus 1937, overgelegd door de erven [geïntimeerden] bij akte na cassatie als productie 3, hierna: de notariële akten [nummer]).

Tussen partijen is in geschil of een perceel, beschreven door het Kadaster in een meetbrief met no. [perceel nummer 1] (hierna: het perceel) eigendom is van de erven [geïntimeerden] dan wel van de erven [Appellanten]. Die meetbrief [perceel nummer 1] is overgelegd door de erven [geïntimeerden] bij akte na cassatie als productie 2 en luidt onder meer als volgt:

“This parcel of land is situated on the Island of St. Maarten, Netherlands Antilles, in the district of Cul de sac at the[address] and forms the parcel of land of the Heirs of Mr. [geïntimeerde]. It is bounded by the parcel of land of the Heirs of [Appellant], the lands of Mr.[betrokkene 1], by lands in the French division of the Island and by the public road (namely[address]), as shown on the attached plan.

Aard van het terrein en de bebouwing house and yard.

Grensverzekering rockwalls and iron rods Oppervlakte 8993 m² (…)

Zakelijk gerechtigde(n) The Heirs of Mr. [geïntimeerde] ”.

Op dit perceel, aan de noordkant, is door erflater [geïntimeerden] dan wel door zijn erven lang geleden (hoe lang precies is niet bekend) een woning gebouwd. Deze woning werd bewoond door een tante uit de familie [geïntimeerden]; zij is inmiddels overleden en het huis is onbewoond. Het stukje land rond deze woning is beschreven in een meetbrief met no. [perceel nummer 2] (dit stuk is tot nu toe niet overgelegd door partijen).

Een brief van het Kadaster van 7 mei 2008, gericht aan vertegenwoordigers van de erven [Appellanten] en van de erven [geïntimeerden] (overgelegd als productie 2 bij inleidend verzoekschrift bij het Gerecht) luidt onder meer als volgt:

“Recently Kadaster put some effort in researching the ownership situation on[adres] . The research focused mainly on the lands that are registered in two scabinal deed dated 14/8/1866 (#18 en #19). The lands that are transferred in this deed belong to [belanghebbende 1] (#18, 10.5 acres) and [belanghebbende 2] (#19, 2 acres).

Two issues are important and therefore we inform you on this:

(1) Of said property meetbrief [perceel nummer 1] (2 acres) was created, in which [geïntimeerden] (deed C17-4) was mentioned as the title holder. This is not correct. The lands of [geïntimeerden] are located a little more in western direction. This meetbrief has no deed, therefore changes are relatively easy to make.

The heirs of [geïntimeerden] are adviced to return their meetbrief and have it rectified.

(2) Another meetbrief was created from [Appellanten] property: meetbrief 409/1990 and later this meetbrief was divided. This meetbrief has a deed of prescriptive rights. Since we know of plans of (part of) the heirs to come to a division of the lands of [Appellanten], Kadaster is of the opinion that before it can make new meetbrieven in this area, further approval of a majority of the heirs is needed.”

Door het Kadaster is een nader onderzoek uitgevoerd naar de ligging van de grens tussen de gronden van de erven [geïntimeerden] en de erven [Appellanten]. Hiervan is op 1 juli 2009 een rapport opgemaakt (overgelegd als productie 3 bij inleidend verzoekschrift bij het Gerecht). Dit rapport luidt onder meer als volgt:

“A research was carried out into the cadastral situation of the western part of the former plantation Golden Rock Retreat on [adres].

In this report, an overview is given of subsequent deeds that changed the juridical situation. All the information presented is recorded in the public registers, certificates of admeasurement, or other documents in the possession of the Kadaster.

A difference is made between the information coming from the deeds that are registrered in the public registry (for which the Kadaster is responsible) and other documents such as the so-called “scabinale akten” that were registered before 1869. These documents contain valuable information, but no 100% certainty can be given. However, their content is presented in this report.

Information from the public registry

From 1869 until 2009 several deeds have been passed and registered with respect to ands on [address]. In chronological order: (….)

Information from the Scabinal deeds (…)

Conclusion

The results of this research have been put on a map. Keep in mind that some information is not 100% clear, and that deeds (especially from before 1869) could be missing. Furthermore, it is unclear what area the lands have that [geïntimeerden] has a share in. Originally, it was 2 acres, later the deeds referred to 3 acres. It is important to determine what should be right, because [geïntimeerden]/Buntin bounds to the west by [betrokkene 3].

(Hof: het rapport bevat hier een kaartje)

(…) This extensive research was done based upon available data at the Kadaster Office. However, it seems that pieces of the puzzle are missing. (…)

The problem seems to be the lands from [betrokkene 2]/ [betrokkene 3]/[geïntimeerden]. The only way to come to a solution for the division of [adres] would be that the families involved try to come to an agreement. Kadaster could assist in this by drafting a “boundary settlement” (grensregeling) based on the agreement reached. (…)”.

Een brief van het Kadaster van 7 februari 2011, gericht aan vertegenwoordigers van de erven [Appellanten] en van de erven [geïntimeerden] (overgelegd als productie 2 bij de conclusie van repliek bij het Gerecht) luidt onder meer als volgt:

“The Cadastre had a review of the ownership situation on[adres], with the focus on the lands registered and transferred in the scabinal deeds dated 14/8/1866 (#18 and #19). After the review of this, the Cadastre came to the same conclusion as was earlier reached, namely:

[geïntimeerden] had purchased from Buntin, in total 38/64 part of the land with an area of three acres, which was described as to be two acres in foregoing scabinal deeds. This land was bounded in the East by the lands of [Appellanten], in the West by the lands of [betrokkene 1], in the North by the public road and in the South by the boundary between the Dutch and the French divisions of the Island. Because of misinterpretations in the past, the [geïntimeerden] family occupied a piece of land that belongs to the lands of the [Appellanten], but their part of this land is located a little more in western direction. (….)”.

Voorafgaand aan het Hofvonnis heeft een descente plaats gevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Aan dat proces-verbaal zijn tekeningen gehecht die het Kadaster na de descente aan het Hof heeft toegezonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat het Hof de percelen [perceel nummer 1] (abusievelijk is vermeld [perceel nummer 2]) en [perceel nummer 2](waarop de woning is gebouwd) heeft bezichtigd in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de erven [Appellanten] ( [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ), bijgestaan door mr. Merx, een vertegenwoordiger van de erven [geïntimeerden] (de heer [betrokkene 2]), bijgestaan door mr. Bommel en van de heer [betrokkene 4] (hoofd van het Kadaster) en [betrokkene 5], landmeter. Dat proces-verbaal luidt onder meer als volgt:

“De heer [betrokkene 4] verklaart dat de meetbrief vermeld in de aanhangige procedure (Hof: bedoeld wordt meetbrief [perceel nummer 1]) verkeerd opgemaakt is. De gegevens waarop de meetbrief is gebaseerd, zijn verkeerd geïnterpreteerd door een eerdere onderzoeker. De woning waar het om gaat is gebouwd op land toebehorend aan de Erven [Appellanten]. De heer [belanghebbende 2] verklaart dat de erfgenamen van [Appellanten] aan de erfgenamen van appellanten (Hof: de erven [geïntimeerden]) hebben voorgesteld om een evenredige perceelruil te doen voor het erf waar de woning op staat, en wel spiegelbeeldig aan bedoeld erf, doch appellanten wilden de erfgenamen van [Appellanten] een stuk land in ruil geven aan de voet van de berg in plaats van naast de bestaande woning. Dit is onacceptabel voor de erfgenamen van [Appellanten].

De heer [betrokkene 4] verklaart aanwezig te zijn geweest bij de bespreking tussen partijen in 2008, betreffende de woning. Er is in die bespreking gezegd dat de oude dame niet hoefde te verhuizen en de door [belanghebbende 2] [Appellanten] bedoelde perceelruil is daar besproken. Het Kadaster was in de veronderstelling dat het probleem was opgelost.

De heer [betrokkene 2] verklaart dat hij ook bij de bespreking aanwezig is geweest maar dat de bespreking niet gegaan is zoals de heer [Appellanten] zegt. Verder geeft de heer [betrokkene 2] aan dat iemand namens de erfgenamen akkoord is gegaan zonder hen te kunnen vertegenwoordigen.

Mr. Bommel betoogt dat niet alle aktes bij elkaar zijn gelegd om de ligging van verschillende percelen te bepalen. Het onderzoek van het Kadaster is daarom niet doorslaggevend (…)”.

4. De voorafgaande procedure bij Gerecht, Hof en Hoge Raad

De erven [Appellanten] hebben bij het Gerecht gevorderd:

(i) voor recht te verklaren dat de vaststelling van de grenzen van hun landerijen door het Kadaster juist is, dan wel (ii) over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van deze grenzen.

De erven [geïntimeerden] hebben in reconventie voorwaardelijk verzocht te bepalen dat de grens tussen de gronden zal worden bepaald overeenkomstig de feitelijke grensafscheidingen (de aanwezige rockwalls of de resten daarvan, zoals aangegeven in meetbrief [perceel nummer 1]).

Het Gerecht heeft de erven [Appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering en is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

In hoger beroep hebben de erven [Appellanten] gevorderd dat (i) het Hof de grenzen zal vaststellen met inachtneming van de rapportages van het Kadaster, hiervoor genoemd in 3.4 en 3.5 en (ii) voor recht zal verklaren dat de percelen [perceel nummer 1] en [perceel nummer 2] toebehoren aan de erven [Appellanten]. De erven [geïntimeerden] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld (onder de voorwaarde dat het principaal appel slaagt) en hebben toewijzing van hun reconventionele vorderingen gevorderd.

Het Hof heeft na een tussenvonnis en de hiervoor genoemde descente op 7 november 2014 een eindvonnis gewezen. Het Hof is overgegaan tot grensvaststelling en heeft de vorderingen van de erven [Appellanten] toegewezen, met afwijzing van de vorderingen van de erven [geïntimeerden]. Het Hof heeft aan dat oordeel het volgende ten grondslag gelegd:

“2.4 In appel wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het GE A dat er geen sprake is van een onzekere grens en er daarom geen plaats is voor een vordering tot grensbepaling.

Op basis van de waarnemingen van het Hof bij de comparitie ter plaatse, de mededelingen van partijen aldaar en de uitleg van de medewerkers van het Kadaster aldaar blijkt dat het geschil wordt bepaald door de vraag of de grens tussen de gronden van partijen loopt langs de westelijke perceelgrens (standpunt erven [Appellanten]) of langs de oostelijke perceelgrens (standpunt erven [geïntimeerden]) van het perceel beschreven in meetbrief no.[perceel nummer 1] (productie 1 conclusie van antwoord). Volgens de erven [Appellanten] maakt dat perceel — een langwerpige, schuin gelegen strook grond lopend van de bovenkant van de heuvel tevens de grens met de Franse kant (de noordelijke perceelgrens) tot de [adres] bij de onderkant van de heuvel (de zuidelijke perceelgrens) — deel uit van hun ten oosten gelegen gronden en volgens erven [geïntimeerden] maakt deze deel uit van de aan hen toebehorende ten westen gelegen gronden (zie ook de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte afschriften van de kaarten waarvan de medewerkers van het Kadaster zich bij de comparitie hebben bediend). Anders gezegd is de vraag of deze strook grond verder naar het westen geprojecteerd had moeten worden, en wel een breedte van die strook verder. Het gaat immers om de grens tussen de gronden verkregen bij de scabinale akte van 8 mei 1867 (erven [geïntimeerden]) en de gronden verkregen bij scabinale akten van 14 augustus 1866 nrs. 18 en 19 (erven [Appellanten]).

Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in de meetbrief no. [perceel nummer 1] nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn, en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de erven [geïntimeerden] van hun gronden en volgens de ervan [Appellanten] van hun gronden, is er sprake van een onzekere grens.

2.7Aldus zal worden overgegaan tot gerechtelijke grensbepaling. Uit de rapporten c.q. brief van het Kadaster van 7 mei 2008, 1 juli 2009 en 7 februari 2011 (producties 2 en 3 inleidend verzoekschrift en productie 2 conclusie van repliek), alsmede de nadere toelichting van de medewerkers van het Kadaster bij de comparitie ter plaatse, blijkt helder dat meetbrief no.[perceel nummer 1] destijds verkeerd is opgemaakt en westelijker geprojecteerd had moeten worden, en wel zodanig dat de oostelijke perceelgrens had moeten lopen waar in die meetbrief de westelijke perceelgrens is geprojecteerd. Aldus kan worden geconstateerd dat het perceel met meetbrief no. [perceel nummer 1] deel uitmaakt van de onroerende zaak toebehorend aan de erven [Appellanten]. Nu het perceel met meetbrief no. [perceel nummer 2], waarop de woning van ‘de oude dame’ staat, deel uitmaakt van het perceel met meetbrief no. [perceel nummer 1] kan eveneens worden vastgesteld dat die woning is gebouwd op de onroerende zaak toebehorend aan de erven [Appellanten].

Het door de erven [geïntimeerden] gedane beroep op verjaring gaat niet op, alleen al niet omdat ingevolge artikel 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de eigenaar is niet geldt in het onderhavige geval. De vraag waaruit de bezitsdaden hebben bestaan voor het overgrote gedeelte van het perceel met meetbrief no. [perceel nummer 1] — naar de waarneming van het Hof een vol begroeid stuk natuur dat niet wordt gebruikt (het gehele perceel behalve het perceel waarop de woning van de oude dame staat (meetbrief no. [perceel nummer 2])) — behoeft dus niet meer te worden beantwoord.

De verwijzing door de erven [geïntimeerden] naar de verkrijgende titels van de aan hen op[adres] toebehorende gronden (producties 2 en 3 conclusie van antwoord) treft geen doel, nu daaruit niets blijkt omtrent de ligging en de afgrenzing van het litigieuze perceel omschreven in meetbrief no. [perceel nummer 1].”

De Hoge Raad heeft bij het hiervoor in 2.2 genoemde arrest van 8 juli 2016 het vonnis van het Hof vernietigd en het geding naar dit Hof teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft overwogen (in 3.3.2), kort weergegeven, dat voor een rechterlijke grensbepaling als bedoeld in artikel 5:47 BW pas plaats is indien geen van de partijen zich beroept op een bepaalde loop van een grens, of als de gestelde loop van een grens niet bewezen kan worden. In 3.3.3 overweegt de Hoge Raad dat de grenzen van het omstreden perceel niet in geschil zijn, maar dat partijen strijden over de vraag wie van hen de eigendom van het perceel heeft. De erven [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het perceel hun eigendom is en dat de grens van hun eigendom wordt bepaald door de langs het perceel lopende rockwalls. Daarnaast hebben zij zich erop beroepen dat het perceel door verkrijgende verjaring hun eigendom is geworden. De erven [geïntimeerden] hebben een bewijsaanbod gedaan voor deze stellingen. Gelet hierop heeft het Hof volgens de Hoge Raad ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 5: 47 BW.

5. De beoordeling

wat ligt voor na cassatie

De erven [geïntimeerden] beginnen hun akte na cassatie met een herhaling van hun betwisting van de bevoegdheid van [belanghebbende 2] om de erven [Appellanten] te vertegenwoordigen in deze procedure. Volgens de erven [geïntimeerden] bestaat er een dispuut daarover binnen de familie [Appellanten].

Over dit geschilpunt heeft het Hof in het eindvonnis van 7 november 2014 al een beslissing gegeven, te weten dat dit verweer verworpen wordt. Tegen deze beslissing (in r.ov 2.3) hebben de erven [geïntimeerden] geen cassatie ingesteld (alleen tegen r.ov 2.5 tot en met 2.9 en de daarop voortbouwende r.ov 2.11 en 2.12). Dat betekent dat deze beslissing onaantastbaar is geworden, ook al is het eindvonnis van het Hof vernietigd. Dit punt behoeft daarmee geen verdere behandeling.

De erven [geïntimeerden] hebben naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad hun (voorwaardelijk ingestelde) vorderingen in reconventie en daarmee in incidenteel hoger beroep gewijzigd. Zij vorderen nu dat het Hof voor recht verklaart primair dat de erven [geïntimeerden] de rechtmatige eigenaren zijn van het perceel [perceel nummer 1] en subsidiair dat de erven [geïntimeerden] door verkrijgende verjaring de eigendom hebben verkregen van dat perceel, met veroordeling van de erven [Appellanten] in de kosten van het geding. De erven [Appellanten] hebben zich niet verzet tegen deze eiswijziging, die voortvloeit uit het oordeel van de Hoge Raad en daarmee niet in strijd is met de eisen van goede procesorde.

Stellingen/verweren erven [geïntimeerden]

De erven [geïntimeerden] voeren het volgende aan. Zij zijn de rechtsopvolgers van [geïntimeerden] die in 1936 en 1937 percelen grond heeft aangekocht. In de notariële akten is een woordelijke omschrijving van de grenzen van die percelen opgenomen, als volgt: “(…) which piece of land is bounded as follows: On the South by the public road in the aforesaid district of Cul de Sac in the Netherland division of Saint Martin; on the East by the lands owned by [Appellanten]; on the North by the boundary line between the Netherland and French Division of Saint Martin and on the West by the lands of [betrokkene 1] (…)”.

Ten aanzien van de zuidgrens (de weg) en de noordgrens (de grens met het Franse deel van Sint Maarten) bestaat geen discussie; het gaat om de oost- en westgrens. In de akten zijn geen kaarten of afbeeldingen opgenomen die helpen om precies te bepalen waar de grenzen van de door [geïntimeerden] en [Appellanten] verkregen gronden liggen.

Die grenzen zijn echter steeds duidelijk geweest, ook voordat de erflater [geïntimeerden] de gronden aankocht, omdat die grenzen samenvielen met de zich ter plaatse bevindende rockwalls. In de meetbrief [perceel nummer 1], die de erven [geïntimeerden] als gerechtigden noemt, zijn die rockwalls en iron rods genoemd als grensverzekering van de percelen. Ook uit andere meetbrieven (uit 1990, opgesteld op verzoek van de erven [Appellanten] en uit 2001) blijkt dat de percelen toebehoren aan de erven [geïntimeerden] en niet aan de erven [Appellanten]. De erven [geïntimeerden] betwisten dat meetbrief [perceel nummer 1] foutief is opgemaakt, zoals het Kadaster heeft verklaard. Zij beroepen zich ook niet op meetbrieven, maar op de notariële akten [nummer] om hun eigendom van de percelen te staven. Het Kadaster heeft onvolledig onderzoek gedaan door die akten niet te betrekken bij zijn onderzoek.

De erven [geïntimeerden] hebben het perceel ook al die tijd in bezit. Vele tientallen jaren geleden hebben zij daarop een woning gebouwd die lange tijd bewoond is door “de oude dame”, uit de familie [geïntimeerden] (de tante genoemd in 3.3). De erven [geïntimeerden] doen daarom een beroep op verkrijgende verjaring. Zij willen het perceel verdelen onder de erven en daarop huizen bouwen.

De erven [geïntimeerden] bieden nu bewijs aan van hun stellingen door het laten opmaken van een rapport door een landmeter, waarbij deze kan onderzoeken of er inderdaad rockwalls aanwezig zijn waarmee het perceel is afgebakend van de ten oosten daarvan gelegen gronden van de erven [Appellanten]. Daarnaast hebben de erven [geïntimeerden] in de eerdere procedure voor het Hof (in de memorie van antwoord in principaal appel/memorie van grieven in incidenteel appel) bewijs aangeboden door getuigen van het feit dat zij al bijna gedurende een eeuw de percelen in zichtbaar en ongestoord bezit hebben en dat deze gronden gedurende al die tijd hun huidige feitelijke grensafbakeningen kennen in de vorm van rockwalls.

Stellingen/verweren erven [Appellanten]

De erven [Appellanten] stellen dat een van hun voorvaderen in 1866 de eigendom heeft verkregen van de omstreden percelen. Dit blijkt volgens hen uit twee zogenoemde scabinale akten, nummers 18 en 19 uit dat jaar (overgelegd bij de akte van de erven [Appellanten] van 16 juni 2026 als productie 5 (uitgetypte versie) en productie 1 bij akte van 2 juli 2026 (geschreven versie)). De erven [Appellanten] wijzen daarnaast op historische literatuur (een boek genaamd People of Cul de Sac, vermeld in een noot op p.3 van dezelfde akte van 16 juni 2026). Het feit dat de oude dame uit de familie [geïntimeerden] een huis heeft gebouwd op het perceel van [Appellanten] kan niet afdoen aan de eigendom van de erven [Appellanten].

De erven [Appellanten] betwisten de stellingen van de erven [geïntimeerden] dat zij eigenaar zijn van het perceel. Uit de notariële akten [nummer] blijkt niets over de ligging en afgrenzing van het perceel. De erven [geïntimeerden] kunnen zich niet beroepen op verjaring, want daarbij is van belang dat er bezitsdaden zijn gepleegd, die duidelijk zichtbaar moeten zijn voor de buitenwereld. Het bouwen van een huis door de oude dame uit de familie [geïntimeerden] levert hooguit een gebruiksrecht voor haar op. De grensafscheiding door rockwalls zou alleen duidelijkheid kunnen verschaffen als er op de grond duidelijk zichtbare activiteiten waren ondernomen door de erven [geïntimeerden], zoals landbouw of veeteelt. Daarvan is geen sprake, het betreft een ongecultiveerd en ontoegankelijk stuk land. Het Hof heeft dat al geconstateerd tijdens de descente en vastgelegd in het eindvonnis uit 2014 (in 2.8) en die situatie is nog steeds zo. Dit wordt bevestigd door cameraopnamen met een drone (overgelegd door de erven [geïntimeerden] bij akte na cassatie als productie 2) waarop geen rockwalls te zien zijn. Dit blijkt ook uit de schriftelijke verklaring van een getuige (productie 1 bij diezelfde akte), geboren in 1938, die het land uit zijn jeugd alleen maar kent als een onbebouwde wildernis en verklaart dat onlangs opnieuw ditzelfde geconstateerd heeft. De erven [geïntimeerden] willen het perceel ontwikkelen door daarop een waterpark te bouwen.

Juridisch kader bewijslevering

Het Hof moet op grond van het arrest van de Hoge Raad eerst de vraag beantwoorden of het mogelijk is in dit geval de (juiste) grens aan te wijzen. De erven [geïntimeerden] voeren aan dat de grens wordt bepaald door de ligging van de rockwalls en bieden daarvan bewijs aan door het laten opmaken van een rapport door een landmeter, waarbij deze kan onderzoeken of er inderdaad rockwalls aanwezig zijn waarmee het perceel is afgebakend van de ten oosten daarvan gelegen gronden van de erven [Appellanten].

De aanwezigheid en ligging van de rockwalls is alleen van belang indien op het op die wijze afgebakende perceel door de erven [geïntimeerden] duidelijk zichtbare activiteiten zijn ondernomen, waardoor de inbezitneming van het perceel door hen komt vast te staan. Zonder duidelijke bezitsdaden kan het beroep op verkrijgende verjaring door de erven [geïntimeerden] immers niet slagen en komt de door hen gepretendeerde eigendom niet vast te staan. Uit de notariële akten [nummer], waar de erven [geïntimeerden] zich op beroepen als titel van eigendom van erflater [geïntimeerden] blijkt namelijk onvoldoende duidelijk hoe precies de afgrenzing van het perceel is met de ten oosten daarvan gelegen gronden van de erven [Appellanten]. De rockwalls worden immers niet in die akten genoemd; die worden pas in meetbrief [perceel nummer 1] vermeld.

Bezit van een perceel grond is het houden van dat perceel voor zichzelf, dat wil zeggen het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht daarover met de pretentie rechthebbende te zijn. Of iemand een perceel grond houdt en of hij dit voor zichzelf doet moet worden beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels van de artikelen 3:109 BW e.v. en overigens op grond van uiterlijke feiten. De aard en bestemming van het perceel is dus van belang en alle concrete omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het komt daarbij primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit de wil om een goed voor zichzelf te houden kan worden afgeleid. In het geval dat de zaak in het bezit van een ander is (zoals de erven [Appellanten] stellen), zijn daartoe enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming niet voldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet. Niet vereist is echter dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis heeft gedragen van de machtsuitoefening van de niet-rechthebbende; voldoende is dat deze naar buiten toe kenbaar was (zie ook een recente conclusie PG: ECLI:PHR:2026:675 r.ov 4.6).

Getuigenbewijs

De erven [geïntimeerden] hebben bewijs aangeboden door getuigen van het feit dat zij vanaf [nummer] perceel [perceel nummer 1] in zichtbaar en ongestoord bezit hebben en dat dit perceel gedurende al die tijd zijn huidige feitelijke grensafbakeningen kent met de gronden van de erven [Appellanten] in de vorm van rockwalls. Het Hof zal de erven [geïntimeerden] toelaten tot dit bewijs door middel van getuigen. De erven [Appellanten] kunnen in contra-enquête op hun beurt getuigen voorbrengen die deze stelling kunnen ontzenuwen.

Deskundigenbericht

Het Hof zal daarnaast de erven [geïntimeerden] toelaten om het bewijs van de door hen gestelde grens van rockwalls te leveren door het laten opmaken van een rapport door een deskundige landmeter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Hof met partijen besproken dat het de voorkeur verdient dat het Hof een deskundige benoemt boven het rapport van een partijdeskundige. Partijen hebben daarmee ingestemd.

Persoon van de deskundige en voorschot

Het Hof heeft aangedrongen op overleg tussen partijen over de persoon van de deskundige, bij voorkeur leidend tot overeenstemming. Partijen hebben echter ieder een andere deskundige voorgesteld, de erven [geïntimeerden] hebben een landmeter uit Curaçao genoemd en de erven [Appellanten] hebben ICE (Independent Consulting Engineers) voorgesteld, een bureau gevestigd in Sint Maarten dat volgens hen beschikt over ruime en specifieke ervaring met kadastrale grensbepaling in Sint Maarten, inclusief kennis van de historische documentatie en de feitelijke situatie ter plaatse. Dit laatste geeft voor het Hof de doorslag om deze deskundige te benoemen. De erven [geïntimeerden] hebben in hun akte van 16 juni 2026 ook geen bezwaren tegen deze deskundige naar voren gebracht, hoewel zij daartoe door de erven [Appellanten] zijn uitgenodigd (dit blijkt uit een brief van 1 juni 2026 van de gemachtigde van de erven [Appellanten], overgelegd bij de laatste akte van de erven [Appellanten]).

Het Hof zal daarom het bureau ICE benoemen als deskundige. Het Hof ziet aanleiding te bepalen dat partijen ieder de helft van het voorschot van de deskundige dienen te betalen. Pas als zij dit gedaan hebben dient de deskundige met zijn werkzaamheden te beginnen. Dat voorschot is door de deskundige begroot op USD 30.000 en partijen zijn daarmee akkoord gegaan. Het voorschot zal dus op dat bedrag worden vastgesteld. Indien de deskundige tijdens het onderzoek constateert dat hij meer uren moet besteden dan begroot zal hij aan het Hof moeten verzoeken een aanvullend voorschot te bepalen, waarover partijen zullen worden geconsulteerd.

Lijst met relevante stukken

Partijen wordt verzocht ter voorbereiding van het deskundigenonderzoek gezamenlijk een genummerde lijst te maken van stukken die zij tot nu toe hebben overgelegd in deze procedure en die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de deskundige.

De erven [Appellanten] hebben in hun akte van 16 juni 2026 op p.4 onder 9 stukken genoemd die ontbreken in het dossier en die mr. Merx heeft opgevraagd en (deels) heeft verkregen bij het Kadaster. De erven [geïntimeerden] kunnen daar stukken aan toevoegen, waarna ook die aan de gezamenlijke lijst moeten worden toegevoegd. Al deze stukken dienen als bijlagen bij het deskundigenrapport te worden gevoegd.

Vragen aan de deskundige

Partijen hebben zich uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. Met inachtneming daarvan zal het Hof de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:

1A Kunt u aan de hand van de stukken op de door partijen opgestelde lijst, kadastrale gegevens en een terreinopname, vaststellen waar de oostelijke grens loopt tussen de gronden waarvan de erven [geïntimeerden] de eigendom claimen en de gronden van de erven [Appellanten] en die aangeven op een door u te maken tekening/kaart?

1B Kunt u die grensbepaling toelichten? Indien u de grens niet met voldoende zekerheid kunt vaststellen, wilt u toelichten waarom dit niet mogelijk is?

1C Zijn er op het te onderzoeken terrein rockwalls of andere fysieke markeringen aanwezig en zo ja, kunt u aangeven op de door u te maken tekening/kaart en

Eventueel aan de hand van foto’s waar die markeringen zich bevinden en of die overeenstemmen met de door u vastgestelde grenzen?

2. Bestaan er relevante verschillen tussen de gegevens die ten grondslag liggen aan de meetbrieven [perceel nummer 1] en [perceel nummer 2] en latere kadastrale metingen in dit gebied en zo ja, kunt u aangeven welke meting naar uw oordeel de meest betrouwbare en juiste weergave is van de genoemde perceelsgrenzen en toelichten waarom dit zo is?

3. Geeft uw onderzoek aanleiding tot verdere opmerkingen of aanbevelingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?

De erven [Appellanten] hebben weliswaar nog meer en andere vragen gesteld over historisch eigendom en gebruik van de percelen, maar die vragen vallen onder de algemene vraag 1A. Desgewenst kunnen de erven [Appellanten] hierover ook schriftelijk bewijs inbrengen en hierop ingaan in een conclusie na deskundigenbericht.

Eerst deskundigenbericht, daarna getuigenbewijs

Het komt het Hof het meest logisch voor indien eerst het deskundigenonderzoek plaatsvindt en daarna pas getuigenbewijs wordt geleverd. Indien de erven [geïntimeerden] echter gelijktijdig met het deskundigenonderzoek getuigen wensen voor te brengen dan kunnen zij dit binnen 4 weken na dit vonnis per mail aangeven aan de griffie van het Hof, ter attentie van de hierna te benoemen rechter-commissaris.

Zonder zo’n bericht zal het Hof de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar een eerstvolgende rolzitting (in Curaçao of in Sint Maarten) verwijzen voor beantwoording van de vraag of de erven [geïntimeerden] bewijs door getuigen wensen te leveren. Zo ja, dan dienen zij opgave te doen van de namen van de getuigen en verhinderdata van hen en van partijen. Zo nee, dan krijgen partijen de gelegenheid gelijktijdig een conclusie na deskundigenbericht te nemen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

Beveelt een deskundigenbericht en benoemt als deskundige:

Independent Consulting Engineers ([naam]),

[adress],

P.O.Box [nummer],

[land]

[email]

+[telefoon nummer].

Legt aan de deskundige de volgende vragen voor:

1A Kunt u aan de hand van de stukken op de door partijen opgestelde lijst, kadastrale gegevens en een terreinopname, vaststellen waar de oostelijke grens loopt tussen de gronden waarvan de erven [geïntimeerden] de eigendom claimen en de gronden van de erven [Appellanten] en die aangeven op een door u te maken tekening/ kaart?

1B Kunt u die grensbepaling toelichten? Indien u de grens niet met voldoende zekerheid kunt vaststellen, wilt u toelichten waarom dit niet mogelijk is?

1C Zijn er op het te onderzoeken terrein rockwalls of andere fysieke markeringen aanwezig en zo ja, kunt u aangeven op de door u te maken tekening/kaart en

Eventueel aan de hand van foto’s waar die markeringen zich bevinden en of die overeenstemmen met de door u vastgestelde grenzen?

2. Bestaan er relevante verschillen tussen de gegevens die ten grondslag liggen aan de meetbrieven [perceel nummer 1] en [perceel nummer 2] en latere kadastrale metingen in dit gebied en zo ja, kunt u aangeven welke meting naar uw oordeel de meest betrouwbare en juiste weergave is van de genoemde perceelsgrenzen en toelichten waarom dit zo is?

3. Geeft uw onderzoek aanleiding tot verdere opmerkingen of aanbevelingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?

Over het voorschot

Bepaalt het voorschot op de schadeloosstelling en het loon van de deskundige op USD 30.000 en bepaalt dat partijen ieder de helft van dit voorschot aan de deskundige dienen te betalen binnen vier weken na heden;

Bepaalt dat de deskundige niet met het onderzoek aanvangt dan na ontvangst van het volledige voorschot en het dossier;

Over het dossier en de lijst met stukken

Draagt de erven [geïntimeerden] op om aan de deskundige te geven: afschrift van het dossier, de hiervoor in 5.17 genoemde lijst met relevante stukken en de in 5.18 genoemde stukken;

Over het deskundigenrapport

Draagt de deskundige op bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en in het schriftelijk bericht te doen blijken dat hieraan is voldaan;

Bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het Hof, uiterlijk drie maanden na ontvangst van het volledige voorschot, onder indiening van een declaratie onder vermelding van registratienummer SXM2011H00002 erven [Appellanten]/erven [geïntimeerden];

Over het vervolg van de procedure

Bepaalt dat het Hof na ontvangst van het deskundigenbericht de zaak naar een eerstvolgende rolzitting (in Curaçao of in Sint Maarten) zal verwijzen voor beantwoording van de vraag of de erven [geïntimeerden] bewijs door getuigen wensen te leveren en zo nee, voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht door partijen gelijktijdig;

Getuigenbewijs

Laat de erven [geïntimeerden] toe bewijs door middel van getuigen te leveren van het feit dat zij vanaf [nummer] perceel [perceel nummer 1] in zichtbaar en ongestoord bezit hebben en dat dit perceel gedurende al die tijd zijn huidige feitelijke grensafbakeningen kent met de gronden van de erven [Appellanten] in de vorm van rockwalls;

Rechter-commissaris

Benoemt mr. C.G. ter Veer of een nader aan te wijzen lid van het Hof als rechter-commissaris voor wie getuigen voorgebracht kunnen worden;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, C.J.H.G. Bronzwaer en L.J. Saarloos, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 26 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand